Skip to main content
Internet Archive's 25th Anniversary Logo

Full text of "Dossier alcohol (2015)"

See other formats


dossier | alcohol 




Colofon 


Auteur 

Jasmien De Doncker, stafmedewerker VAD 
Else De Donder, stafmedewerker VAD 
David Möbius, stafmedewerker VAD 

Layout cover 

www.epo.be 

Foto's 

Shutterstock 

Verantwoordelijke uitgever 

P. Van Deun, Vanderlindenstraat 15, 1030 Brussel 
wettelijk depotnummer: D/2015/6030/44 
© 2015 



I 1 

I de druglijn | 

I 078 1510 20 I 
I www.druglijn.be I 

I I 




Vlaanderen 


IS zorg 


VAD, Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs 
Vanderlindenstraat 15, 1030 Brussel 

T 02 423 03 33 I F 02 423 03 34 | vad@vad.be | www.vad.be 


Het gebruik van (delen van) deze publicatie is toegestaan mits behoud van visie en doelstellingen van de 
publicatie, mits duidelijke bronvermelding en mits er geen financiële winst mee beoogd wordt. 


Inhoudstafel 


Voorwoord 7 

1. Alcohol, alcoholgebruik en alcoholproblemen: een inleiding 9 

1.1. Wat is alcohol? 9 

1.2. Verschillende soorten alcoholhoudende dranken 9 

1.3. Korte geschiedenis van (het gebruik van) alcoholische drank 11 

1.4. Ontstaans- en risicofactoren van alcoholgebruik 12 

1.5. Problematisch vs. niet-problematisch gebruik 13 

1.5.1. Problematisch alcoholgebruik als diagnose (DSM en ICD) 14 

1.5.2. Problematisch alcoholgebruik - Hoeveel is teveel? 16 

2. De impact van alcohol 19 

2.1. De opname en de afbraak van alcohol in het lichaam 19 

2.1.1. De opname 19 

2.1.2. De afbraak 20 

2.3. Gezondheidsrisico's 20 

2.3.1. Infectieziekten 21 

2.3.2. Gastro-enterologische aandoeningen 21 

2.3.2. 1. Gastritis (ontsteking van het maagslijmvlies) 21 

23 . 2 . 2 . Pancreatitis (ontsteking van de alvleesklier) 21 

2. 3. 2. 3. Leverziekten 21 

2.3.3. Kankers 22 

2.3.4. Cardiovasculaire aandoeningen 23 

2.3.5. Neurologische aandoeningen 24 

2.3.6. Overgewicht 25 

2.3.7. Verwondingen 25 

2.3.8. Beschermende werking van alcohol 26 

2.4. Mortaliteit en morbiditeit 26 

3. Alcoholgebruik en drinkpatronen 29 

3.1. Alcoholgebruik gemeten 29 

3.2. Drinkpatronen 30 

3.2.1. Persoonsgebonden eigenschappen 32 

3.2.2. Settings en activiteiten gelinkt aan alcoholgebruik 32 

3.2.3. Soorten alcoholische drank 32 

3.2.4. Tijdsdimensie 33 

3.2.4. 1. Indrinken 33 

3. 2. 4. 2. Bingedrinken 33 

4. Alcoholgebruik bij specifieke groepen: drinkpatronen en risico's 37 

4.1. Jongeren 37 

4.1.1. Specifieke (gezondheids)effecten 37 

4. 1.1.1. Effecten op korte termijn 37 

4. 1.1. 2. Effecten op lange termijn 38 

4.1.2. Specifieke risicofactoren voor alcoholgebruik bij jongeren 40 

4. 1.2.1. Hersenen 40 

4. 1.2. 2. Genetische predispositie 40 

4. 1.2. 3. Ouders 41 

4. 1.2. 4. Vrienden 41 

4. 1.2. 5. Gezinskenmerken 41 

4.2. Ouderen 42 

4.2.1. Ouderen zijn lichamelijk extra kwetsbaar 42 

4.2.2. Specifieke gezondheidseffecten 43 

4.2.3. Specifieke risicofactoren voor alcoholgebruik bij ouderen 43 

4.2.4. Alcohol en medicijngebruik 44 

4.2.5. Alcoholproblemen worden bij ouderen moeilijk herkend 45 

4.3. Gender 45 

4.4. Zwangere vrouwen 46 

4.4.1. Effect van alcoholgebruik op de conceptie 47 

4.4.2. Effect van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap 47 


Dossier Alcohol 


3 


4.4.3. Foetaal Alcohol Spectrum stoornis en Foetaal Alcohol Syndroom 48 

4.4.4. Effect van alcoholgebruik tijdens de borstvoeding 50 

4.5. Socio-economische status 50 

4.6. Etnisch-culturele minderheden 52 

4.7. Personen met een verstandelijke beperking 53 

5. De sociale gevolgen en maatschappelijke kosten van alcoholgebruik 55 

5.1. De sociale gevolgen van alcoholgebruik 55 

5.1.1. Alcohol en de familie (gezin en kinderen) 55 

5. 1.1.1. Impact op de partner 56 

5. 1.1. 2. Impact op het gezinsleven en gezinsfunctioneren 58 

5. 1.1. 3. Comorbide psychische en andere stoornissen bij de ouders 59 

5. 1.1. 4. Impact binnen de opvoeding 59 

5. 1.1. 5. Impact op fysieke, cognitieve en mentale gezondheid van de kinderen 61 

5.1.2. Alcohol en werk 61 

5. 1.2.1. Risicofactoren 61 

5. 1.2. 2. Gevolgen van alcoholgebruik op werk 62 

5. 1.2. 3. Preventie op het werk 63 

5.1.3. Alcohol in het verkeer 63 

5. 1.3.1. De risico's van alcohol in het verkeer 63 

5. 1.3. 2. Overheidsinitiatieven 65 

5.1.4. Alcohol en sport 66 

5. 1.4.1. Alcohol in sport en sportsponsoring 66 

5. 1.4. 2. Verband tussen sport en alcoholgebruik 67 

5. 1.4. 3. Risico's en gevolgen van alcoholgebruik in sportsettings 68 

5.1.5. Alcohol en uitgaan 69 

5.1.6. Alcohol en agressie, geweld en criminaliteit 69 

5. 1.6.1. Verband tussen alcoholgebruik en geweld 69 

5. 1.6. 2. Verklaringen voor geweld onder invloed van alcoholgebruik 71 

5.1.7. Alcoholgebruik en zelfdoding 72 

5.2. Maatschappelijke kosten en baten van alcoholgebruik 72 

5.2.1. Maatschappelijke kosten en baten van alcohol 73 

5.2.2. Maatschappelijke kosten en baten van alcohol in België 74 

6. Alcohol in combinatie met andere drugs 75 

6.1. Redenen om alcohol te combineren met andere drugs 75 

6.2. Effecten en risico's van combinaties van alcohol met andere producten 75 

6.2.1. Alcohol en nicotine 75 

6.2.2. Alcohol en energiedranken 76 

6.2.3. Alcohol en cannabis 76 

6.2.4. Alcohol en amfetamines 77 

6.2.5. Alcohol en MDMA (xtc) 77 

6.2.6. Alcohol en cocaïne 78 

6.2.7. Alcohol en GHB 78 

6.2.8. Alcohol en methadon 79 

6.2.9. Alcohol en medicatie 79 

6.2.9. 1. Algemene effecten en risico's 79 

6. 2. 9. 2. Effecten en risico's bij de combinatie alcohol en psychoactieve medicatie 79 

7. De aanpak van alcoholgerelateerde problemen 81 

7.1. Preventie van alcoholproblemen 81 

7.1.1. Preventieprogramma's op school 81 

7.1.2. Gezinsgerichte universele preventieprogramma's 82 

7.1.3. Andere preventieprogramma's 82 

7.1.4. Alcoholpreventie en de preventieparadox 83 

7.2. Vroeginterventie 83 

7.2.1 Screening en kortdurende interventies 83 

7.3. Flulpverlening bij problematisch alcoholgebruik 85 

7.3.1. Zelfhulp 85 

7.3.2. De eerstelijnszorg 86 

7.3.3. Ambulante alcoholhulpverlening 86 

7.3.4. Semi-residentiële alcoholhulpverlening 86 

7.3.5. Residentiële alcoholhulpverlening 86 




Dossier Alcohol 


4 


7.4. Harm reduction 87 

7.5. Nood aan een alcoholbeleid 87 

7.5.1. Alcoholbeleidsmaatregelen nader beschouwd 87 

7.5. 1.1. De regulatie van de alcoholmarkt 88 

7.5. 1.2. De drinkomgeving 89 

7.5. 1.3. Alcohol en verkeer 89 

7.5. 1.4. Educatie, communicatie, training en maatschappelijk bewustzijn 90 

7.5. 1.5. Commerciële communicatie 90 

7.5.2. Op weg naar een (globaal) alcoholbeleid 91 

7.5.2. 1. (Inter)nationale actieplannen 91 

Referenties 95 

Bijlage 1: Formule voor het berekenen van de hoeveelheid alcohol 117 

Bijlage 2: Overzicht maatregelen Belgische verkeerswetgeving 118 

Bijlage 3: Wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid 119 

Bijlage 4: Leeftijdsgrenzen voor de verkoop van alcohol in 28 Europese landen 120 

Bijlage 5: Nationale maximum BAC niveaus (g/liter) in het verkeer 121 


Dossier Alcohol 


5 


Dossier Alcohol 


Voorwoord 


In 2009 verscheen de eerste versie van dit dossier. In deze update wordt de nieuwe 
wetenschappelijke literatuur die sindsdien is verschenen over alcohol verwerkt. Voor deze 
actualisatie baseerden we ons voornamelijk op review-artikels. Daaruit maakten we een selectie 
van literatuur die voor dit dossier relevant is. Het dossier is een weergave van de stand van de 
wetenschappelijke literatuur anno 2015. 

Het dossier start met een omschrijving en een korte geschiedenis van het product alcohol. In het 
eerste hoofdstuk is daarnaast aandacht voor verschillende definities gaande van niet-problematisch 
tot problematisch gebruik van alcohol. Het tweede hoofdstuk is volledig gewijd aan de impact van 
alcoholgebruik op individueel vlak. Daarin worden vooral de gezondheidsrisico's beschreven. Het 
derde hoofdstuk gaat in op drinkpatronen. Hoofdstuk vier belicht de impact van alcoholgebruik op 
specifieke risicogroepen namelijk jongeren, ouderen, zwangere vrouwen, etnisch-culturele 
minderheden, groepen met een lage of hoge socio-economische status en tot slot personen met 
een beperking. Hoofdstuk vijf kijkt naar de impact van alcoholgebruik op anderen. We gaan 
specifiek in op het effect van alcoholgebruik binnen het gezin, op de werkplek, in het verkeer, in 
sport, tijdens het uitgaan en bij agressie, geweld en criminaliteit. Tot slot worden in hoofdstuk vijf 
ook de maatschappelijke kosten en baten van alcoholgebruik besproken. Hoofdstuk zes is gewijd 
aan de combinatie van alcohol met andere middelen en welke risico's dit meebrengt. Het laatste 
hoofdstuk geeft informatie over de aanpak van alcoholgebruik binnen preventie, vroeginterventie, 
hulpverlening, harm reduction en beleid. 

De belangrijkste wijzigingen in deze herziene versie van het dossier alcohol situeren zich bij de 
gezondheidsrisico's. Daarnaast zijn ook enkele risicogroepen toegevoegd zoals etnisch-culturele 
minderheden en personen met een verstandelijke beperking. Ook alcoholgebruik in het 
uitgaansleven is een nieuw hoofdstuk. De verschillende onderdelen in het hoofdstuk de aanpak van 
alcoholgerelateerde problemen zijn uitgebreid en dit bevat nu tevens een hoofdstuk over harm 
reduction. 

Voor cijfers over alcoholgebruik kan u terecht in de factsheet alcohol van VAD die jaarlijks, en dus 
frequenter dan dit dossier, wordt geactualiseerd zodat u steeds over recente cijfers kan beschikken. 
Verder biedt het drugs ABC alcohol een beknopt overzicht van de belangrijkste aspecten van 
alcohol en het gebruik ervan. In het dossier worden verschillende termen gebruikt: 
alcoholmisbruik, alcoholafhankelijkheid, alcoholgerelateerde stoornis, ... We hebben geprobeerd 
zoveel mogelijk te spreken over niet-problematisch en problematisch alcoholgebruik. Maar wanneer 
we verwijzen naar (buitenlands) onderzoek waarin andere termen gebruikt worden, wordt de 
terminologie van het oorspronkelijke onderzoek overgenomen. 

Tot slot nog een woord van dank aan Sanne Decoster (medewerker zorgpad alcohol en liaison team 
psychiatrie, AZ Groeninge) en Leen De Rooms (preventiewerking Tabak, Alcohol & Drugs, CGG 
Ahasverus), alsook aan de VAD-collega's voor hun kritische nalezing en feedback. 

VAD, november 2015 


Dossier Alcohol 


7 


Dossier Alcohol 


1. Alcohol, alcoholgebruik en alcoholproblemen: een inleiding 


Het gebruik van alcohol is nauwelijks weg te denken uit onze hedendaagse samenleving. Voor de 
meeste mensen gaan een heleboel gebeurtenissen en activiteiten vrijwel automatisch gepaard met 
het drinken van één of meerdere alcoholhoudende dranken. Denk maar aan het gezellig samenzijn 
met vrienden, bij een verjaardag, een geboorte of na een zware werkdag. Alcohol is met andere 
woorden een deel van onze cultuur geworden. 

Soms hebben mensen evenwel moeite om hun alcoholgebruik onder controle te houden, wat heel 
wat potentiële problemen met zich meebrengt. De kennis over deze risico's en deskundigheid 
omtrent de behandeling en preventie van alcoholgerelateerde problemen, zowel regionaal als 
internationaal, is de voorbije jaren enorm toegenomen. 


1.1. Wat is alcohol? 

In zuiver moleculaire vorm is alcohol gekend als C2H5OH en ziet het er als volgt uit: 

H H 

I I 

H - C - C - OH 

I I 

H H 

Omwille van zijn vrij eenvoudige structuur wordt alcohol door biochemici weleens omschreven als 
een 'domme' molecule. Voor een chemicus is de correcte naam voor deze substantie 'ethylalcohol' 
of 'ethanol', terwijl 'alcohol' gezien wordt als de generische naam voor een bepaalde groep van 
chemicaliën waarvan ethylalcohol er slechts één is - naast propyl-, butyl-, amyl- en methylalcohol 
(methanol) (Edwards, 2000; Boyle et al., 2013). In het alledaagse taalgebruik refereert het woord 
alcohol evenwel naar de substantie die men verwacht in alcoholhoudende dranken. Dit is dan ook 
de manier waarop dit woord in dit dossier zal gebruikt worden. 

Op kamertemperatuur is alcohol een kleurloze vloeistof die, in zijn pure vorm, als zeer onplezierig 
wordt ervaren op de tong. Door het te verdunnen met water wordt het evenwel minder 
onaangenaam. Wat de verschillende dranken een aantrekkelijke en onderscheidende smaak geeft, 
is evenwel niet de alcohol die erin zit maar de chemicaliën die erin worden verwerkt tijdens het 
productieproces. 

Vanuit farmacologisch oogpunt kan alcohol gezien worden als een slaapverwekkend middel: het 
onderdrukt het centrale zenuwstelsel waarbij het een invloed heeft op alle hersengebieden, 
inclusief die gebieden die verbonden zijn met onze meest fundamentele levensfuncties zoals 
ademen, wakker blijven of reageren op de wereld om ons heen. De mens consumeert alcohol mede 
omdat hij heeft geleerd dat dit bepaalde mentale veranderingen kan teweegbrengen: men ervaart 
veranderingen in de gemoedstoestand en het relaxatieniveau waarin men zich bevindt en gaat zich 
communicatiever gedragen. Dit toont aan dat de effecten van de simpele molecule alcohol verre 
van eenvoudig zijn (Cameron, 2000; 0'Malley & Valverde, 2004). 

1.2. Verschillende soorten alcoholhoudende dranken 

Alcohol ontstaat door gisting van sommige soorten suikers, veelvuldig voorkomend in vruchten, of 
uit een brouwsel van granen. Afhankelijk van welk product men vertrekt kunnen de verschillende 
alcoholische dranken opgesplitst worden in drie groepen: bier, wijn en gedistilleerde of 
sterkedranken. Binnen deze drie soorten drank bestaan er vele varianten, zowel in smaak als 
alcoholpercentage (Boyle et al., 2013). 


Dossier Alcohol 9 



Bier ontstaat door het gisten van gemoute gerst, water, biergist en hop. Op dit moment 
bestaan er in België meer dan 150 brouwerijen met een gamma van ongeveer 500 
verschillende bieren die volgens vier verschillende gistingswijzen worden gebrouwen 
(Belgische brouwers, 2014): 

o lage gisting (pils of lager); 

o hoge gisting (Belgische speciale bieren, witbier, abdijbier, trappist, sterk blond en 
andere streek- of stadsbieren); 
o spontane gisting (geuzelambiek en fruitbieren); 
o gemengde gisting (bruin-zure, Zuid-Vlaamse bieren). 

Wijn wordt verkregen door gisting van druivensap. Naast gewone wijn bestaan er ook een 
aantal varianten zoals 'mousserende wijn', die een tweede gisting op fles heeft 
doorgemaakt en 'versterkte wijn' bv. port, waarbij extra gedistilleerde alcohol is 
toegevoegd. 

Sterkedrank is eigenlijk een buitenbeentje, in die zin dat men hier na het gistproces de 
verkregen alcohol een aantal keren gaat distilleren zodat het alcoholpercentage van de 
drank gevoelig stijgt (Posma & Koeten, 1998; Boyle et al., 2013). Een bijzondere categorie 
betreft de alcopops. Dit zijn mixdrankjes van gedistilleerde drank met limonades (De 
Maeseneire, 2002). 

Globaal kent men aan de drie groepen een vast alcoholpercentage toe. In pilsbier zit ongeveer 4 a 
5% alcohol, in wijn 10 a 13% en in gedistilleerde drank -i-22% alcohol. Hierdoor lijkt het alsof men 
met een glas gedistilleerde drank meer alcohol binnenkrijgt dan met een glas bier. Toch is dit niet 
zo aangezien de glazen voor gedistilleerde drank kleiner zijn dan deze van wijn of bier. Dit wil 
zeggen dat wanneer er standaardglazen gebruikt worden, men evenveel pure alcohol in het 
lichaam opneemt. Eén standaardglas bevat immers altijd dezelfde hoeveelheid alcohol 
onafhankelijk van de grootte van het glas of het soort alcohol. Hoeveel alcohol een standaardglas 
bevat, verschilt wel van land tot land (ICAP, 2007; Boyle et al., 2013). Zo bevat een standaardglas 
alcohol in het Verenigd Koninkrijk gemiddeld 8g of 10 ml pure alcohol. In Vlaanderen bevat een 
standaardglas, net zoals in de meeste Europese landen, gemiddeld lOg of ongeveer 12,7 ml pure 
alcohol (Anderson, Gual & Colom, 2005; Boyle et al., 2013). 


Soort 

drank 

9 

'V 

é 

. 

1 

w 

i 1 


Pint 

Blik 

Zwaar 

Glas 

Fles 

Aperitief 

Glas 


bier 

bier 

bier 

wijn 

wijn 

(Porto, 

Sherry) 

sterke- 

drank 

Centiliter 

25 cl 

33 cl 

33 cl 

10 cl 

75 cl 

5 cl 

3,5 cl 

Standaard- 

glazen 

1 

1,5 

1 ,7 tot 
2,5 

1 

7,5 

1 

1 


Sommige drank is echter ook verkrijgbaar in hoeveelheden die verschillen van een standaardglas, 
bijvoorbeeld een blikje bier van 33 cl, een fles mixdrank van 275 ml of streekbieren met een hoger 
alcoholgehalte (tot 2,5 keer meer) en een groter standaardglas. Om te berekenen hoeveel 
standaardglazen alcohol deze drank bevat kan de omzettingsformule in bijlage 1 gebruikt worden. 
Daarnaast bevatten glazen geschonken in de privésfeer meestal meer alcohol dan een 
standaardglas. Zo bevat een standaardglas wijn bijvoorbeeld 100 ml wijn, maar bevat een 
gemiddeld geschonken glas 130 ml (Kerr & Stockwell, 2012). 


Dossier Alcohol 


10 


1.3. Korte geschiedenis van (het gebruik van) alcoholische drank 

Het is zeer moeilijk te bepalen door wie of zelfs wanneer alcohol voor het eerst werd ontdekt. 
Hoewel archeologen bewijs hebben gevonden van een zeer basale vorm van fermentatie afkomstig 
uit het nog 2.000 jaar oudere Neolithicum, vinden we het meest overtuigende bewijs in het 
Midden-Oosten van ongeveer 10.000 jaar geleden. De eerste brouw ontstond waarschijnlijk bij 
toeval, toen een boer een deel van zijn geoogste fruit liet rotten in water (Brownlee, 2002; Patrick, 
1952). Toen de eerste gedistilleerde alcohol werd ontdekt, werd het aanzien als duurzaam 
handelswaar dat als medicijn kon dienen voor zowat alle lichamelijke aandoeningen. Het werd 
'aqua vitae' (levenswater) genoemd en diende als basis voor termen als 'eau de vie', 'aquavit', 
'vodka' en 'whiskey' (Thom, 2001; Lesch, Walter, Wetschka, Hesselbrock & Hesselbrock, 2011; Van 
Schoonenberghe, 2012). Toen gedistilleerde dranken uiteindelijk talrijker werden en de prijzen 
bijgevolg daalden, steeg de populariteit van het product en werd het, naast het gebruik voor 
medicinale doeleinden, ook steeds meer aanzien als een genotsmiddel (Patrick, 1952). 

Patronen van alcoholgebruik of van niet-gebruik zijn in de loop van de menselijke geschiedenis 
altijd een belangrijke manier geweest waarop de identiteit van bepaalde groepen bepaald werd. 
Ook vandaag de dag is dit nog steeds het geval. Vaak zijn de differentiaties die gemaakt worden 
afkomstig vanuit de religie (Room, 2005; Gastro, Barrera, Mena & Aguirre, 2014). Hier wordt 
dieper op ingegaan in hoofdstuk 2.2. Drinkpatronen. 

De voordelen van alcohol als een voedingsmiddel, een veilig drankje (water was immers vaak 
onzuiver), een medicijn of een verdovingsmiddel zijn altijd al wijdverspreid geweest. Ondanks deze 
voordelen is men er evenwel altijd van overtuigd geweest dat alcohol ook schadelijk kan zijn. De 
Griekse arts Hippocrates beschreef reeds symptomen zoals misselijkheid, slapeloosheid, 
hartkloppingen en delirium die, eeuwen later, een vertrouwd beeld zouden vormen in het klinische 
beeld van alcoholisme. Plato suggereerde dat wijn verboden zou moeten worden voor personen 
jonger dan achttien jaar en dat het alleen met mate zou mogen worden gebruikt door personen 
tussen de achttien en dertig jaar oud (Thom, 2001; Lesch et al., 2011). Het waren echter de 
Egyptenaren die als eerste de sociale problemen die gepaard gaan met dronkenschap beschreven. 
Zij riepen ook als eerste een biertaks in het leven. De achterliggende gedachte hierbij was dat het 
heffen van een dergelijke taks publieke werken (zoals de bouw en het onderhoud van 
monumenten, piramides en graftombes) zou kunnen financieren en bovendien dronkenschap kan 
verminderen (Brownlee, 2002). Het duurde echter tot het begin van de achttiende eeuw vooraleer 
ook Westerse samenlevingen zich zorgen begonnen te maken over het hoge aantal dronken lieden 
in de straten. Deze verhoogde vorm van ongerustheid manifesteerde zich evenwel niet in alle 
landen tegelijk en ook niet overal in dezelfde mate. Het was eerder een vorm van sociale angst 
gericht op dronkenschap in de lagere sociale klassen die de basis vormde van deze ongerustheid 
(Thom, 2001). 

Een van de eerste geschriften waarin het moderne concept 'stoornis in het gebruik van alcohol' 
naar voren kwam, dateert van 1812 en komt van de hand van Dr. Benjamin Rush. Hij beschreef 
dat, ondanks het gegeven dat mensen uit vrije wil beginnen drinken, de gewoonte van het drinken 
uiteindelijk zal leiden tot het verdwijnen van diezelfde wilskracht. Vanuit deze stelling 
argumenteerde hij vervolgens dat dronkenschap uit gewoonte niet gezien moet worden als een 
slechte gewoonte maar als een ziekte, als het lamleggen van de wil (Valverde, 1998). Geïnspireerd 
door de geschriften van Dr. Rush, werd in Amerika de geheelonthoudingbeweging ('Temperance 
Movement') opgericht (1826). Deze beweging werd vrij snel een machtige organisatie die na amper 
negen jaar reeds meer dan 1,5 miljoen leden telde. Het eerste Europese land dat het Amerikaanse 
voorbeeld volgde was Ierland, waar in het kleine dorpje Skibbereen de eerste 
geheelonthoudersgemeenschap werd gesticht (Brownlee, 2002). Het zien van alcoholproblemen als 
een ziekte betekende dan ook dat behandeling en rehabilitatie geleidelijk aan naar voren werden 
geschoven als de meest gepaste antwoorden op de problematiek. In de loop van de negentiende 
eeuw werden in Europa en Amerika een verscheidenheid aan behandelmogelijkheden aangeboden 
door zowel artsen als allerhande vrijwilligers- en filantropische organisaties. Dit nieuwe, medische 


Dossier Alcohol 


11 


paradigma zorgde voor een radicale breuk met traditionele ideeën over de problemen die gepaard 
gaan met het drinken van alcohol. Zowel het professionele als publieke beeld van de 
gewoontedrinker als een hopeloos geval of moreel zwak persoon veranderde in het beeld van een 
onfortuinlijk individu geteisterd door een ziekte die - zoals andere ziekten - in aanmerking kwam 
om genezen te worden door de gepaste medische en psychiatrische zorg (Levine, 1978; Thom, 
2001 ). 

Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw vond er, mede dankzij een toename van nieuwe 
theoretische en praktische inzichten, een verschuiving plaats naar een meer preventieve aanpak en 
een veel breder zicht op het ontstaan van alcoholproblemen. De bezorgdheid gaat sindsdien meer 
uit naar alcoholmisbruik, problematisch drinken en de omvang van alcoholgerelateerde schade 
binnen de samenleving in zijn geheel en specifieke bevolkingsgroepen in het bijzonder. In de jaren 
tachtig en negentig werd het aanpakken van schadelijke drinkgewoonten het aandachtspunt bij 
uitstek voor zowel beleids- als preventieve maatregelen in Australië, de Verenigde Staten en 
Europa. Nieuwe groepen van professionals, zoals klinisch psychologen, sociaal werkers en 
hulpverleners vulden de nieuw vrij gekomen ruimte in het alcoholveld (Thom, 2001; Room & 
Makela, 2000). De laatste jaren zet deze trend zich verder en gaat er steeds meer aandacht uit 
naar preventie en beleidsmaatregelen. Problematisch alcoholgebruik wordt meer gezien vanuit een 
continuüm waarbij er voldoende aandacht moet uitgaan naar de verschillende fasen (preventie, 
vroeginterventie, behandeling, nazorg, enz.). Door toenemend inzicht in alcoholproblemen groeide, 
naast het belang van continue geïntegreerde zorg, eveneens meer aandacht voor een 
herstelgerichte benadering en een benadering gericht op schadebeperking. De herstelgerichte 
benadering schuift een meerdimensionale visie op herstel naar voor, waarvan klinisch herstel maar 
één onderdeel is naast functioneel, maatschappelijk en persoonlijk herstel. Een schadebeperkende 
visie verwijst naar alle maatregelen, programma's en interventies die tot doel hebben de nadelige 
consequenties van het gebruik te beperken, zonder noodzakelijkerwijs het gebruik te verminderen 
(VAD, 2015a). 

1.4. Ontstaans- en risicofactoren van alcoholgebruik 

De meeste mensen drinken weleens een alcoholhoudende drank. Maar waarom doen ze dit en 
welke factoren bepalen dat sommige mensen hun gebruik goed onder controle weten te houden en 
anderen niet? Om te begrijpen hoe een bepaalde drug het gedrag van de gebruiker beïnvloedt en 
wat iemand ertoe aanzet deze drug te gebruiken, moeten volgens Zinberg (1984) drie met elkaar 
in wisselwerking tredende determinanten in rekening worden gebracht: 

V Mens: persoonlijkheids- en biogenetische kenmerken zoals bepaalde genetische 

kwetsbaarheid, psychosociale kwetsbaarheid voor de effecten van alcohol, attitudes, 
persoonlijkheid (zelfvertrouwen, copinggedrag, impulsiviteit, karakter, ...), enz. 

V Middel: de producteigenschappen (i.c. alcohol) 

V Milieu: omgevings- of contextuele factoren zoals wetten en regels (beschikbaarheid van 
alcohol); socio-economische factoren; media; maar ook interpersoonlijke factoren zoals het 
gedrag van rolmodellen; sociale interactie in de familie, of subcultuur, met vrienden of 
peers; sociale rollen. 

Uit dit MMM-model kan worden afgeleid dat drinkgedrag wordt beïnvloedt door verschillende 
factoren (American Psychiatrie Association (APA), 2014). Het betekent dus dat er een interactie 
plaatsvindt van sociale normen (en andere sociale factoren), persoonlijkheidsfactoren en 
biologische factoren. Daarenboven wordt het drinkgedrag beïnvloed door de fysieke 
beschikbaarheid van alcoholhoudende dranken en hun prijzen (Ahlström, 2000; Kendler, Gardner & 
Dick, 2011; Patrick & Schulenberg, 2013; Guerrini, Quadri & Thomson, 2014). 


Dossier Alcohol 


12 


1.5. Problematisch vs. niet-problematisch gebruik 

Om een consistent beeld te geven van de impact van alcohol dienen we een aantal begrippen te 
onderscheiden. Dit is echter niet eenvoudig. Zowel in onderzoek als in de praktijk worden 
verschillende termen zoals afhankelijkheid of problematisch, schadelijk en riskant gebruik door 
elkaar gebruikt. In de Engelstalige literatuur vinden we dan weer termen terug als 'harmful use of 
alcohol', 'hazardous drinking' en 'problematic alcohol use'. De vele begrippen maken het moeilijk 
om door het bos de bomen te zien. Hieronder worden een aantal basisbegrippen die vaak worden 
gebruikt in Vlaanderen op een rij gezet. 

Problematisch alcoholgebruik is een complex gegeven dat kan evolueren naar 
alcoholafhankelijkheid. Problemen die gepaard gaan met het alcoholgebruik, kunnen van fysieke, 
psychische of sociale aard zijn. Deze worden beïnvloed door verschillende factoren, zoals de 
individuele gevoeligheid, de mate, duur en wijze van het alcoholgebruik, de combinatie met andere 
producten, de eventueel aanwezige psychiatrische problematiek en directe en indirecte 
omgevingsfactoren. We spreken ook van problematisch alcoholgebruik wanneer men alcohol drinkt 
in een verkeerde situatie (bijvoorbeeld in het verkeer) of op een verkeerd tijdstip (bijvoorbeeld bij 
het ontbijt). Vaak wordt bij problematisch alcoholgebruik een onderscheid gemaakt tussen 
'occasioneel overmatig alcoholgebruik' en 'langdurig overmatig alcoholgebruik' (Michels, 2011). 

Occasioneel overmatig alcoholgebruik (occasioneel excessief gebruik of riskant 
gebruik) is een drinkpatroon met een verhoogd risico op schadelijke gevolgen. Deze 
categorie is van toepassing wanneer een bepaalde norm van alcoholgebruik wordt 
overschreven, echter zonder dat er alcoholgerelateerde aandoeningen zijn. 

Langdurig overmatig alcoholgebruik (chronisch gebruik) is een drinkpatroon dat 
gezondheidsschade veroorzaakt op fysiek (bijvoorbeeld leverschade), psychisch 
(bijvoorbeeld depressieve episode) of sociaal vlak (bijvoorbeeld problemen op het werk). 
Langdurig alcoholmisbruik verhoogd eveneens het risico op schadelijke gevolgen (bv. risico 
op ongevallen) (Michels, 2011). 

Met niet-problematisch gebruik wordt het gematigd en verantwoord drinken dat geïntegreerd is 
in de samenleving bedoeld (sociaal drinken) (De Donder & Lambrechts, 2002). Figuur 1 toont het 
continuüm tussen niet-problematisch gebruik en problematische drinkpatronen. 


Meerderheid bevolking 


Minderheid bevolking 







Niet-problematisch gebruik 

Sociaal gebruik 
Geïntegreerd gebruik 

Occasioneel excessief gebruik 
Situationeel riskant gebruik 

Problematisch gebruik 

Chronisch gebruik 
Proces naar afhankelijkheid 


Figuur 1: Niet-problematisch versus problematisch aicoholgebruik (De Donder & Lambrechts, 2002) 


Dossier Alcohol 


13 


1.5.1. Problematisch alcoholgebruik als diagnose (DSM en ICD) 

In mei 2013 werd de vijfde editie van de DSM ontwikkeld. In deze laatste editie is er een 
samenvoeging van de diagnosen 'misbruik' en 'afhankelijkheid' tot één nieuwe diagnose, namelijk 
'stoornis in het gebruik van middelen'. Hierbij maakt men wel een onderscheid tussen drie 
subcategorieën, namelijk beperkt, matig en ernstig. De diagnose 'stoornis in het gebruik van 
middelen' valt onder de nieuwe DSM-V-categorie 'verslavingen en stoornissen door het gebruik van 
middelen'. Ook verschillend met de DSM IV is de verwijdering van het criterium 'terugkerende 
juridische problemen door het gebruik van middelen' en de introductie van het criterium 'craving'^ 
(Preuss, Watzke & Wurst, 2014; van den Brink, 2014). 

Voor het classificeren van een 'stoornis in het gebruik van aicohoi' werden 11 criteria 
opgesteld. Indien wordt voldaan aan twee of drie criteria is er sprake van een beperkte of milde 
stoornis. Bij vier of vijf criteria wordt een matige stoornis vastgesteld en wanneer de persoon 
voldoet aan zes of meer symptomen is er sprake van een ernstige stoornis. Hieronder worden de 
11 criteria opgesomd. 

- Alcohol wordt vaak gebruikt in grotere hoeveelheden of langduriger dan de bedoeling was. 

- Er is een persisterende wens of er zijn vergeefse pogingen om het alcoholgebruik te 
minderen of in de hand te houden. 

- Veel tijd wordt besteed aan activiteiten die nodig zijn om aan alcohol te komen, alcohol te 
gebruiken, ofte herstellen van de effecten ervan. 

- Hunkering, of een sterke wens of drang tot alcoholgebruik. 

- Recidiverend alcoholgebruik, met als gevolg dat de belangrijkste rolverplichtingen niet 
worden nagekomen op het werk, op school of thuis. 

- Aanhoudend alcoholgebruik ondanks persisterende of recidiverende sociale of 
interpersoonlijke problemen, veroorzaakt of verergerd door de effecten van alcohol. 

- Belangrijke sociale, beroepsmatige of vrijetijdsactiviteiten zijn opgegeven of verminderd 
vanwege het alcoholgebruik. 

- Recidiverend alcoholgebruik in situaties waarin dit fysiek gevaar oplevert. 

- Het alcoholgebruik wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een persisterend of 
recidiverend lichamelijk of psychisch probleem is dat waarschijnlijk is veroorzaakt of 
verergerd door de alcohol. 

- Tolerantie, zoals gedefinieerd door één van de volgende kenmerken: 

a. Behoefte aan een duidelijk toegenomen hoeveelheid alcohol om een intoxicatie of het 
gewenste effect te bereiken. 

b. Een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol. 

- Onttrekkingssymptomen, zoals blijkt uit minstens één van de volgende kenmerken: 

a. Het kenmerkende onttrekkingssyndroom van alcohol. 

b. Alcohol wordt gebruikt om onttrekkingssymptomen te verlichten of te voorkomen (APA, 
2014). 

Een belangrijke opmerking die hierbij gemaakt kan worden is dat noch de hoeveelheid gedronken 
alcohol noch drinkpatronen worden vermeld. Het is belangrijk te realiseren dat het hier gaat om 
een classificatiesysteem. Voor verdere diagnosestelling en behandeling van individuen moet 
rekening gehouden worden met meer dan enkel de DSM. Zo kan het interessant zijn om in het 
kader van de behandeling ook het wekelijks gebruik of specifieke drinkpatronen in kaart te brengen 
(Tuithof, ten Have, van den Brink, Vollebergh & de Graaf, 2014; van den Brink, 2014). 

Naast de hierboven beschreven stoornis in het gebruik van alcohol is er binnen de DSM-V ook 
aandacht voor stoornissen door het gebruik van alcohol zoals intoxicatie, onttrekkingssyndroom en 
andere psychische stoornissen door alcohol (bv. delirium, slaapstoornissen, angststoornissen, 
enz.). Alcoholintoxicatie wordt gekenmerkt door volgende criteria: 

A. Recent gebruik van alcohol 


^ Craving staat voor hunkering of een sterke wens of drang tot een bepaald middel, in dit geval alcohol. 


Dossier Alcohol 


14 


B. Klinisch significante problematische gedrags- of psychische veranderingen (bv. ongepast 
seksueel of agressief gedrag, stemmingslabiliteit, verminderd oordeelsvermogen) ontstaan 
tijdens of kort na het gebruik van alcohol. 

C. Eén (of meer) van de volgende verschijnselen, die tijdens of kort na het innemen van 
alcohol ontstaan: 

1. Ongearticuleerd spreken 

2. Coördinatiestoornissen 

3. Onzekere gang 

4. Nystagmus (niet-willekeurige bewegingen van de ogen) 

5. Stoornis in aandacht of geheugen 

6. Stupor of coma 

D. De symptomen zijn niet het gevolg van een somatische aandoening en zijn niet eerder toe 
te schrijven aan een andere psychische stoornis, waaronder intoxicatie door een ander 
middel (APA, 2014). 

Wanneer een alcoholafhankelijke patiënt plots mindert of stopt met drinken kan dit aanleiding 
geven tot verschillende negatieve reacties. Deze abstinentie- of onthoudingssymptomen wijzen op 
het feit dat het lichaam van de gebruiker niet meer zonder de stof kan. De diagnose 
alcoholonttrekkingssyndroom wordt gesteld aan de hand van volgende criteria uit de DSM-V: 

A. Staking (of mindering) van alcoholgebruik dat fors en langdurig is geweest. 

B. Twee (of meer) van de volgende kenmerken, ontstaan binnen enkele uren tot een paar 
dagen na het staken (of minderen) van het alcoholgebruik zoals beschreven in criterium A: 

1. Autonome hyperactiviteit (bv. transpireren, polsfrequentie hoger dan 100 per minuut). 

2. Toegenomen tremor van de handen. 

3. Insomnia. 

4. Misselijkheid of braken. 

5. Visuele, tactiele of auditieve hallucinaties of illusoire vervalsingen. 

6. Psychomotorische agitatie. 

7. Angst. 

8. Gegeneraliseerde tonisch-klonische insulten. 

C. De klachten of verschijnselen van criterium B veroorzaken klinisch significante lijdensdruk 
of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op 
andere belangrijke terreinen. 

D. De klachten of verschijnselen kunnen niet worden toegeschreven aan een somatische 
aandoening en kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, 
waaronder de intoxicatie- of onttrekkingssymptomen van een ander middel (APA, 2014). 

Meestal treden de eerste symptomen op tussen 6 en 24 uur na de laatste alcoholinname. Vaak 
bereiken de klachten en symptomen een hoogtepunt tussen 24 en 48 uur. De intensiteit ervan is op 
de derde dag reeds gehalveerd en na 7 a 10 dagen zijn de symptomen nagenoeg volledig 
verdwenen. Op psychologisch vlak komen vooral angst, spanning, onrust en agitatie voor. Op 
lichamelijk vlak uiten de symptomen zich in sterke transpiratie, misselijkheid, slaapstoornissen, 
beven, enz. Bij 3 tot 10% van de alcoholafhankelijke patiënten kunnen er daarenboven epileptische 
convulsies optreden, meestal tussen de 24 en 48 uur na de alcoholstop. Meestal blijft dit beperkt 
tot een eenmalige aanval. Soms kan dit de introductie van een delirium tremens betekenen (meer 
info zie 3.3.5. Neurologische aandoeningen) (Ansoms, Casselmans, Matthys & Verstuyf, 2004; 
Rehm, 2010; APA, 2014). 


Naast de DSM is een ander vaak gehanteerd classificatiesysteem de International Classification 
of Diseases (ICD-10; World Health Organization & Hengeveld, 1994). Deze classificatie maakt wel 
een onderscheid tussen schadelijk gebruik en afhankelijkheid en vertoont aldus een aantal 
verschillen met de DSM-V-classificatie. Onder 'schadelijk gebruik' valt alcoholgebruik dat actuele 
psychische of lichamelijke schade tot gevolg heeft. De diagnose afhankelijkheid wordt alleen 
gesteld wanneer drie of meer van volgende punten tegelijkertijd aanwezig waren gedurende enige 


Dossier Alcohol 


15 


tijd in het afgelopen jaar: 

1. Een sterk verlangen of drang om het middel te gebruiken; 

2. Problemen met het controleren van het starten, beëindigen van gebruik; 

3. Gebrek aan andere activiteiten/interesses, toegenomen tijd voor verkrijgen, gebruik en 
herstel; 

4. Verder zetten/continueren van gebruik ondanks lichamelijke of psychische schade; 

5. Na het staken van gebruik treedt ontwenning op (onthoudingsverschijnselen); 

6. Tolerantie (WHO & Hengeveld, 1994). 


1.5.2. Problematisch alcoholgebruik - Hoeveel is teveel? 

Zoals eerder werd aangehaald geven de vernoemde classificatiesystemen geen aanduiding van de 
hoeveelheid gedronken alcohol noch van de verschillende drinkpatronen die er bestaan. Hoe 
kunnen we dan vaststellen welke hoeveelheden aanvaardbaar zijn? 

Om te bepalen of iemand al dan niet een alcoholprobleem heeft, worden vaak grenzen gebruikt, 
gebaseerd op het aantal gedronken glazen per dag of per week of gelegenheid. Omdat vrouwen, 
onder meer door een andere lichaamsverhouding van water en vet, gevoeliger zijn voor alcohol dan 
mannen gelden er verschillende criteria voor beide seksen (De Donder, 2006). Bij het bepalen van 
deze grenzen, moet er rekening gehouden worden met een aantal factoren zoals het geslacht en de 
leeftijd. Daarnaast worden er best meerdere grenzen opgesteld zowel in functie van wekelijks 
alcoholgebruik als gebruik per gelegenheid om excessief alcoholgebruik te voorkomen. Zo blijkt dat 
er meerdere grenzen zijn voor verantwoordelijk alcoholgebruik en dat deze sterk verschillen tussen 
landen (Dawson, 2011; Kerr & Stockwell, 2012; Rehm & Patra, 2012). 


VAD wil een eenduidige boodschap naar de algemene bevolking brengen, want eenduidigheid 
betekent grotere effectiviteit. Daarom werden de hieronder opgenomen grens voor 
verantwoordelijk alcoholgebruik om de schadelijke gevolgen van het gebruik van alcohol te 
voorkomen of te verminderen opgesteld (VAD, 2009b). Voor meer informatie, duiding en de meest 
actuele versie van deze grenzen voor verantwoordelijk drinken verwijzen we naar www.vad.be. 


Grens verantwoordelijk alcoholgebruik voor volwassen mannen en vrouwen 
Mannen 

Gemiddeld niet meer dan 21 standaardglazen per week 
Nooit meer dan 5 standaardglazen per keer 

Ten minste 2 dagen per week geen alcohol (minimum 2 alcoholvrije dagen/week) 

Vrouwen 

Gemiddeld niet meer dan 14 standaardglazen per week 
Nooit meer dan 3 standaardglazen per keer 

Ten minste 2 dagen per week geen alcohol (minimum 2 alcoholvrije dagen/week) 


Grens verantwoordelijk alcoholgebruik voor jongeren onder de 18 jaar 
Jongens en meisjes 

Geen alcohol onder de 16 jaar 
Geen sterkedrank onder de 18 jaar 
Jongens tussen 16 en 18 jaar 
Niet meer dan 2 standaardglazen per keer 
Niet meer dan 2 dagen per week 


Dossier Alcohol 


16 


Geen wekelijkse gewoonte 
Meisjes tussen 16 en 18 jaar 

Niet meer dan 1-2 standaardglazen per keer 
Niet meer dan 2 dagen per week 
Geen wekelijkse gewoonte 


Grens verantwoordelijk alcoholgebruik tijdens zwangerschapswens, zwangerschap en 
borstvoeding 

Geen alcohol drinken als men zwanger wil worden, tijdens de zwangerschap en tijdens de 
borstvoedingsperiode is de veiligste optie. 


Grens verantwoordelijk alcoholgebruik voor ouderen 

Bij voorkeur minder drinken dan de grens voor volwassenen. 


Grens voor verantwoordelijk alcoholgebruik in specifieke risicosituaties en voor personen met 
een verhoogd risico 

In volgende situaties wordt gebruik van alcohol beter vermeden: voor of tijdens sporten, bij het bedienen 
van machines, tijdens de werktijd, in het verkeer, bij andere activiteiten waarvoor alertheid en 
vaardigheden nodig zijn. 

Drink niet meer en bij voorkeur minder dan de grens voor volwassenen bij een familiale geschiedenis van 
alcoholproblemen. 

Personen die om gezondheidsredenen medicatie nemen, personen met alcoholgerelateerde ziekten en 
personen in behandeling voor psychische problemen dienen hun alcoholgebruik met de arts te bespreken. 


Dossier Alcohol 


17 


Dossier Alcohol 


2. De impact van alcohol 


Vanuit farmacologisch standpunt kan alcohol gezien worden als een verdovingsmiddel dat het 
centrale zenuwstelsel onderdrukt. Dit kan gevolgen hebben voor de meest vitale levensfuncties 
zoals ademen, wakker blijven of reageren op externe prikkels. Wanneer de ingenomen dosis zeer 
hoog is, kan de gebruiker zelfs bewusteloos geraken (Cameron, 2000). Hoewel de meeste mensen 
op een verantwoorde manier omgaan met alcohol kan occasioneel of langdurig overmatig 
alcoholgebruik enorme schade toebrengen aan zowel het individu als de samenleving in haar 
geheel (ICAP, 2005). In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste 
gezondheidsproblemen die (overmatig) alcoholgebruik met zich mee kunnen brengen. 

Het effect dat alcohol heeft op de individuele consument hangt af van verschillende factoren: 

De fysieke eigenschappen van de drinker 
De gemoedstoestand 

De verwachtingen die de gelegenheid met zich meebrengt 

De intentie waarmee gedronken wordt 

De plaats of omgeving waar gedronken wordt 

Het gezelschap of het gebrek hieraan 

Het gedrag van diegenen in de omgeving van de drinker 

Het moment van de dag (Cameron, 2000) 


BAC 

mg/lOOmI 

Fysieke en mentale effecten 

30 

Remmingen verdwijnen, lichte euforie 

50 

Afname van vaardigheden en beoordelingsvermogen 

80 

Afname van de motoriek 


Risico op ongevallen verdubbelt 

100 

Praatziek, triomfantelijk, agressief 

160 

Risico op ongevallen vertienvoudigt 

200 

Mompelen, wankelen 

400 

Coma 


Dood door ademhalingsfalen of het inademen van braaksel 


Tabel 2: Fysieke en mentale effecten van alcohol bij verschillende BAC-niveaus (Paton, 2000) 


2.1. De opname en de afbraak van alcohol in het lichaam 

2.1.1. De opname 

Alcohol komt via de mond, keel en slokdarm in de maag terecht. Via maag- en darmwand komt het 
merendeel van de alcohol (90-98%) in pure vorm in het bloed terecht vanwaar het verdeeld wordt 
over het lichaamsvocht. De snelheid van de opname in het bloed is sterk afhankelijk van de 
aanwezigheid van voedsel in maag en darmen, van het soort alcohol en van de snelheid waarmee 
gedronken wordt. Eenmaal in de bloedbaan wordt de alcohol razendsnel verspreid over heel het 
lichaam. Pas wanneer het begint in te werken op de hersenen voelen we de effecten ervan, 
ongeveer 10 minuten na inname. Na ongeveer één uur is alle alcohol opgenomen in het bloed 
(Paton, 1997; Posma & Koeten, 1998; STAP, 2015a). De concentratie alcohol in het bloed na 
consumptie van een bepaalde hoeveelheid alcoholhoudende drank verschilt per persoon. Vrouwen, 
jongeren en ouderen nemen alcohol sneller op in het bloed. Vrouwen zijn immers gemiddeld kleiner 
en lichter dan mannen en hebben tevens meer vetweefsel wat in tegenstelling tot spieren weinig 
vocht bevat waardoor ze minder lichaamsvocht hebben. Hoe minder lichaamsvocht, hoe hoger de 
aanwezige concentratie alcohol. Ook de mate waarin de maag en de lever alcohol kunnen afbreken 
zijn erg bepalend. Oudere mensen en vrouwen blijken alcohol bijvoorbeeld minder goed te 

.i 


Dossier Alcohol 


19 


metaboliseren waardoor meer alcohol in hun bloed terechtkomt. Meer over de impact van alcohol 
op bepaalde groepen (ouderen, vrouwen en jongeren) kan u in het volgende hoofdstuk vinden. 
Naast persoonlijke eigenschappen hangt de snelheid waarmee alcohol wordt opgenomen ook af van 
het alcoholpercentage. Drankjes met een alcoholpercentage tussen 20 en 30% worden het snelst 
opgenomen. Sherry van 30% zal de bloedalcoholconcentratie (BAC) dus sneller doen stijgen dan 
bier van 8%. Sterkedrank van 40% heeft dan weer een vertragend effect op de alcoholopname 
doordat ze de maaglediging vertragen (Paton, 2000; Cederbaum, 2012; STAP, 2015a). 


2.1.2. De afbraak 

Alcohol wordt voor ongeveer 90% door de lever afgebroken en omgezet in andere stoffen. Deze 
afbraak gebeurt in verschillende stappen: ethanol (alcohol) wordt eerst omgezet in het giftige 
acetaldehyde en vervolgens in azijnzuur, dat niet giftig is en verder door het lichaam wordt 
afgebroken tot kooldioxide en water die via onze urine terug het lichaam verlaten. De overige 2-5% 
alcohol raken we kwijt via de ademhaling en via zweet. Vandaar dat men op basis van onze 
ademhaling kan meten hoeveel alcohol we ongeveer in het bloed hebben (Mathijssen & Twisk, 
2001; Plant & Cameron, 2000; Zakhari, 2013; STAP, 2015a). De afbraaksnelheid varieert van 
ongeveer 0,1 tot ca. 0,25%o per uur, onafhankelijk van geslacht of gewicht. Bij gewoonte- en 
probleemdrinkers is deze afbraaksnelheid meestal hoger dan bij incidentele drinkers. Een andere 
factor die een rol kan spelen bij de afbraak van alcohol is etniciteit. Onderzoek wijst uit dat 
ongeveer de helft van de Mongoolse Aziaten (onder anderen Chinezen en Japanners) een erfelijke 
afwijking heeft waardoor de afbraak van alcohol wordt verstoord (Harada, Agarwal, Goedde & 
Ishikawa, 1983; Mizoi, 1986; Kalat, 1992). De afwijking betreft een verlaagd niveau van het 
actieve ALDH-enzym (ALDH = acetaldehyde dehydrogenase), dat het giftige acetaldehyde omzet in 
azijnzuur. Hierdoor wordt acetaldehyde vertraagd afgebroken, wat kan leiden tot een gevoel van 
misselijkheid en sterk blozen. Deze afwijking wordt nauwelijks aangetroffen bij Kaukasische 
(blanke) en Afrikaanse bevolkingsgroepen (Goedde, Agarwal, Eckey & Harada, 1985; Yamashita et 
al., 1990). 


2.3. Gezondheidsrisico's 

Wereldwijd heeft de volksgezondheid, met hoge kosten voor de gezondheidszorg als gevolg, enorm 
te lijden onder de gevolgen van problematisch alcoholgebruik. Een rapport van de 
Wereldgezondheidsorganisatie schat het aantal patiënten met een door alcohol veroorzaakte of met 
alcohol geassocieerde ziekte op 76 miljoen wereldwijd (Rehm et al., 2003). Jaarlijks wordt het 
aantal sterftes ten gevolge van alcohol wereldwijd geschat op 3,3 miljoen of 5,9% van het totaal 
aantal sterftegevallen. Dit is vrijwel zeker een onderschatting want zelfs in veel westerse landen is 
het aantal mensen met een door alcohol veroorzaakte aandoening niet precies bekend. De 
financiële gevolgen van door alcohol veroorzaakte somatische aandoeningen zijn bijgevolg groot 
(NVP, 2003). Los van zijn verslavende werking bestaat er een verband tussen alcoholgebruik en 
meer dan 200 verschillende ziekten en verwondingen (WHO, 2014). 

Voor sommige aandoeningen zoals gastritis, longinfecties of polyneuropathie lijkt de schade alleen 
veroorzaakt te worden door een langdurig hoog niveau van alcoholconsumptie. Maar zelfs bij een 
laag consumptieniveau verhoogt alcohol het risico en de ernst van bepaalde aandoeningen op een 
dosisgerelateerde manier. Zowel het drinkpatroon (bv. periodiek zwaar drinken) als het volume 
spelen een rol bij de toename van gezondheidsrisico's (Anderson & Baumberg, 2006; Rehm et al., 
2003; Shield, Parry & Rehm, 2013). Hieronder volgt een kort overzicht van de belangrijkste 
alcoholgerelateerde aandoeningen. 


Dossier Alcohol 


20 


2.3.1. Infectieziekten 


De consumptie van alcohol blijkt een invloed te hebben op de algemene gezondheid, het 
immuunstelsel (verhoogde vatbaarheid voor infecties) en het gedrag van mensen (verhoogd risico 
op onveilig vrijen of intraveneus druggebruik). Deze factoren leiden, voornamelijk bij problematisch 
gebruik van alcohol, tot een verhoogd risico op een aantal infectieziekten zoals longontsteking, 
tuberculose en hiv (Rehm et al., 2010a; Rehm, 2011; Boyle et al., 2013). 

Verder blijkt problematisch alcoholgebruik een negatief effect te hebben op de behandeling en 
prognose van hiv of aids en tuberculose. Zo heeft het problematisch gebruik van alcohol een 
negatief effect op de therapietrouw wat kan leiden tot een inadequate behandeling en een 
slechtere prognose (Rehm et al., 2010a; Rehm, 2011; Boyle et al., 2013). 


2.3.2. Gastro-enteroiogische aandoeningen 


2.3.2. 1. Gastritis (ontsteking van het maagslijmvlies) 

Zowel occasioneel als langdurig overmatig alcoholgebruik leidt relatief vaak tot gastritis. Slechts in 
een klein percentage is er sprake van een chronische gastritis. Bekende symptomen zijn 
oprispingen, brandend maagzuur en ochtendbraken. Deze ontsteking kan ook leiden tot 
maagbloedingen (Van Epen, 2002; Van De Wiel, 1993; Boyle et al., 2013). 


2. 3. 2. 2. Pancreatitis (ontsteking van de alvleesklier) 

Uit onderzoek blijkt er een verband te zijn tussen alcoholconsumptie en pancreatitis. Vaak zijn er 
ook andere factoren die aan de basis van pancreatitis liggen (bv. roken). Pancreatitis komt 
voornamelijk bij chronische gebruikers voor en wordt gekenmerkt door hevige pijn in de 
bovenbuik. De acute vorm is erg gevaarlijk en moet zo snel mogelijk behandeld worden. Acute 
pancreatitis kan evolueren naar een chronische vorm. Pancreatitis zorgt voor een verminderde 
afscheiding van alvleeskliersappen waardoor voedingsstoffen zoals vetten en eiwitten verloren 
gaan. Gewichtsverlies en zogenaamde vetdiarree zijn een gevolg hiervan (Rehm, 2010a; Boyle et 
al., 2013; Shield et al., 2013; Herreros-Villanueva, 2013; Yadav & Lowenfels, 2013). 


2. 3. 2. 3. Leverziekten 

De lever is het orgaan dat het grootste deel van de afbraak van alcohol op zich neemt. Het is dan 
ook niet verwonderlijk dat juist dit orgaan veel te lijden heeft bij problematisch alcoholgebruik. De 
beschadiging van de lever varieert van leversteatose (leververvetting) tot meer ernstige vormen 
van leverbeschadiging zoals alcoholische hepatitis of levercirrose. Leververvetting zou voorkomen 
bij 80 tot 90% van de zware drinkers (in dit geval meer dan 80g alcohol per dag) waar slechts 
30% van de zware drinkers een ernstigere vorm van leverbeschadiging zou ontwikkelen (Gao & 
Bataller, 2011; Schwartz & Reinus, 2012; Pateria, de Boer & MacQuillan, 2013). Hieronder worden 
de belangrijkste vormen verder besproken. 

Uit onderzoek blijkt dat vrouwen meer risico lopen op alcoholgerelateerde leveraandoeningen dan 
mannen. Vrouwen zouden immers in een kortere periode en met kleinere hoeveelheden reeds 
leveraandoeningen ontwikkelen (Belliner, 2000; Plant & Cameron, 2000; Rehm et al., 2010b; 
Schwartz & Reinus, 2012; Boyle et al., 2013). Verder blijkt dat vooral dagelijks overmatig drinken 
de kans op levercirrose vergroot. Alcoholische cirrose correleert dus met de ernst en de duur van 


Dossier Alcohol 


21 


het alcoholgebruik (Van Nieuwkerk, 1996; Rehm et al., 2010b; Schwartz & Reinus, 2012; Boyle et 
al., 2013). 


Leversteatose (leververvetting) 

Aangezien er bij de afbraak van alcohol vetten ontstaan, zal er zich bij overmatig 
alcoholgebruik een opeenstapeling van vetten voordoen in de lever. In principe heeft men 
niet veel last van een vetlever. In ernstigere gevallen zwelt de lever op en krijgt men 
braakneigingen, buikpijn, minder eetlust en een misselijk gevoel. Leververvetting is 
reversibel. Wanneer men stopt met drinken, kunnen de symptomen verdwijnen. Wanneer 
men echter alcohol blijft drinken bestaat er een verhoogd risico op de ontwikkeling van 
fibrose en meer ernstige vormen van leverbeschadiging (Schwartz & Reinus, 2012; Boyle et 
al. ,2013). 

Hepatitis (ieverontsteking) 

Acute leverontsteking treedt zelden op en is enkel mogelijk na gebruik van extreem grote 
hoeveelheden alcohol. Het is een ernstige aandoening die een dodelijke afloop kan hebben. 
Vaak volgen vele kleine leverontstekingen elkaar onopgemerkt op en vormen zo de basis 
voor levercirrose. Door de ontsteking gaan levercellen immers verloren en worden 
vervangen door bindweefsel (Verschuren, 1993; Van De Wiel, 1993; Plant & Cameron, 
2000; Van Epen, 2002; Gao & Bataller, 2011). Uit onderzoek blijkt hepatitis voor te komen 
bij 10-35% van de zware drinkers (Gao & Bataller, 2011). 

Levercirrose (ieververharding) 

Levercirrose is een ernstige en ongeneeslijke aandoening gekenmerkt door een toename 
van bindweefsel dat in de plaats komt van dode levercellen met functieverlies van de 
levercellen tot gevolg. De meest voorkomende gezondheidsklachten zijn vermoeidheid, 
verminderde eetlust, opgeblazen gevoel, misselijkheid en winderigheid. Ernstige 
symptomen zijn o.a. geelzucht, bloedbraken, buikwaterzucht, levercoma, ... Levercirrose is 
bovendien een risicofactor voor de ontwikkeling van leverkanker (Rehm et al., 2010b; 
Schwartz & Reinus, 2012; Boyle et al., 2013). 


2.3.3. Kankers 

Alcoholgebruik wordt oorzakelijk in verband gebracht met kanker aan de mond- en keelholte, het 
strottenhoofd, de slokdarm, de darm, de lever en de borst (bij vrouwen). Het risico op deze 
kankers ligt niet alleen hoger bij langdurig overmatig gebruik, maar eveneens bij een lage tot 
matige consumptie van alcohol (Rehm et al., 2010a; Scoccianti, Lauby-Secretan, Bello, Chajes & 
Romieu, 2014; STAP, 2015b). 

Kanker van de mond- en keeihoite en strottenhoofd 
Het risico op kanker van de mond- en keelholte en het strottenhoofd stijgt naarmate er 
meer en gedurende een langere periode gedronken wordt. Een consumptie van 4 eenheden 
alcohol per dag brengt een duidelijk verhoogd risico op kankers met zich mee (Pelucchi, 
Tramacera, Bofetta, Negri & Vecchia, 2011; Marron et al., 2012; AHA UK, 2013; Boyle et 
al., 2013; de Menezes, Bergmann & Thuler, 2013; Ahmad Kiadaliri, Jarl, Gavriilidis & 
Gerdtham, 2013). Sommige onderzoeken spreken zelfs al van een verhoogd risico op deze 
kankers vanaf één alcoholconsumptie per dag (Pelucchi et al., 2011; Bagnardi et al., 
2012). Voor al deze vormen van kanker geldt tevens dat alcohol en tabak de vorming van 
kanker onderling versterken (Poppelier et al., 2002; Belliner, 2002; Boyle et al., 2013). 

Leverkanker 

Zoals eerder vermeld vergroot problematische alcoholconsumptie het risico op hepatitis en 
levercirrose. Op hun beurt zullen levercirrose en hepatitis ook de kans op leverkanker doen 


Dossier Alcohol 


22 


toenemen. Chronische alcoholgebruikers (meer dan 80g alcohol per dag over een periode 
van minimum 10 jaar) hebben vijf keer meer risico op de ontwikkeling van leverkanker 
(Poppelier et al., 2002; Belliner, 2002; Pelucchi et al., 2011; Grewal & Viswanathen, 2012; 
AHA UK, 2013; Boyle et al., 2013). 

Borstkanker bij vrouwen 

Studies tonen een causaal verband tussen alcoholconsumptie en de ontwikkeling van 
borstkanker bij vrouwen. Reeds vanaf één standaardglas alcohol per dag verhoogt het 
relatieve risico op borstkanker. Alcoholconsumptie verhoogt de hoeveelheid aan 
oestrogeen, wat bijdraagt tot de ontwikkeling van borstkanker (Khan, Afaq & Mukhtar, 
2010; Snyder, Sullivan, Reston, Treadwell & Schoelles, 2010; Rehm et al., 2010a; Pelucchi 
et al., 2011; Bagnardi et al., 2013; Seitz, Pelucchi, Bagnardi & La Vecchia, 2012; AHA UK, 
2013, de Menezes et al., 2013; Scoccianti et al., 2014; STAP, 2015c). 

Darmkanker 

Matig tot ernstig alcoholgebruik verhoogt het risico op darmkankers. Hoe meer alcohol men 
drinkt, hoe groter het risico op de ontwikkeling van darmkankers. Sommige studies tonen 
een verhoogd risico vanaf één alcoholconsumptie per dag, maar hierover is nog geen 
algemene consensus (Khan et al., 2010; Rhem et al., 2010a; Fedirko et al., 2011; Pelucchi 
et al., 2011; AHA UK, 2013; Boyle et al., 2013; Zhu et al., 2014). 


Naast de hierboven beschreven vormen van kanker wijzen menige onderzoeken op de mogelijke 
verbanden tussen alcoholgebruik en onder meer maagkanker, longkanker en pancreaskanker 
(Poppelier, 2002; Khan et al., 2010; Boyle et al., 2013; de Menezes et al., 2013; Massarat & 
Stolte, 2014). 

Concluderend kan gesteld worden dat zowel occasioneel als langdurig overmatig alcoholgebruik 
samengaat met een verhoogd risico op bepaalde kankers. Het risico op bepaalde kankers verhoogt 
met ieder glas. De inname van één standaardglas alcohol per dag verhoogt bijvoorbeeld het 
relatieve risico op borstkanker met ongeveer 7-10%. De oorzaak van de relatie tussen alcohol en 
kankers is nog niet duidelijk en zou voor de verschillende vormen van kanker kunnen verschillen. 
Geweten is dat acetaldehyde, dat geproduceerd wordt bij de afbraak van alcohol, op zich 
kankerverwekkend (carcinogeen) is en een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van kankers. 
Daarnaast is het mogelijk dat alcohol de ontwikkeling van kankercellen bevordert. Bovendien leidt 
alcohol tot een verhoogde aanmaak van hormonen zoals oestrogeen, wat een impact heeft op de 
ontwikkeling van bepaalde kankers, waaronder borstkanker (Van Den Brandt, 2001; Van De Wiel, 
1993; Rehm, 2011; Boyle et al., 2013; Shield et al., 2013; Scoccianti et al., 2014; STAP, 2015b; 
STAP, 2015c). 


2.3.4. Cardiovasculaire aandoeningen 

De invloed van alcohol op hart en bloedvaten speelt zich af op verschillende vlakken. Ten eerste is 
er de invloed op de bloeddruk. Daarnaast zijn er de effecten m.b.t. cerebrovasculaire 
aandoeningen^ en coronaire hartziekten^. Ten slotte is ook de invloed van alcohol op de hartspier, 
met onder meer hartritmestoornissen, goed gekend (Rehm et al., 2010a; Boyle et al., 2013). 
Hieronder worden twee vaak voorkomende cardiovasculaire aandoeningen en hun verband met 
alcohol besproken. 


^ Een cerebrovasculaire aandoening (CVA, beroerte, herseninfarct) is een acute medische aandoening die 
gekenmerkt wordt door een plotseiinge verstoring van de doorbloeding van de hersenen. 

^ Coronaire hartziekten zijn hartziekten die het gevolg zijn van verminderde doorbloeding van het hart via de 
kransslagaderen (= coronaire arteriën). 


Dossier Alcohol 


23 


Bloeddruk 

Uit onderzoek blijkt dat de bloeddruk stijgt bij personen die drie of meer consumpties 
alcohol per dag gebruiken. Dit verband is onafhankelijk van leeftijd, geslacht, ras en 
rookgewoonte. Waarom de bloeddruk stijgt vanaf een aantal eenheden alcohol per dag 
weet men echter nog niet precies. Daarnaast is het niet duidelijk of er überhaupt een 
veilige dosis is in functie van de bloeddruk (Poppelier et al., 2002; Van Epen, 2002; Royal 
College of Physicians, 1995; Van De Wiel, 1993; Rehm et al., 2010a; Boyle et al., 2013; 
Shield et al., 2013; 0'keefe, Bhatti, Bajwa, DiNicolantonio & Lavie, 2014). 


Cerebrovasculaire aandoeningen (CVA - herseninfarct of beroerte) 

Er bestaan twee soorten CVA's: de bloedige (hemorragisch) en de niet-bloedige 
(ischemisch). Onderzoeken wijzen erop dat bij overmatig drinken van alcohol het risico op 
beide vormen van beroerte toeneemt. Volgens sommige onderzoeken zou het drinken van 
één tot twee glazen alcohol per dag een beschermende rol kunnen hebben tegen 
ischemisch CVA. Dit enkel en alleen wanneer er geen sprake is van bingedrinken. Dit 
drinkpatroon verhoogt immers het risico op verschillende vormen van CVA. De meeste 
beroertes lijken uitgelokt te worden tijdens de periode van alcoholgebruik zelf en dus niet 
tijdens periodes van onthouding (Poppelier et al., 2002; Royal College of Physicians, 1995; 
Van De Wiel, 1993; Patra et al., 2010; Rehm et al., 2010a; Boyle et al., 2013; Shield et al., 
2013). 


2.3.5. Neurologische aandoeningen 

Alcohol werkt rechtstreeks in op de hersenen en het zenuwstelsel. Gevolgen van excessief gebruik 
zijn onder meer het krimpen van de hersenen, afname van de witte stof in de hersenen, verlies van 
neuronen in de frontaalkwabben, enz. Problematische gebruikers hebben dan ook vaak 
concentratie- en geheugenstoornissen. Vooral het kortetermijngeheugen krijgt het zwaar te 
verduren. Op lange termijn uit de inwerking van alcohol op het zenuwstelsel zich in verschillende 
ziektebeelden. Neurologische aandoeningen komen driemaal vaker voor bij mannen dan bij 
vrouwen (Poppelier et al., 2002; Van De Wiel, 1993; Suzanne & Kril, 2014). Deze problemen ter 
hoogte van het zenuwstelsel worden veroorzaakt door een combinatie van factoren waaronder het 
rechtstreeks toxische effect van alcohol op de zenuwcellen en het tekort aan vitamine BI bij 
langdurig overmatige gebruikers (Suzanne & Kril, 2014). 

De drie belangrijkste neurologische stoornissen ten gevolge van problematisch alcoholgebruik zijn: 

Polyneuropathie (perifere zenuwaandoeningen) 

Deze aandoening wordt bij meer dan 50% van de cliënten met langdurig overmatig gebruik 
vastgesteld. Meestal zijn de verschijnselen vrij licht van aard, maar in 5 a 10% van de 
gevallen is de ziekte ernstiger. Symptomen zijn een prikkelend gevoel of pijn in de voeten 
en vingers eventueel gevolgd door gevoelloosheid, een brandend gevoel, spierkrampen en 
zelfs verlamming. De oorzaak moet onder meer gezocht worden in een gebrek aan 
vitamine BI (thiamine). Wanneer men stopt met drinken kan deze zenuwaandoening 
geleidelijk verdwijnen, mits het ondergaan van een gepaste behandeling (Poppelier et al., 
2002; Van Epen, 2002; Van De Wiel, 1993; Chopra &Tiwari, 2012; Boyle et al., 2013). 

Het Wernicke-Korsakow-syndroom 

Ook het Wernicke-Korsakow-syndroom wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine B. 
Vaak vertonen patiënten eerst het Wernicke-syndroom gevolgd door het Korsakow- 
syndroom, maar dit is niet noodzakelijk. Het Wernicke syndroom is de acute fase van de 
stoornis, gekenmerkt door algemene verwardheid, geheugenstoornissen, apathie, 
oogspierverlamming en ataxie (onzekere wijdbeense gang). De chronische component van 
de stoornis is het Korsakow- syndroom. Dit syndroom wordt gekenmerkt door stoornissen 

I 


Dossier Alcohol 


24 


in het geheugen, desoriëntatie (in tijd en plaats), kritiek en oordeelstoornissen en ten slotte 
confabulaties (het opvullen van hiaten in het geheugen met allerlei verzinsels). Als gevolg 
van deze stoornissen gebeurt het dat patiënten een angstige, onzekere indruk geven en 
gedragsstoornissen vertonen (Belliner 2000; Van Epen, 2002; Van De Wiel, 1993; Boyle et 
al., 2013; Suzanne & Kril, 2014). 

Delirium tremen s 

Delirium tremens is een klinisch ziektebeeld dat ontstaat bij langdurig problematisch 
alcoholgebruik in de onthoudingsfase. Symptomen zijn: visuele en auditieve hallucinaties, 
tremor, angst, zweten en onrust. Het delirium duurt ongeveer 2 a 3 dagen maar kan in 
sommige gevallen aanhouden tot een week. Tijdens deze periode is er sprake van 
slapeloosheid. Preventie en vroegtijdige behandeling van delirium tremens is mogelijk door 
middel van tijdige observatie van ontwenningssymptomen en eventuele toediening van 
medicatie (benzodiazepines) (Van Epen, 2002; Van De Wiel, 1993; Boyle et al., 2013). 


2.3.6. Overgewicht 

Algemeen wordt aangenomen dat men van alcohol dik wordt. Dit beeld wordt onder meer in stand 
gehouden door het voorkomen van de typische 'bierbuik' in onze maatschappij. Studies tonen 
echter uiteenlopende resultaten wat betreft de impact van alcohol op overgewicht. De meest 
recente systematische reviews besluiten dat er over het algemeen een positief verband is tussen 
alcoholconsumptie en de toename van gewicht, in het bijzonder ter hoogte van de buik. Dit positief 
verband is echter voornamelijk terug te vinden bij het drinken van grote hoeveelheden alcohol (2 
tot 3 consumpties per dag) of bij langdurig overmatige drinkers (Sayon-Orea, Martinez-Gonzalez & 
Bes-Rastrollo, 2011; Bendsen et al., 2013). 

Wat de precieze oorzaak is voor de verscheidenheid aan resultaten tussen alcoholgebruik en 
lichaamsgewicht is niet zeker geweten. Alcohol levert ongeveer zeven kilocalorieën (kcal) per 
gram. Gezien een standaardglas bier, wijn of sterkedrank ongeveer 10 g alcohol bevat, staat ieder 
glas dat gedronken wordt voor een inname van 70 kilocalorieën (Van De Wiel, 1993; Sayon-Orea 
et al., 2011; STAP, 2015d). In realiteit blijkt er echter een verschil te zijn in het aantal 
kilocalorieën tussen soorten dranken, wat onder meer te maken heeft met de koolhydraatinhoud. 
Zo zal een zoete wijn meer koolhydraten en dus ook meer kilocalorieën bevatten dan een droge 
wijn en bevatten alcoholpops meer kilocalorieën (STAP, 2015d). Tot op heden is de alcoholindustrie 
niet verplicht om het aantal kilocalorieën op het etiket te vermelden, terwijl dit voor andere 
voedingsmiddelen wel verplicht is. 

De idee dat alcohol dik maakt, vindt misschien een verklaring in het feit dat vooral bierdrinkers zich 
ook graag te buiten gaan aan vettige en calorierijke voeding (frieten, snacks, nootjes, chips, ...). 
Onderzoeken wijzen er ten slotte nog op dat het lichaam van mensen die veel drinken minder 
vetten verbrandt en tevens de voorkeur geeft aan het verbranden van alcohol in plaats van het 
eten. Hierdoor worden de overtollige vetstoffen opgeslagen, meestal boven de buikspieren. 
Daarnaast hebben ze ook minder lichaamsbeweging. De zogenaamde bierbuik is dus zeker niet 
alleen het gevolg van alcoholgebruik op zich, maar wordt vooral gelinkt aan de levensstijl in 
combinatie met de verminderde vetverbranding door het lichaam (Snel, 2002; Sayon-Orea et al., 
2011; STAP, 2015d). Daarnaast wordt het effect van alcohol op het gewicht mogelijks beïnvloed 
door het type drank. Hierover is echter nog meer onderzoek nodig (Sayon-Orea et al., 2011). 


2.3.7. Verwondingen 


Het risico op verwondingen zoals brandwonden, fracturen, snijwonden, enz. neemt toe met de 
hoeveelheid alcohol die wordt geconsumeerd (Tayior et al., 2010; Boyle et al., 2013; Cherpitel, 
2014). Wanneer gekeken wordt naar verwondingen ten gevolge van agressie of suïcide, blijken 
deze verwondingen voornamelijk bij zware drinkers oorzakelijk gelinkt te zijn aan de consumptie 


Dossier Alcohol 


25 


van alcohol. Onopzettelijke verwondingen zijn positief gerelateerd aan de bloedalcoholconcentratie 
van de drinker. Hoe hoger deze is, hoe meer risico op verwondingen (WHO, 2014). Dit heeft 
voornamelijk te maken met de vermindering van psychologische en motorische functies bij een 
hogere bloedalcoholconcentratie. Onderzoek toont aan dat voornamelijk mannen, jongeren en 
zware drinkers alcoholgerelateerde verwondingen oplopen (Boyle et al., 2013). 


2.3.8. Beschermende werking van alcohol 

Hierboven werden de negatieve gevolgen van alcoholgebruik op een rij gezet. Alcohol heeft 
duidelijk een schadelijk effect op het lichaam. Verschillende onderzoekers focusten zich de 
voorbije jaren echter op de mogelijks gunstige invloed van een lichte tot matige alcoholconsumptie 
op de gezondheid. Zo wijzen bepaalde onderzoeken op een positief effect van licht tot matig 
alcoholgebruik op ischemisch vaatlijden (waaronder ischemisch CVA) en diabetes. Deze voordelige 
effecten treden enkel op bij licht tot matig alcoholgebruik zonder dat er sprake is van bingedrinken 
(Gutjahr, Gmel & Rehm, 2001; Patra et al., 2010; Rehm et al., 2010a; Arranz et al., 2012; 0'keefe 
et al., 2014; Shield et al., 2014). Zo blijkt uit onderzoek dat wanneer licht tot matige drinkers 
meer dan 60g alcohol drinken tijdens één gelegenheid het voordelige effect van alcohol op hart- en 
vaatziekten verdwijnt (Rehm, 2011; Parry, Patra & Rehm, 2011). Wat de beschermende werking 
van alcohol op diabetes type 2 betreft, blijkt deze relatie complex te zijn. Een lage consumptie van 
alcohol (maximum 2 eenheden per dag) zou een beschermende werking hebben. Dit verband is 
echter nog niet helemaal duidelijk. Een mogelijke verklaring is de verhoging van de 
insulinesensitiviteit bij licht tot matig alcoholgebruik. Vanaf 4 eenheden per dag blijkt er wel een 
negatief effect te zijn van alcohol op diabetes type 2 (Rehm, 2011). Ook bepaalde drinkpatronen, 
zoals bingedrinken, zouden een negatieve impact hebben op de ontwikkeling van diabetes (Rehm 
et al., 2010a; Rehm, 2011; 0'Keefe et al., 2014; Alcohol Concern, 2015). 

Ondanks de potentieel beschermende werking die uitgaat van het licht tot matig gebruik van 
alcohol stellen deskundigen dat dit niet de basis mag zijn om mensen alcohol te doen consumeren. 
Mensen die nooit drinken moeten dus niet aangezet te worden om voortaan alcohol te drinken. Het 
is immers nog altijd niet duidelijk of de positieve aspecten wel strikt toegeschreven kunnen worden 
aan de werking van alcohol. Daarbij stellen onderzoekers de kwaliteit van de uitgevoerde studies in 
vraag. Wanneer de hoeveelheid bias, eigen aan de uitgevoerde observationele studies, zoveel 
mogelijk uitgesloten wordt, blijkt de beschermende werking eerder twijfelachtig. Daarnaast wegen 
deze potentiële voordelen (voor een vaak zeer beperkte groep) niet op tegen de negatieve 
gevolgen van alcohol die in dit hoofdstuk uitvoerig werden besproken (Arranz et al., 2012; 
Finoulst, Vankrunkelsven & Geirnaert, 2015; 0'Keefe et al., 2014). 


2.4. Mortaliteit en morbiditeit 

Binnen de onderzoekswereld wordt het verband tussen gezondheid en het gebruik van alcohol 
meestal opgesplitst in verschillende indicatoren. Zo is er een verband tussen alcohol en 
mortaliteit"*, en tussen alcohol en morbiditeit^. Beide verbanden kunnen worden weergegeven in de 
vorm van een J- of U-curve (zie figuur 2). Dit wijst er onder meer op dat het risico op mortaliteit en 
morbiditeit stijgt naarmate men meer alcohol gebruikt, met de laagste mortaliteitcijfers bij lichte 
en matige drinkers. Het zijn dus de lichte en de matige drinkers die de bodem van de U-curve 
bezetten. Dit in tegenstelling tot problematische drinkers die een hoger mortaliteitsrisico hebben. 
Bij deze groep wegen de nadelige effecten van het alcoholgebruik zwaar door met meer doden 
door verwondingen, zelfmoord, vergiftiging, cirrose en andere aandoeningen tot gevolg (Theobald, 
Johansson, Bygren & Engfeldt, 2001; Rehm, Gutjahr & Gmel, 2001; San José, 2000). 
Onderzoekers berekenden dat de zwaarste alcoholafhankelijken sterven tussen 54 en 59 jaar. Dit 


Mortaliteit is de sterfte in relatie tot het totaal aantal individuen (meestal uitgedrukt in procent). 

^ Morbiditeit geeft de mate van voorkomen van een specifieke ziekte weer; meestal het aantal mensen dat in 
een bepaalde tijdspanne door de ziekte wordt getroffen per eenheid van bevolking. 


Dossier Alcohol 


26 


wil zeggen dat ze gemiddeld vroeger sterven dan de personen uit de niet-drinkende controlegroep. 
Verder stelden ze vast dat vooral mensen die tussen de leeftijd van 35-44 jaar reeds problematisch 
drinken, een hoger risico hebben om vroegtijdig te sterven (Liskow et al., 2000; Roerecke & Rehm, 
2013). Uit onderzoek blijkt er een verhoogd mortaliteitsrisico te zijn vanaf een dagelijkse 
consumptie van 35 g tot 45 g alcohol (3 standaardglazen) (Dawson, 2011). 

Uit cijfers van de WGO blijken de alcoholgerelateerde overlijdens voornamelijk gelinkt te zijn aan 
verwondingen®, kanker, levercirrose, cardiovasculaire en gastro-enterologische aandoeningen. De 
voornaamste oorzaken van alcoholgerelateerde overlijdens in Europa, zowel bij mannen als bij 
vrouwen, zijn te wijten aan alcoholgerelateerde kankers, levercirrose en verwondingen t.g.v. 
alcoholgebruik. In 2010 leiden deze drie alcoholgerelateerde aandoeningen wereldwijd tot 1,5 
miljoen overlijdens wat gelijk staat aan 2,8% van het totaal aantal overlijdens. In totaal zouden 
3,3 miljoen sterftes (5,9% van het totaal aantal sterftes) het gevolg zijn van alcoholconsumptie, 
waarvan 7,6% bij mannen en 4% bij vrouwen. Het mortaliteitsrisico blijkt afhankelijk te zijn van 
geslacht en leeftijd. Zo hebben mannen een hoger mortaliteitsrisico dan vrouwen en stijgt het 
risico naarmate de leeftijd van de drinker daalt (Roerecke & Rehm, 2013; Roerecke & Rehm, 2014; 
Rehm & Shield, 2014; WHO, 2013; WHO, 2014). In Europa is alcohol de derde grootste oorzaak, 
na roken en hoge bloeddruk, van ziekte en vroegtijdig overlijden (Segura & Anderson, 2009; 
Scoccianti et al., 2014). 


S 

E 

< 



Figuur 2: Het absolute risico op sterfte ten gevolge van alcoholgerelateerde ziekten^ in Europa (WHO, 2012). 


Uiteraard kan het drinken van alcohol ook schade, met mogelijks de dood tot gevolg, berokkenen 
aan anderen (bv. drinken tijdens de zwangerschap, drinken in het verkeer, enz.). Hierop wordt 
dieper ingegaan in hoofdstuk 5, de sociale gevolgen en maatschappelijke kosten van 
alcoholgebruik. 


Naast mortaliteit en morbiditeit bestaan er nog andere gezondheidsindicatoren die verwijzen naar 
de kwaliteit van het leven namelijk DALY (Disability Adjusted Life Years). DALY is een indicator die 
een beeld geeft van de belangrijkste aandoeningen of gedragingen die de kwaliteit van het leven 
kunnen reduceren. Bij de berekening ervan wordt rekening gehouden met het aantal verloren 
levensjaren en met morbiditeit waarbij aan diverse ziekten een verschillend gewicht wordt gegeven 


® Verwondingen zijn zowel opzettelijke verwondingen zoals interpersoonlijk geweld of zelf toegebrachte letsels 
als onopzettelijke verwondingen zoals vallen, verdrinking, brand, vergiftiging, accidenten, enz. 

^ Onder alcoholgeraleerde ziekten worden volgende ziekten verstaan: Alcoholafhankelijkheid, levercirrose, 
alcoholgerelateerde kankers en cardiovasculaire ziekten. 


Dossier Alcohol 


27 


naargelang de weerslag hiervan op het fysiek, cognitief en sociaal functioneren. In 2012 bleek 
5,1% van de globale ziektelast of 139 miljoen DALY's te wijten aan de consumptie van alcohol 
(WHO, 2014). 


Dossier Alcohol 


28 


3. Alcoholgebruik en drinkpatronen 


In dit hoofdstuk worden enkele epidemiologische en theoretische aspecten over alcoholconsumptie 
op een rij gezet. Om een duidelijker en meer genuanceerd beeld te krijgen van zowel de positieve 
als negatieve gevolgen van alcoholgebruik is het immers noodzakelijk om, naast de 'per capita 
consumptie', ook rekening te houden met zogenaamde drinkpatronen. Dit hoofdstuk geeft een 
toelichting van wat dit concept precies inhoudt en welke meerwaarde deze benadering met zich 
meebrengt. 

3.1. Alcoholgebruik gemeten 

Om de alcoholconsumptie op bevolkingsniveau weer te geven is de meest gebruikte maat de 'per 
capita consumptie' op basis van alcoholproductie of verkoopdata (Gmel & Rehm, 2004; Babor et 
al., 2003; WHO, 2000). Deze data lenen zich uitstekend tot internationale vergelijkingen. Het gaat 
echter om geaggregeerde statistieken, afgeleid van statistieken over productie, handel en verkoop, 
die een globaal beeld geven. Ze kunnen niet naar persoonsgebonden karakteristieken (bijvoorbeeld 
sekse of leeftijd) verfijnd worden. Naast deze geregistreerde consumptie is er nog een stuk niet 
geregistreerde consumptie die niet in de per capita consumptie wordt verrekend. Het gaat dan 
onder meer om thuisproductie, illegale alcohol, taksvrije aankopen, grensaankopen en smokkel. 
Wat de eigen inwoners in het buitenland aan alcohol consumeren door het toerisme wordt evenmin 
in deze statistieken geregistreerd (WHO, 2004). Anderzijds bevatten de verkoopdata ook gebreken 
die zorgen voor een overschatting van de per capita consumptie (WHO, 2000). Niet alle 
aangekochte alcohol wordt immers geconsumeerd: de alcohol wordt ook gestockeerd door 
groothandel, kleinhandel of consument. Dit is bijvoorbeeld vooral het geval bij producten die beter 
worden na verloop van tijd, zoals wijn. Een deel van de aankopen gebeurt door toeristen of andere 
niet-inwoners. Deze aankopen worden meegeteld in de nationale verkoopdata. 

De laatste jaren is er ook heel wat te doen over wat men 'denatured alcohol' noemt. Het gaat 
hierbij om producten zoals mondwater, antivries, screenwash, ... Deze producten bevatten een hoge 
concentratie aan alcohol en kunnen toch heel goedkoop worden aangekocht. Wereldwijd zijn er 
heel wat sterfgevallen door overmatige consumptie van dit soort producten. In 2014 waren er 
bijvoorbeeld in Polen alleen meer dan 100 sterfgevallen. Het is echter niet enkel in Oost-Europa 
een probleem. In Groot-Brittannië is er bijvoorbeeld een zeer lucratieve business ontstaan waarbij 
gedenaturaliseerde alcohol in grote hoeveelheden wordt omgezet in gewone alcohol. Zo werden er 
in 2014 ruim 165 000 flessen wodka die op deze manier werden gemaakt in beslag genomen in de 
gewone, legale verkoop. De aanpak hiervan vormt één van de prioriteiten van DG TAXUD® voor de 
komende jaren (Jones, 2015). 

Om de alcoholconsumptie op individueel niveau te meten zijn er subjectieve (zelfrapportering) en 
objectieve maten (BAC® en andere biologische tellers) (Gmel & Rehm, 2004; WHO, 2000). Bij 
zelfrapportering zijn er twee mogelijkheden. Een eerste mogelijkheid is dat het individu zijn 
drinkpatroon samenvat voor een bepaalde periode. In dit geval wordt een gemiddelde of 
'gebruikelijke drinkgewoonte' gemeten. Dit gebeurt meestal door middel van de quantity- 
frequency-maat (QF-maat) die zowel peilt naar de gedronken hoeveelheid als naar de frequentie 
van het drinken. Een tweede mogelijkheid is dat een recent drinkpatroon, bijvoorbeeld tijdens de 
laatste week, zo gedetailleerd mogelijk wordt beschreven. Het inschatten van het drinkgedrag over 
een kortere referentieperiode is meer accuraat en betrouwbaarder. Daartegenover staat dat deze 
methode zeer gevoelig is voor de regelmatigheid van het drinkpatroon. Hoe minder iemand drinkt, 
hoe minder kans dat dit met deze methode gemeten wordt. De consumptie van onregelmatige 
drinkers wordt zo volledig gemist. Bovendien wordt het aantal onthouders overschat. Een ander 
nadeel aan data uit zelfrapporteringsstudies is dat individuen drinkgelegenheden kunnen vergeten 
en dus hun drinkfrequentie onderschatten. Over het algemeen dekken schattingen gebaseerd op 
bevolkingsonderzoek (zelfrapportering) 30 a 70% van de per capita consumptie afgeleid uit 


® Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie van de Europese Commissie. 

^ BAC staat voor Bloed Alcohol Concentratie (= de hoeveelheid alcohol in het bloed) 


Dossier Alcohol 


29 


geaggregeerde schattingen zoals verkoopstatistieken (Gmel & Rehm, 2004). 


Hoewel men rekening moet houden met de methodologische beperkingen van zelfrapportering bij 
het meten van alcoholconsumptie hebben data uit bevolkingsenquêtes wel voordelen: 

• Ze meten de alcoholconsumptie die niet geregistreerd wordt in officiële statistieken. 

• Ze kunnen een beeld geven van de sociale plaats van drinken in een maatschappij. 

• Ze kunnen direct alcoholgerelateerde problemen meten die niet gemeten worden in de 
officiële statistieken, bijvoorbeeld problemen in het gezinsleven of in de arbeidssituatie. 

• Men kan de relatie onderzoeken tussen patronen en contexten van drinken en het opduiken 
van sociale en gezondheidsproblemen. 

• Wanneer bevolkingsonderzoek over de tijd herhaald wordt, kunnen de data gebruikt 
worden om de nationale situatie te monitoren en beleidsinitiatieven te evalueren. 

• Het belangrijkste voordeel is dat het drinkpatroon van ieder individu afzonderlijk wordt 
gemeten. Het drinkpatroon kan dus bekeken worden tegenover persoonlijke kenmerken en 
gedragingen. 

• Verder laten data uit bevolkingsonderzoek een gedetailleerde analyse toe van verschillende 
facetten van het drinkgedrag zoals onthouding, drankvoorkeuren en de geconsumeerde 
hoeveelheden (WHO, 2004; WHO, 2000). 

Voor (gebruiks)cijfers verwijzen we graag naar de factsheet alcohol (zie www.vad.be). 


3.2. Drinkpatronen 

Om een duidelijker beeld te krijgen van zowel de positieve als negatieve gevolgen van 
alcoholgebruik is het noodzakelijk om ook rekening te houden met drinkpatronen. Wegens een 
gebrek aan grootschalige cohortstudies met goede indicatoren voor sociale variabelen werd deze 
sociale dimensie tot voor twintig jaar nooit degelijk onderzocht. In navolging van Rehm en zijn 
collega's (1996) kan er evenwel gesteld worden dat sociale constructen tegenwoordig over het 
algemeen veel beter geïntegreerd zijn in de epidemiologie en volksgezondheid. Omdat drinken 
vaak een sociale gebeurtenis is en omdat drinkpatronen intrinsiek gelinkt zijn met sociale 
variabelen, is dit zeker met betrekking tot alcoholconsumptie van groot belang. Drinken is immers 
veel meer dan ander gezondheidsgerelateerd gedrag (zoals bijvoorbeeld het nemen van een 
aspirine of zelfs roken) gerelateerd aan sociale interactie. Een belangrijk aspect van de studie van 
drinkpatronen is dan ook dat zij een sociaal element toevoegen aan de epidemiologie van het 
alcoholgebruik. Zo kan eenzelfde hoeveelheid alcohol bijvoorbeeld in grote hoeveelheden op 
beperkte tijd worden geconsumeerd maar ook in kleine hoeveelheden gespreid over langere tijd. 
Drinkpatronen geven met andere woorden een beschrijving van de vele facetten van het drinken, 
zoals wie de drinker is (leeftijd, geslacht, gezondheidstoestand, ...); waar er gedronken wordt 
(thuis, in bars, op restaurant, ...); wanneer er gedronken wordt (bij de maaltijd, tijdens 
vergaderingen, ...); wat er gedronken wordt (soort alcoholische drank, illegaal gestookte alcohol, 
...) en hoe er gedronken wordt (kleine slokjes tijdens de maaltijd, bingedrinken, ...) (Single & 
Leino, 1998; ICAP, 2004; Simpura & Karlsson, 2001; Anderson & Baumberg, 2006). 

Deze wijze om naar drinkgedrag te kijken heeft uiteraard ook gevolgen voor de manier waarop de 
preventie van alcoholgerelateerde problemen wordt georganiseerd. Waar een focus op 
alcoholconsumptie traditioneel leidde tot preventie gebaseerd op het verminderen van de 
alcoholconsumptie, leidt het focussen op drinkpatronen tot het beïnvloeden van drinkgewoonten. 
Waarschijnlijk ligt de waarheid en de beste methode ergens in het midden: enerzijds is het 
overduidelijk dat sommige alcoholgerelateerde problemen kunnen voorkomen worden door 
interventies te richten op specifieke situaties. Anderzijds is er geen bewijs dat het mogelijk is om 
alle alcoholgerelateerde problemen op te lossen zonder het gemiddelde individuele alcoholverbruik 
terug te dringen (Goos, 2004). 


Dossier Alcohol 


30 


Drinkpatronen verschillen niet enkel van persoon tot persoon maar ook van cultuur tot cultuur. Zo 
is het al dan niet consumeren van alcohol altijd een belangrijke identiteitsbepaler geweest in de 
geschiedenis van de mens en dat is het nog steeds. Vaak zijn deze verschillen oorspronkelijk 
afkomstig vanuit religieuze hoek: de Islam is een belangrijk voorbeeld van een religie waarin het 
gebruik van alcohol absoluut verboden wordt. In andere grote godsdiensten, zoals het 
christendom, hindoeïsme en boeddhisme, zijn er dan weer bepaalde subgroepen die zich 
onthouden van alcohol en deze 'deugd' trachten verder te zetten. Dit betekent dat abstinentie in 
een multiculturele samenleving, en zeker een waarin drinken geaccepteerd wordt, een belangrijke 
identiteitsbepaler kan worden. Socioculturele contexten hebben met andere woorden een grote 
invloed op de drinkpatronen van burgers in een bepaald land of een bepaalde regio (Room, 2005; 
Cordon et al., 2012). 

In Europa worden drinkculturen traditioneel ingedeeld in de zogenaamde 'droge culturen' (Noord- 
Europa, waar bier en sterkedrank de populairste dranken zijn en voornamelijk geconsumeerd 
worden tijdens het weekend en speciale gebeurtenissen, en dit los van de maaltijd) en 'natte 
culturen' (Zuid-Europa, waar alcoholische dranken en met name wijn voornamelijk worden 
geconsumeerd tijdens de maaltijd) (Room & Makala, 2000). In de 'droge' context wordt alcohol 
gedronken volgens het 'intoxicatiemodel', wat zoveel betekent dat er gedronken wordt juist om een 
dronken effect gewaar te worden. In de 'natte' gebieden heeft het drinken van alcohol een 
gastronomisch doel en wordt daarom ook wel het 'voedingsmodel' genoemd (Allamani, 2008). In 
meer recente onderzoeken spreekt men over drie Europese regionale patronen van drinkculturen: 
Het mediterraan patroon: alcohol, vooral wijn, wordt hier dagelijks gedronken doorgaans 
bij de maaltijd. 

Het Centraal-Europees patroon: hier geldt een gelijkaardige stijl maar met bier als 
voorkeursdrank. Alcohol wordt minder tijdens de maaltijden en meer naast de maaltijden 
genuttigd. 

Het Noord-Europees patroon: wordt gekenmerkt door een stijl van onregelmatig en zwaar 
drinken (bv. tijdens het weekend en speciale gelegenheden) met een voorkeur voor 
sterkedrank. Dit patroon geldt ook in de Oost-Europese landen en het Verenigd Koninkrijk 
(Rehm et al., 2012). 

Tegenwoordig lijkt het onderscheid tussen drinkculturen evenwel te vervagen en wordt meer en 
meer gesproken over 'homogenisatie'. Dit betekent dat landelijke en culturele verschillen in 
alcoholconsumptie steeds kleiner worden en dat de traditioneel dominante drankvoorkeuren niet 
meer zo uitgesproken zijn. Oorzaken hiervan zijn te vinden in factoren zoals toegenomen 
industrialisatie, urbanisatie, vrije tijd, migratie en acculturatie^^. Zo valt bijvoorbeeld een daling 
van de wijnconsumptie te noteren in de Zuid-Europese landen terwijl er een stijging van de 
wijnconsumptie plaatsvindt in de zogenaamde droge culturen (Leifman, 2001; Karlsson & Simpura, 
2001; Cordon et al., 2012; Castaldelli-Maia & Bhugra, 2014). Sommige onderzoekers pleiten dan 
ook voor een herziening van deze traditionele nat-droog dichotomie. Zo pleiten Cordon et al. 
(2012) er bijvoorbeeld voor om hedendaagse drinkculturen via drie dimensies te beschrijven: 
leefstijl (hedonisme of ascetisch), functie van drinken (bijvoorbeeld interpersoonlijk, ritueel, 
dronkenschap) en controle (de mate waarin sociale controle en beleid invloed hebben op het 
drinkgedrag). 

In het vervolg van dit dossier zullen drinkpatronen besproken worden aan de hand van de volgende 
vier dimensies: 

X persoonsgebonden eigenschappen; 

X settings en activiteiten gelinkt aan alcoholconsumptie; 

X soort alcoholische drank; 

X tijdsdimensie. 


acculturatie = een geleidelijk vervangen van de oorspronkelijke cultuur door de cultuur van het gastland 


Dossier Alcohol 


31 


3.2.1. Persoonsgebonden eigenschappen 


Op het individuele niveau dragen zowel leeftijd, gender, gezondheidsstatus als drinkervaringen bij 
tot het optreden van positieve of negatieve gevolgen. Zo zijn jongeren en ouderen bijvoorbeeld 
vatbaarder voor de gevolgen van alcohol maar ook vrouwen kunnen, door hun specifieke 
fysionomie en metabolisme, andere effecten ervaren dan mannen (ICAP, 2005). Deze 
persoonsgebonden kenmerken zoals lage SES, jongeren, ouderen, gender, ... worden uitvoerig 
besproken in hoofdstuk 4 waar we dieper ingaan op de impact die alcohol heeft op specifieke 
groepen. 


3.2.2. Settings en activiteiten geiinkt aan aicohoigebruik 

Het drinken van een glas alcohol gebeurt op verschillende plaatsen: thuis, op café of restaurant, op 
sportwedstrijden, op feestjes, ... De setting waarin gedronken wordt heeft een niet te 
onderschatten invloed op de impact en potentiële gevolgen van het drinken. Zo heeft buitenshuis 
drinken meestal tot gevolg dat men zich nadien in het verkeer moet begeven (ICAP, 2005). Over 
settings en activiteiten die vaak geiinkt worden aan alcoholgebruik kan in hoofdstuk 5 van dit 
dossier meer gelezen worden. 

3.2.3. Soorten aicohoiische drank 

Een andere belangrijke component van drinkpatronen zijn de soorten alcoholische dranken die 
geconsumeerd worden (Single & Leino, 1998). Over het algemeen kan gesteld worden dat 
ongeveer 45% van de alcohol die in de 25 lidstaten van de Europese Unie geconsumeerd wordt, 
afkomstig is van bier. Ongeveer een derde is afkomstig van wijn en een kwart van sterkedranken. 
In meer dan de helft van de lidstaten is bier de meest geliefde drank en in de meeste andere 
landen is dit wijn (Anderson & Baumberg, 2006). Productiecijfers over de hoeveelheden 
geproduceerde alcohol bevestigen de internationale reputatie van België als bierland. De totale 
bierconsumptie nam tussen 2003 en 2013 wel met 19% af. Pils is al jaren het meest gedronken 
bier, maar ook het pilsverbruik daalde met 22%. Degustatiebieren en abdij- en trappistbieren doen 
het wel goed. De consumptie daarvan nam op tien jaar tijd met respectievelijk 53% en 9% toe 
(Belgische Brouwers, 2014). 

De verschillen in drankvoorkeuren blijken voornamelijk cultureel bepaald te zijn. Zo is sterkedrank 
de meest geprefereerde drank in de Scandinavische en enkele Oost-Europese landen (zoals Georgië 
en Armenië), terwijl bier het meest populair is in de meeste Europese landen, Noord-Amerika en 
Australië. Wijn is dan weer de meest geconsumeerde alcoholische drank in de Mediterrane landen 
en in sommige Zuid-Amerikaanse landen. Hoewel de verschillen tussen samenlevingen wat betreft 
drankvoorkeuren, door de internationalisering van deze voorkeuren, kleiner en kleiner lijken te 
worden, is het toch nog steeds mogelijk om te spreken van bier-, wijn- en sterkedrankculturen 
(Single & Leino, 1998; Heath, 1998; Karlsson & Simpura, 2001). Deze verschillende drinkpatronen 
maken ook dat de verschillende culturen te maken krijgen met andere gevolgen door het drinken. 
Zo hebben wijnculturen over het algemeen te maken met lagere cijfers voor de meest gekende 
alcoholgerelateerde problemen. De reden hiervoor is dat het drinken functioneel geïntegreerd is in 
de cultuur. In culturen waarin voornamelijk sterkedrank wordt gedronken ligt de focus daarentegen 
eerder op het drinken zelf dan op de activiteit die ermee gepaard gaat. Hierdoor kennen deze 
culturen meer psychologische en sociale problemen als gevolg van het drankgebruik (Heath, 1998). 
Dit betekent dat het er op lijkt dat de impact van de alcoholgerelateerde schade afhankelijk is van 
de soort drank die gedronken wordt. Het zijn voornamelijk sterkedranken, en in mindere mate 
bieren, die een grote invloed hebben op de alcoholgerelateerde schade (Norström & Ramstedt, 
2005). 


De laatste twintig jaar worden gekenmerkt door veranderingen in wat er gedronken wordt. Deze 
veranderingen slaan voornamelijk op wat jongeren drinken. Het gaat dan om speciaal voor deze 
doelgroep ontwikkelde bieren, wijnen, ciders, cocktails en alcopops. Deze trendbreuk werd voor 


Dossier Alcohol 


32 


een groot deel gecreëerd door gericht marktonderzoek en productontwikkeling door de 
drankproducenten. De producten die nu aangeboden worden kenmerken zich door een eigen, 
opvallende stijl en beeld, smaken zachter dan traditionele alcoholische dranken en bevatten meer 
alcohol (5 tot 9%). Dit kan gezien worden als symptomatisch voor onze hedendaagse samenleving 
waarin jongeren zelf keuzes maken omtrent hun alcohol- en druggebruik (Brain et al., 2000). 


3.2.4. Tijdsdimensie 

Voor veel mensen staat drinken synoniem aan ontspanning, geassocieerd met weekends, vakantie 
en vrije tijd. Dit verklaart ook waarom voornamelijk in het weekend gedronken wordt. De vijf- 
dagen-werkweek maakt dat het weekend voor de meest mensen de ideale periode voor 
ontspanning is. Toch is dit vooral het geval in de Centraal- en Noord-Europese landen. Hoewel ook 
hier een zekere evolutie wordt vastgesteld, is deze opdeling in weekdagen en weekends nog steeds 
minder aan de orde in Latijns-Amerika en landen waar een mediterrane cultuur heerst. In deze 
samenlevingen wordt het drinken gedurende de dag en tijdens maaltijden traditioneel meer 
geaccepteerd en komt het dus ook meer voor (Simpura & Karlsson, 2001; Single & Leino, 1998). 


3.2.4. 1. Indrinken 

Een fenomeen dat de laatste jaren meer en meer de kop opsteekt is indrinken (pre-loading, pre- 
drinking). Hiermee wordt het drinken van alcohol in een huiselijke omgeving voorafgaand aan 
uitgaan bedoeld. Indrinken wordt vooral door jongeren gedaan en kan gezien worden als een 
bijkomende manier van drinken. De belangrijkste redenen waarom jongeren indrinken zijn: de 
duurdere prijs van buitenshuis geconsumeerde alcohol, geïntoxiceerd raken en drinken in een 
vertrouwde omgeving (Poster & Ferguson, 2014). Jongeren die aan indrinken doen zijn meer 
vatbaar voor intoxicatie, lopen een grotere kans om overmatig te drinken en alcoholgerelateerde 
problemen te ondervinden. Dit komt voornamelijk omdat de periode waarin gedronken wordt 
langer is dan wanneer er niet wordt ingedronken (Poster & Ferguson, 2014). Dit blijkt ook uit 
Zwitsers onderzoek waarin geconcludeerd wordt dat individuele en situationele factoren een 
kleinere rol spelen bij zwaar indrinken maar dat het vooral de duur is die leidt tot 
alcoholgerelateerde problemen. Wel vonden ze dat vrouwen meer dronken wanneer ze tijdens het 
indrinken sterkedrank dronken en wanneer ze in exclusief mannelijk gezelschap waren tijdens het 
indrinken (Labhart et al., 2014). 


3. 2. 4. 2. Bingedrinken 

Het concept tijdsdimensie zegt ook iets over het drinkritme (bijvoorbeeld of het tijdens één 
gelegenheid gebeurt of meer gespreid over de tijd) en de hoeveelheid die er op één moment 
gedronken wordt. Een drinkpatroon waarbij er snel en veel gedronken wordt is met ander woorden 
een belangrijke voorspeller van waarschijnlijke problemen (ICAP, 2005; Rehm et al., 1996). 
Iemand die vijf dagen per week één glas drinkt heeft bijvoorbeeld minder kans op het ontwikkelen 
van alcoholgerelateerde problemen dan iemand die twee keer per week vijf glazen drinkt (Norström 
et al., 2002). Een voorbeeld van een dergelijk schadelijk drinkpatroon is het zogenaamde 
bingedrinken. 

Bingedrinken wordt vaak voorgesteld als een vrij nieuw fenomeen maar het concept kent reeds een 
hele geschiedenis (Herring et al., 2008).“ Oorspronkelijk komt de term 'bingedrinken' uit medische 
hoek. Het wees op een periode van continu drinken door iemand die afhankelijk was en pas ophield 
wanneer hij/zij niet meer in staat was verder te drinken. De laatste jaren wordt de term ook 


De term werd voor het eerst gebruikt in 1854: Miss Anne E. Baker Glossary of Northamptonshire Words and 
Phrases 'A man goes to the aiehouse to get a good binge, or to binge himseif’ (Oxford Engiish Dictionary, 1989 
in Herring et ai. (2008)). 


Dossier Alcohol 


33 


gebruikt om te verwijzen naar een zeer hoge alcoholconsumptie op één gelegenheid. Deze vorm 
van bingedrinken is een fenomeen dat vooral voorkomt bij jongeren, hoewel niet exclusief, vaak 
met als doel dronken te worden (lAS, 2007b). Dat bingedrinken een bijzonder gevaarlijk 
gebruikspatroon is, mag duidelijk zijn. De ernst van de problemen die het kan veroorzaken hangt 
evenwel sterk af van de regelmaat waarmee het gebeurt en over welke tijdsperiode het 
plaatsvindt. De sociale gevolgen van bingedrinken worden ook beïnvloed door de omstandigheden 
waarin het drinken plaatsvindt (lAS, 2007b). 

Definities over bingedrinken verschillen erg van land tot land of tussen wetenschappers. Rekening 
houdend met de sekse van de drinkers formuleerden Wechsier en collega's (2000) de term 
bingedrinken bijvoorbeeld als 5 of meer (mannen) en 4 of meer (vrouwen) glazen alcohol per 
drinkgelegenheid. Het Nederlandse Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en 
Ziektepreventie (NIGZ) spreekt dan weer van bingedrinken als tijdens één gelegenheid 6 glazen of 
meer in een kort tijdsbestek worden gedronken, afgewisseld met perioden van nauwelijks tot niet 
drinken (Gezondheidsraad, 2005). VAD opteert voor de definitie afkomstig van Anderson en 
Baumberg (2006): "Bingedrinken is de consumptie van 6 of meer standaarddrinks voor mannen en 
4 of meer standaarddrinks voor vrouwen, in een periode van 2 uur." 

Dit drinkpatroon kan, zowel op lange als op korte termijn, schadelijke gevolgen met zich 
meebrengen. Hieronder volgt een overzicht van deze potentieel schadelijke gevolgen. 

Acute gevolgen van bingedrinken voor het lichaam kunnen zijn ( www.alcoholinfo.nl ): 

- afname van het denkvermogen; 

- grotere kans op black-outs en alcoholvergiftiging; 

- acute schade aan alle organen die rechtstreeks met de alcohol in aanraking komen 
(bijvoorbeeld de slokdarm en de maag); 

- in korte tijd een stijging van de bloeddruk; 

- hartaandoeningen en herseninfarct doordat het bloed minder goed stolt; 

- nierfalen door uitdroging van het lichaam. 


Andere gevolgen van bingedrinken: 

Het risico op negatieve sociale gevolgen (vechten, gezin, huwelijk, werk, studies, 
vriendschappen, sociaal leven) neemt toe met de hoeveelheid alcohol die wordt gedronken 
(DHS, 2008). 

Hoger alcoholgebruik in het algemeen en bingedrinking in het bijzonder leidt tot verminderde 
tewerkstelling, werkloosheid en verminderde productiviteit (DHS, 2008). 

Er is een relatie tussen alcoholgebruik en het risico betrokken te geraken in geweld. De relatie 
is sterker voor bingedrinken. Hoe hoger het alcoholgebruik hoe ernstiger het geweld (DHS, 
2008). 

Het risico op drinken en rijden verhoogt met de hoeveelheid die wordt gedronken en met de 
frequentie van bingedrinken (DHS, 2008). 

Er is een relatie tussen alcoholgebruik en het risico op (dodelijke) ongevallen en verwondingen. 
Mensen die bingedrinken hebben een verhoogd risico (DHS, 2008). 

Hersenonderzoek naar de invloed van bingedrinken op de hersenen van jongeren staat nog in 
zijn kinderschoenen en zal in de komende jaren meer en meer resultaten opleveren. Een van 
de vragen waar bijvoorbeeld nog een antwoord op gevonden moet worden is of de 
hersenveranderingen bij bingedrinkers die in verschillende onderzoeken werden vastgesteld het 
gevolg zijn van het alcoholmisbruik of dat deze reeds eerder bestonden (Petit et al., 2014). Op 
grond van de huidige literatuur zijn er wel reeds verschillende aanwijzingen dat bingedrinken 
gedurende de adolescentie en jonge volwassenheid nadelige effecten heeft op het 
neurocognitief functioneren, vooral qua executieve functies en geheugen (Amrani et al., 2013). 
Amerikaans onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat het geheugen en redeneringsvermogen van 
bingedrinkers wordt aangetast. Daarenboven bleek de hippocampus van bingedrinkers tot 10% 
kleiner te zijn dan bij niet-drinkers (AMA, 2003). Vrouwen blijken gevoeliger te zijn dan 
mannen voor deze negatieve cognitieve effecten (Amrani et al., 2013). 


Dossier Alcohol 


34 


Zelfs een enkele bingedrinksessie heeft een onmiddellijk negatief effect op de hersenen van 
jongeren. Met name op meer complexe cognitieve functies zoals de cognitieve controle, 
responscontrole, volgehouden aandacht en geheugen van jong volwassenen. Zowel demping 
als vertraging van de hersenactiviteit in de neurale netwerken die instaan voor deze cognitieve 
functies werden vastgesteld. Regelmatig bingedrinken over een langere periode (meerdere 
jaren) zorgt voor subtiele storingen van de witte stof in de hersenen. Het werkgeheugen, de 
aandacht en het (verbaal) geheugen kunnen hierdoor verstoord raken. Enkele longitudinale 
studies leveren aanwijzingen op dat het opgeven van chronisch bingedrinken gepaard gaat met 
herstel van cognitieve functies (Witteman, 2014). 

Het risico op afhankelijkheid begint op lage niveaus van drinken en neemt toe naarmate meer 
wordt gedronken of een grotere hoeveelheid per gelegenheid wordt gedronken. 
Jongvolwassenen lopen een groter risico (DHS, 2008). 

Er is een direct verband tussen alcoholgebruik en het risico op suïcide of zelfmoordpoging dat 
sterker is voor bingedrinken (DHS, 2008). 

Bingedrinken is een risicofactor voor herseninfarcten- en bloedingen en is vooral belangrijk als 
oorzaak voor het krijgen van beroertes bij adolescenten en jonge mensen (DHS, 2008). 
Bingedrinken verhoogt de kans op hartritmestoornissen en plotselinge hartstilstand (DHS, 
2008). 

Bingedrinken door de moeder in de maand voor de zwangerschap geeft aanleiding tot 
neurogedragsmatige stoornissen bij het kind (DHS, 2008). 


Dossier Alcohol 


35 


Dossier Alcohol 


4. Alcoholgebruik bij specifieke groepen: drinkpatronen en risico's 


In dit hoofdstuk belichten we de specifieke risico's van alcoholgebruik bij jongeren, ouderen, 
zwangere vrouwen, etnisch-culturele minderheden, personen met een lage socio-economische 
status (SES) en personen met een verstandelijke beperking. Kinderen, adolescenten en ouderen 
zijn kwetsbaarder voor alcoholgerelateerde schade dan andere leeftijdsgroepen (WHO, 2014). 
Naast het feit dat vrouwen kwetsbaarder zijn voor alcoholgebruik dan mannen vormen ze ook een 
risicogroep wanneer ze zwanger zijn. Bij zwangere vrouwen kan alcoholgebruik immers een impact 
hebben op het ongeboren kind. Hoewel groepen met een hogere SES meer drinken, hebben lagere 
SES-groepen een grotere kwetsbaarheid voor problemen en negatieve gevolgen van 
alcoholgebruik. Daarnaast spelen ook culturele verschillen mee in de kwetsbaarheid voor 
alcoholproblemen. Tot slot blijkt dat de specifieke kwetsbaarheden van personen met een 
verstandelijke beperking bij hen meer kans zal geven op problemen bij alcoholgebruik. 


4.1. Jongeren 

In Vlaanderen dronken de meeste jongeren tussen 12 en 18 jaar al ooit alcohol en gemiddeld 
startten ze daarmee op hun veertiende (Melis, 2015). Meer cijfers over het alcoholgebruik van 
jongeren zijn te vinden in de VAD-factsheet alcohol (De Donder, 2015). 


4.1.1. Specifieke (gezondheids)effecten 

Naast de algemene gevolgen van alcoholgebruik, die zowel voor zowel jongeren als volwassenen 
gelden, lopen jongeren specifieke risico's. Zij zijn immers kwetsbaarder voor de effecten van 
alcohol dan volwassenen (Anderson & Baumberg, 2006). Ze zijn fysiek kleiner en ze hebben geen 
ervaring in drinken en de effecten ervan. Ze hebben geen context of referentiepunt om hun 
alcoholgebruik te reguleren. Ze hebben geen tolerantie voor alcohol en hun hersenen zijn nog niet 
volledig ontwikkeld. De leeftijd waarop jongeren beginnen drinken heeft een belangrijke impact op 
de gevolgen van alcoholgebruik zowel op korte als lange termijn (STAP, 2011). 


4. 1.1.1. Effecten op korte termijn 

Omdat kinderen en jongeren meestal een kleiner lichaam hebben dan een volwassene zal het 
alcoholgehalte in het bloed bij eenzelfde hoeveelheid alcohol over het algemeen veel hoger zijn 
(STAP, 2012). Hierdoor zijn zij vatbaarder voor een aantal korte termijnrisico's. 

Net zoals volwassenen kunnen jongeren een black-out krijgen als ze teveel drinken (STAP, 2011). 
Bij jongeren kan een black-out al optreden vanaf vijf glazen voor meisjes en vanaf negen glazen 
voor jongens (STAP, 2015b). 

Verder kunnen jongeren sneller bewusteloos raken als gevolg van overmatig alcoholgebruik 
(alcoholintoxicatie) (STAP, 2003). Volwassenen kunnen bewusteloos raken wanneer hun bloed vier 
promille alcohol bevat (bij vrouwen vanaf 15, mannen vanaf 20 glazen) (STAP, 2011). Bij jongeren 
kan dit al vanaf vijf a tien glazen worden bereikt. 

Adolescenten zijn minder dan volwassenen gevoelig voor de negatieve gevolgen van alcoholgebruik 
zoals vermindering van motorische coördinatie, sedatie, kater, ontwenningsverschijnselen (Schulte, 
Ramo & Brown, 2009). Dit maakt het moeilijker om bij hen overmatige alcoholconsumptie te 
herkennen, waardoor een alcoholintoxicatie zich schijnbaar onverwacht kan voordoen. Een 
verklaring voor de verminderde gevoeligheid van adolescenten voor de nadelige effecten van 
alcohol op de motoriek en de coördinatie evenals op de sedatieve werking van alcohol, is nog niet 
gevonden (Verdurmen et al., 2006; Schulte et al., 2009). Mogelijke verklaringen zijn dat jongeren 
minder GABA-receptoren hebben waaraan de alcohol zich kan hechten of dat de functie van de 


Dossier Alcohol 


37 


GABA-receptoren nog verandert tijdens de adolescentie, waardoor de gevoeligheid voor alcohol 
groter wordt naarmate de leeftijd toeneemt. 

Daarnaast lopen jongeren die onder invloed van alcohol zijn een groter risico op allerlei ongevallen 
en verwondingen (STAP, 2011). Het kan gaan om verkeersongevallen of verwondingen door 
geweld. 

Jongeren (13-19 jaar) die alcohol hebben gedronken zijn gemiddeld vaker seksueel actief dan niet- 
drinkende jongeren (Cooper et al., 1994) en dit gebeurt vaker op een onveilige manier (STAP, 
2003). Onveilige seks en seksuele dwang nemen immers toe naarmate adolescenten meer alcohol 
drinken (National Health and Medical Research Council, 2007). 

Verder worden in de literatuur nog suïcide, depressie, spijbelen, verminderde schoolprestaties, 
vechten, vandalisme, kritiek van vrienden en gebroken vriendschappen in verband gebracht met 
alcoholgebruik bij jongeren (Anderson & Baumberg, 2006; National Health and Medical Research 
Council, 2007). 


4. 1.1. 2. Effecten op lange termijn 

Hersenschade 

De kindertijd en de adolescentie zijn kritische periodes waarin bepaalde hersengebieden nog volop 
in ontwikkeling zijn en waarin ze gevoeliger zijn voor schade door alcoholgebruik (National Health 
and Medical Research Council, 2007). De ontwikkeling van de hersenen duurt voort tot men 
ongeveer 24 jaar is (STAP, 2011). De hippocampus en de prefrontale cortex worden extra getroffen 
door alcoholgebruik bij jongeren (STAP, 2012). Tieners die een aantal jaren overmatig alcohol 
gebruiken hebben hierdoor vaak leer- en geheugenproblemen. Als gevolg van langdurig overmatig 
alcoholgebruik krimpt immers het deel van de hersenen dat belangrijk is voor leren en geheugen. 
Omdat de hersenen op jonge leeftijd nog niet volledig ontwikkeld zijn, kan deze schade bovendien 
van blijvende aard zijn (STAP, 2003; STAP, 2011). 


Conclusies over de effecten van alcoholgebruik op de ontwikkeling van de hersenen van 
adolescenten dienen evenwel met de nodige voorzichtigheid te gebeuren. Er is over deze materie 
immers nog zeer weinig experimenteel onderzoek gebeurd op (adolescente) personen (Verdurmen 
et al., 2006). Zo is (nog) niet helemaal duidelijk bij welke hoeveelheid alcohol eventuele schade 
optreedt, hoeveel variatie er bestaat in de gevoeligheid voor deze schade, of en in welke mate er 
herstel kan optreden van toegebrachte schade en in hoeverre functionele en structurele 
veranderingen in de hersenen uniek toe te schrijven zijn aan alcoholgebruik (Boelema et al.. 


Deze conclusies zijn gebaseerd op dierexperimenteel onderzoek bij adolescente ratten. 


Anatomie van de hersenen 



Limbisch system 


Bron: STAP, 2011 



Dossier Alcohol 


38 


2009). Ook is nog steeds niet helemaal duidelijk of cognitieve tekorten het gevolg zijn van de 
toxische effecten van alcohol of dat deze reeds voordien aanwezig waren (Noël, 2014). Wel kan 
geconcludeerd worden dat de witte stof verbindingen (zenuwuitlopers) in de hersenen van 
drinkende adolescenten verslechterd zijn vergeleken met die van niet-drinkende adolescenten 
(verminderde 'witte stof integriteit') (STAP, 2015b). Wat betreft bingedrinken blijkt dat jongeren die 
gedurende vier tot tien jaar bingedrinken een verstoorde ontwikkeling laten zien in werkgeheugen, 
verbaal geheugen en aandacht (STAP, 2015b; Witteman, 2014). De hersenen van een jonge 
bingedrinker verwerken informatie tot 20% langzamer dan de hersenen van een jongere die niet of 
weinig drinkt. Er zijn ook aanwijzingen dat jongeren met een kleinere prefrontale cortex eerder 
geneigd zijn om alcohol te gaan drinken en te gaan bingedrinken, juist doordat ze minder 
complexere functies kunnen uitoefenen door hun kleinere hersenschors. Tabel 3 geeft een overzicht 
van de ontwikkeling van de verschillende hersengebieden volgens leeftijd. 


Onderdeel 

Functie 

Leeftijd rijping 

Effect alcohol 

Cerebellum (kleine 
hersenen) 

Bewegingen, 

evenwicht 

Rond 12 tot 
14 jaar 
uitontwikkeld 

Beschadigd, 

volumeafname 

Hippocampus (onderdeel 
Lymbisch systeem) 

Leren en geheugen 

Rond 16 jaar 
uitontwikkeld 

10 - 35% 

kleiner bij 

chronische 

drinkers, 

slechter 

geheugen 

Prefrontale 

cortex (grote hersenen) 

Denken, 

plannen, organiseren, 
besluiten, beoordelen, 
impulscontrole, 
stemming 

Tot 22 tot 24 
jaar in 
ontwikkeling 

Volumeafname, 
slechtere scores 
cognitieve 
testen bij 
chronische 
drinkers 

Witte stof 

Betrokken bij alle 
hersenfuncties, 
communicatie 
hersencellen 

Tot 24 jaar in 
ontwikkeling 

Beschadigd, 

minder 

verbindingen 

tussen 

hersencellen 


Tabel 3. Ontwikkeling van de hersenen en schadelijke effecten van alcohol (STAP, 2012) 


Meer kans op problematisch alcoholgebruik 

Beginnen met drinken voor de leeftijd van vijftien jaar vergroot de kans op alcoholafhankelijkheid 
op latere leeftijd (Grant & Dawson, 1997; Dawson, Goldstein, Chou, Ruan, & Grant, 2008; Meyers 
& Dick, 2010). Van de jongeren die voor hun dertiende beginnen met drinken is 40% op een 
bepaald punt in hun leven verslaafd (Grant & Dawson, 1997). Ook Ellickson et al. (2003) vonden 
dat jongeren die op hun dertiende aangaven het jaar ervoor minstens drie keer een glas alcohol te 
hebben gedronken, twee keer zo veel kans hadden op alcoholafhankelijkheid op 23-jarige leeftijd 
als niet-drinkers. McCambridge, McAlaney & Rowe (2011) concluderen in hun review dat hoog 
alcoholgebruik in de late adolescentie zich verder zet in de volwassenheid en tevens geassocieerd is 
met problematisch alcoholgebruik waaronder afhankelijkheid. 

Meer kans op gebruik van tabak en drugs en andere problemen 

Op jonge leeftijd beginnen met alcoholgebruik is een belangrijke indicator voor het vertonen van 
probleemgedrag (STAP, 2011). Jongeren die op hun dertiende aangaven het jaar ervoor minstens 
drie keer een glas alcohol te hebben gedronken, hadden op 13-jarige, 18-jarige en 23-jarige 
leeftijd ook veel vaker andere drugs gebruikt en rookten vaker dan leeftijdsgenoten (Ellickson et 
al., 2003). Jeugdig problematisch drinken kan ook bijdragen tot problemen in de overgang van de 
adolescentie naar volwassenheid en het kan zorgen voor allerlei gedrags-, emotionele en 
interpersoonlijke problemen in het latere leven (Ellickson et al., 2003). Daarenboven hebben zij 


Dossier Alcohol 


39 


frequenter problemen op school en vertonen ze vaker delinquent gedrag dan leeftijdsgenoten die 
nog geen alcohol dronken (Peleg-Oren et al., 2009). Ten slotte blijkt dat de jongeren die al voor 
hun dertiende alcohol dronken anderhalf tot twee keer zo veel kans lopen om op hun achttiende 
zwanger te zijn geweest of vader of moeder te zijn van één of meer kinderen (Ellickson et al., 
2003). 


Kanker 

Meisjes zijn in de periode van de borstontwikkeling extra vatbaar voor borstaandoeningen. Hoe 
meer en hoe vaker alcohol wordt gebruikt tijdens de adolescentie, hoe groter de kans is op 
goedaardige borstaandoeningen bij jonge vrouwen (Berkey et al., 2010). In een aantal gevallen 
kunnen deze goedaardige borstaandoeningen het risico op borstkanker vergroten. 


4.1.2. Specifieke risicofactoren voor aicohoigebruik bij jongeren 

Alcoholgebruik bij jongeren wordt bepaald door de interactie tussen genetische en 
omgevingsfactoren, ervaringen in de kindertijd en hormonale veranderingen (Guerrini, Quadri & 
Thomson, 2014). Een specifieke risicofactor in de omgeving is de beschikbaarheid en de toegang 
tot alcohol (Kaynak, Winters, Cacciola, Kirby, & Arria, 2014). 


4. 1.2.1. Hersenen 

De hersenen van adolescenten ondergaan belangrijke ontwikkelingen en worden daarbij beïnvloed 
door genetische, omgevings- en hormonale factoren (Marshall, 2014). Bij alcoholgebruik komt bij 
jongeren meer dopamine vrij dan bij volwassenen waardoor ze sneller geneigd zijn om meer te 
drinken (STAP, 2012). Dit wordt versterkt door een grotere impulsiviteit en risicogedrag eigen aan 
de adolescentie. Jongeren zijn impulsiever dan volwassenen omdat de beheersing vanuit de 
prefrontale cortex nog niet volledig is ontwikkeld. Vanuit het emotionele (limbisch) systeem worden 
keuzes gemaakt die directe behoeftes bevredigen maar die niet altijd gunstig zijn op lange termijn. 
Alcohol versterkt dit effect doordat het een verdovende werking op de hersenen heeft. Ook de 
prefrontale cortex die de impulsen beheerst, wordt geremd en impulsief gedrag krijgt de overhand. 


4. 1.2. 2. Genetische predispositie 

Genetische predispositie verklaart ongeveer de helft van het risico op alcoholafhankelijkheid 
(Marshall, 2014; Edwards et al., 2015). Onderzoek bij tweelingen en gezinnen vond dat zowel 
genetische als omgevingscomponenten een impact hebben op het ontstaan van stoornissen in 
middelengebruik (Meyers & Dick, 2010). Een recent Nederlands onderzoek bij tweelingen vond 
bijvoorbeeld dat genetische factoren voor een groot deel de variatie in beginleeftijd van 
alcoholgebruik verklaarden maar niet de frequentie van het drinken (Poelen et al., 2008). Er is 
geen gen voor 'alcoholisme'. Er zijn wel meerdere genen, elk met kleine effecten die met elkaar en 
met hun biologische en externe omgeving (gen-omgeving interactie) interageren en zo een individu 
meer of minder gevoelig maken voor de ontwikkeling van een stoornis in middelengebruik (Meyers 
& Dick, 2010). Adolescenten met een familiale geschiedenis van problematisch alcoholgebruik 
lopen meer risico op later problematisch alcoholgebruik (zie ook § 5. 1.1. 4) (Marshall, 2014). 

Verder vergroot psychologische dysregulatie in de kindertijd de kwetsbaarheid voor problematisch 
alcoholgebruik op latere leeftijd. Daarnaast zijn er nog een hele reeks kenmerken (endofenotypes) 
van kinderen die geassocieerd worden met later problematisch alcoholgebruik namelijk lage 
respons op alcohoP^, sensatiezoekend gedrag en ongeremdheid, gedragsstoornissen, ADHD en 


De respons op alcohol wordt gemeten door de intensiteit van de reactie op alcohol gegeven een bepaalde BAC. Wanneer een 
hoger aantal drankjes nodig is voor hetzelfde effect heeft men een lage respons op alcohol. Dit is niet te verwarren met 
tolerantie aangezien een lage respons op alcohol ook voorkomt bij personen die weinig of niet drinken zoals 12-jarigen. 
(Schuckit et al., 2009). 


Dossier Alcohol 


40 


depressie. 


4. 1.2. 3. Ouders 

In de adolescentie spelen omgevingsfactoren een grotere rol dan genetische factoren op het risico 
om later in het leven problematisch alcoholgebruik te ontwikkelen (Guerrini, Quadri & Thomson, 
2014). Kendler et al. (2008) vonden dat de initiatie en de eerste gebruikspatronen sterker 
beïnvloed worden door sociale en familiale omgevingsfactoren, terwijl het latere gebruik meer 
beïnvloed wordt door genetische factoren. Als jongeren naar de volwassenheid overgaan, hetgeen 
vaak gepaard gaat met wijziging van sociale structuur, hebben ze meer kans om hun genetische 
aanleg te uiten en zijn ze vrijer om hun vrienden en activiteiten te kiezen. Zo hebben ouders een 
directe en indirecte impact op het alcoholgebruik van hun kinderen (Kaynak et al., 2014). 

Indirect doordat ze de activiteiten van hun kinderen niet controleren, door een tolerante houding 
ten aanzien van drinken door minderjarigen aan te nemen, door rechtstreeks alcoholgebruik door 
minderjarigen goed te keuren of door onbewaakte toegang tot alcohol thuis. Op een directe manier 
kunnen ouders toestaan dat hun kind thuis alcohol drinkt of hun kind alcohol aanbieden (bv. 
slokjes geven of laten proeven bij speciale gelegenheden, aanbieden om alcohol te kopen of alcohol 
voorzien op een feestje van het kind). Ouders die hun kinderen thuis alcohol geven of thuis laten 
drinken, wordt geassocieerd met toegenomen alcoholgebruik en, in sommige gevallen met 
toegenomen bingedrinken en met een hogere mate van alcoholgerelateerde problemen. Door 
alcoholgebruik op jonge leeftijd toe te staan kunnen ouders het risico vergroten dat jongeren ook 
buitenshuis sneller alcohol drinken dan anders het geval zou zijn. Ze geven daarmee ook de 
boodschap dat alcoholgebruik als minderjarige aanvaardbaar is. Anderzijds wordt strikte regels 
stellen met betrekking tot alcoholgebruik door de ouders geassocieerd met minder drinken en 
minder aan alcohol gerelateerd riskant gedrag (Kaynak et al., 2014). 

4. 1.2. 4. Vrienden 

In de periode van de adolescentie wordt de invloed van de vriendengroep belangrijker dan die van 
het gezin (Marshall, 2014). Als jongeren vrienden hebben die drinken is er meer kans dat ze ook 
drinken (Guerrini, Quadri & Thomson, 2014). Over het algemeen zullen jongeren in het gezelschap 
van vrienden meer risico's nemen (SHAAP, 2014). Dit komt omdat de prefrontale cortex, 
verantwoordelijk voor planning en zelfregulatie, nog minder goed is ontwikkeld. Jongeren kunnen 
alcoholgebruik zien als een manier om autonomie en onafhankelijkheid te verwerven van de ouders 
of andere opvoedende figuren. In de vriendengroep kan alcohol de interactie vergemakkelijken, 
men krijgt gemakkelijker nieuwe vrienden of men kan de eigen populariteit verhogen. Alcohol kan 
ook een middel zijn om te ontspannen of om af te rekenen met allerhande verwachtingen waarmee 
jongeren te maken krijgen (De Donder, 2006). Deze onmiddellijke voordelen wegen voor hen vaak 
zwaarder door dan de gevolgen op korte of lange termijn (Anderson & Baumberg, 2006). 
Verwachtingen van de ouders, betrokkenheid in sociale activiteiten evenals religieuze banden zullen 
eerder remmend werken op het alcoholgebruik van adolescenten (Marshall, 2014). 

Samengevat, zal een omgeving gekenmerkt door een lage monitoring door de ouders en veel 
vrienden die gebruiken, aan adolescenten meer kans geven om de genetische predispositie uit te 
drukken terwijl een meer controlerende omgeving dat niet doet (Meyers & Dick, 2010). 

4. 1.2. 5. Gezinskenmerken 

Jongeren kiezen er vaak zelf voor om alcohol te drinken en worden hierbij niet alleen door 
rolmodellen beïnvloed (bv. ouders, vrienden, familie) (Schmid & Nic Gabhainn, 2004). Onderzoek 
toont aan dat kinderen van ouders die aan het scheiden zijn vaker dan andere jongeren dronken 
zijn (Tomcikova et al., 2009). Adolescenten uit gebroken families lopen daarenboven een groter 
risico om vroeger met alcohol te beginnen en zwaarder te drinken (Kirby, 2006). 


Dossier Alcohol 


41 


4.2. Ouderen 


Met ouderen wordt in de literatuur naar verschillende leeftijdscohorten verwezen variërend van 50- 
plus, 60-plus of 65-plus. Op 1 januari 2015 telde de Belgische bevolking 2.030.588 ouderen van 65 
jaar en ouder, hetgeen neerkwam op 18% van de totale bevolking (FOD Economie, KMO, 
Middenstand en Energie, 2015). Het aantal ouderen neemt toe (-1-13% tegenover 2005) en ze 
worden ook steeds ouder. Vergeleken met 2005 telde België in 2015 20% meer personen van 65- 
79 jaar. Het aantal personen van 80-84 jaar steeg met 14% en de groep 85-89 jaar verdubbelde 
bijna. 

Als gevolg van het ouder worden van de babyboomgeneratie en door de stijgende 
levensverwachting zal het aantal ouderen in de toekomst nog verder toenemen (Bamberger & 
Bacharach, 2014). Volgens een bevolkingsprojectie zal het aantal 65-plussers in België binnen 20 
jaar (2035) stijgen tot 2,7 miljoen waardoor ze een kwart van de totale bevolking zullen uitmaken 
(NIS en FPB, 2001). 

Aangezien alcoholgebruik bij de babyboomgeneratie meer sociaal aanvaard was dan bij generaties 
voor of na hen en omdat drinkpatronen bij het ouder worden redelijk stabiel blijven, ervaren zij 
mogelijks meer problematisch alcoholgebruik op oudere leeftijd (Bamberger & Bacharach, 2014). 

In de literatuur wordt er een onderscheid gemaakt tussen drie types oudere probleemdrinkers: 

• Bij 'early onset drinkers' of 'overlevers' stelt zich al tientallen jaren een 
alcoholproblematiek en deze is ook nog aanwezig op oudere leeftijd (Gambert, 2004, Royal 
College of Psychiatrists, 2011, Center for Substance Abuse Treatment, 2012). Tweederde 
van de oudere drinkers zou in deze categorie vallen. 

• Daarnaast zijn er de 'late onset' drinkers of 'reactoren' die pas tussen hun vijftigste en 
zestigste problematisch drinken. Bij hen is het problematisch gebruik milder van aard, kent 
het in mindere mate een genetische component, is er een sterkere associatie met stress en 
negatieve levensgebeurtenissen (eenzaamheid, dood van de partner, pensioen, ...) en een 
betere prognose. 'Late onset' drinkers zijn vaker personen met een hogere sociaal- 
economische status en vrouwen. Deze groep is meer gemotiveerd om drinkgewoonten te 
veranderen, behandeling te voltooien en heeft ook een grotere tevredenheid met het leven. 

• 'Periodieke' drinkers: deze ouderen zijn gelegenheidsdrinkers die soms excessief drinken 
waardoor problemen kunnen ontstaan. 

Cijfers over het alcoholgebruik van ouderen zijn te vinden in de VAD-factsheet alcohol op 
ww.vad.be. 

4.2.1. Ouderen zijn lichamelijk extra kwetsbaar 

Alcohol verhoogt bij ouderen de doorlaatbaarheid van de bloed-hersenbarrière en de gevoeligheid 
van receptoren die alcohol aan de hersenen binden. Beide processen versterken de effecten van 
alcohol op de hersenen. Daarenboven is het oudere lichaam minder in staat om deze schade door 
alcohol aan cellen en weefsels in de hersenen of aan andere organen te herstellen (Bamberger & 
Bacharach, 2014). Bij het ouder worden doet zich bovendien een verlies aan neuronen voor in 
bepaalde delen van de hersenen, wat leidt tot een verminderde cognitie en motorische 
vaardigheden. Alcoholgebruik heeft hierop een bijkomend effect (De Wilde e.a., 2007; Bamberger 
& Bacharach, 2014). Zo zal alcoholgebruik de hersenactiviteit in grotere mate onderdrukken 
waardoor de coördinatie en het geheugen verslechten, wat op zijn beurt kan leiden tot vallen of 
verwardheid (lAS, 2007a). Ouderen met een geschiedenis van chronisch zwaar alcoholgebruik 
hebben meer verlies van hersenweefsel dan jongere mensen met een gelijkaardige 
alcoholgebruiksgeschiedenis (Anderson & Scafato, 2010). 


Dossier Alcohol 


42 


Niet alleen de hersenen van ouderen verdragen alcohol minder goed, ook het lichaam verdraagt 
alcohol slechter op oudere leeftijd, door de normale verouderingsverschijnselen. Ouderen hebben 
minder lichaamsvocht en meer vet, de lever en nieren werken minder goed en de 
lichaamsweerstand neemt af. Eenzelfde hoeveelheid alcohol leidt zo tot een hogere 
bloedalcoholconcentratie, lagere tolerantie, snellere intoxicatie en meer kans op orgaanschade 
omdat de alcohol langer in het lichaam blijft (De Wilde et al., 2007; NIGZ, 2005; Bovens & 
Weingart, 2011; Noteborn, Sanderson, Zwanikken, Deckers, & van Alphen, 2013; Aartsen, 2012; 
Risselada, Kleinjan, & van de Mheen, 2010; Bamberger & Bacharach, 2014). Ouderen zijn eerder 
dronken en een kleine hoeveelheid alcoholhoudende drank kan al problemen in fysiologisch, 
psychologisch en sociaal functioneren veroorzaken (Wadd, Randall, Thake, Edwards, Galvani, 
McCabe, & Coleman, 2013; Bamberger & Bacharach, 2014). Voor vrouwen speelt dit alles nog 
sterker (Epstein, Fisher-Elber & Al-Otaiba, 2007). 

Om die redenen wordt aan ouderen vaak aangeraden om minder te drinken dan de geadviseerde 
hoeveelheid voor gezonde volwassenen (Risselada, Kleinjan, & van de Mheen, 2010; Bovens, van 
Etten, & Weingart, 2013, Royal College of Psychiatrists, 2011). 

4.2.2. Specifieke gezondheidseffecten 

Bij ouderen kunnen verschillende lichamelijke en psychische klachten optreden ten gevolge van 
overmatig alcoholgebruik: hoge bloeddruk, maag- en darmproblemen, incontinentie, vermoeidheid, 
seksuele problemen, angsten, prikkelbaarheid, somberheid/depressie, slapeloosheid, desoriëntatie 
en vergeetachtigheid, afnemende eetlust, evenwichtsstoornissen (NIGZ, 2005; Bovens & Weingart, 
2011; Noteborn, Sanderson, Zwanikken, Deckers, & van Alphen, 2013). Onder invloed van alcohol 
kunnen bovendien allerlei slaapgerelateerde ademhalingsproblemen tot uiting komen 
(luchtwegobstructie, hypoxemie, hypercapnie, verstoorde slaap met snurken of slaapapneu). Het 
verouderingsproces beïnvloedt immers de slaap en alcoholgebruik heeft hierop nog een bijkomend 
effect (De Wilde et al., 2007). Ten slotte kan chronisch alcoholgebruik nog leiden tot malnutritie. 
Alcoholgebruik beïnvloedt de spijsvertering waardoor vitamines en mineralen moeilijker worden 
opgenomen (lAS, 2007a). Naast deze lichamelijke en psychische klachten verhoogt alcoholgebruik 
het risico op ongevallen met motorvoertuigen en de kans op zelfdoding bij ouderen (National 
Health and Medical Research Council, 2007). Ouderen lopen verder een hoog risico om te vallen 
(zesde belangrijkste doodsoorzaak bij senioren) en alcoholgebruik vergroot de kans op een val 
(Bovens & Weingart, 2011). 


4.2.3. Specifieke risicofactoren voor aicohoigebruik bij ouderen 

De meeste ouderen drinken om dezelfde redenen als andere leeftijdsgroepen. Daarnaast zijn er 
specifieke factoren gerelateerd aan ouder worden die toenemend alcoholgebruik met het ouder 
worden kunnen verklaren. Zo hebben ouderen meer vrije tijd en geld, en komen ze vaker 
'drinkgelegenheden' tegen. Ook andere factoren kunnen meespelen, zoals eenzaamheid, isolement, 
stress, financiële problemen, fysieke problemen, slaap- en pijnklachten, alcoholgebruik in de 
(relationele) voorgeschiedenis en negatieve levensgebeurtenissen, zoals het overlijden van de 
partner of een gedwongen verhuizing (Noteborn, Sanderson, Zwanikken, Deckers, & van Alphen, 
2013). 

Ook pensionering, verveling en thuisloosheid worden in verband gebracht met hoger alcoholgebruik 
bij ouderen (Royal College of Psychiatrists, 2011). De link tussen pensionering en alcoholgebruik is 
niet eenvoudig. Sommige studies spreken van een positief verband tussen pensioen en 
alcoholmisbruik, andere studies van een negatief of geen verband (Bamberger & Bacharach, 2014). 
Het is in feite moeilijk om het verband strikt toe te schrijven aan de pensioenstatus omdat er in die 
levensperiode veel andere factoren meespelen die een impact kunnen hebben op alcoholgebruik 
(bv. sociodemografische factoren, persoonlijkheidskenmerken, werkgerelateerde factoren, andere 
levensgebeurtenissen zoals verlies van een partner, ...). Ook kunnen omstandigheden van voor het 


Dossier Alcohol 


43 


pensioen zoals een hoge jobtevredenheid of werkstress alcoholgebruik of alcoholproblemen tijdens 
de pensionering verhogen. Wanneer de werkstress blijft hangen gecombineerd met een hoge 
jobtevredenheid en het feit dat mensen eigenlijk niet op pensioen willen, dan kan dat leiden tot 
meer alcoholgebruik zeker aan het begin van het pensioen. Onvrijwillig op pensioen gaan of 
bredere sociale netwerken na het pensioen verhogen bijvoorbeeld de kans op toenemend 
alcoholgebruik of alcoholproblemen (Kuerbis & Sacco, 2012). Brennan, Schutte & Moos (2010) 
vonden dat gezondheid, inkomen en een geschiedenis van problematisch alcoholgebruik meer 
impact hadden op de drinktrajecten van ouderen dan de status van gepensioneerde op zich. 

De onderzoeksresultaten over het verband tussen rouw en toename van alcoholgebruik zijn 
evenmin eenduidig (Stahl & Schuiz, 2014). Cross-sectioneel onderzoek vond geen significante 
verbanden. Prospectieve studies geven aan dat mannen en vrouwen hetzelfde risico lopen op 
toenemend alcoholgebruik na het verlies van een partner. Eén studie vond dat rouw in het eerste 
jaar na het verlies het risico op riskant drinken (meer dan vijf glazen per dag) verhoogde, maar 
enkel bij mannen. 

De kwaliteit van het huwelijk, participatie in sociale activiteiten, goedkeuring van alcoholgebruik 
door vrienden en financiële middelen leiden tot een verhoogde kans op problematisch 
alcoholgebruik (Aartsen, Comijs, & van Tilburg, 2010). Een geschiedenis van problematisch 
alcoholgebruik op de leeftijd van 50 jaar wordt geassocieerd met een hogere kans op 
problematisch alcoholgebruik op latere leeftijd (Moos, Schutte, Brennan & Moos, 2010). Specifieke 
risicofactoren voor problematisch alcoholgebruik bij vrouwen van middelbare leeftijd zijn scheiding, 
menopauze en verandering van de ouderrol omdat de kinderen het huis uit gaan. Bij vrouwen van 
60 jaar en ouder bestaan de risico's uit drinken in gezelschap, weduwschap, pensioen en een klein 
sociaal netwerk (Epstein, Fischer-Elber, & Al-Otaiba, 2007). 

Daarnaast kunnen ouderen met psychische problemen kampen zoals angststoornissen, dementie of 
depressie. Deze problemen kunnen enerzijds ontstaan of versterkt worden door alcoholgebruik 
maar ze kunnen anderzijds ook leiden tot problematisch alcoholgebruik (drinken als 
copingmechanisme) (Noteborn, Sanderson, Zwanikken, Deckers, & van Alphen, 2013). Pijn op 
middelbare leeftijd wordt in longitudinaal onderzoek geassocieerd met lager alcoholgebruik en zelfs 
een daling in het alcoholgebruik op latere leeftijd (Brennan & Soohoo, 2013). Meer pijnlijke 
medische condities en ernstigere pijn hangen wel samen met een hoger risico op problematisch 
alcoholgebruik. 


4.2.4. Alcohol en medicijngebruik 

Ouderen gebruiken vaak medicatie die niet samengaat met alcohol (Aartsen, 2012). Hoeck en Van 
Hal (2013) vonden dat in België 81% van de ouderen van 65 jaar en ouder die alcohol dronken de 
afgelopen twee weken, voorgeschreven medicatie gebruikten. Het is riskant om alcohol te 
combineren met medicijnen. Alcohol kan de werking van medicijnen veranderen: afhankelijk van 
het soort medicijn zullen de effecten sterker of zwakker worden. Zo kan de combinatie van alcohol 
met slaap- en kalmeringsmiddelen bijvoorbeeld leiden tot sufheid, trage reacties, onscherp zien en 
roekeloosheid. Het combineren van bepaalde medicijnen met alcohol kan dan ook extra riskant zijn 
voor deelname aan het verkeer (NIGZ, 2005). Zo is het risico op verkeersongevallen groter bij een 
combinatie van alcohol en benzodiazepines dan bij gebruik van een van beiden (Dassanayake, 
Michie, Carter & Jones, 2011). Alcohol zorgt ook voor irritatie van het maagslijmvlies. Als er 
daarenboven medicijnen worden gebruikt die de maag aantasten, kan de irritatie van het 
maagslijmvlies vergroten (NIGZ, 2005). 


Dossier Alcohol 


44 


Gebruik van medicijnen kan de afbraak van alcohol vertragen waardoor de giftige afbraakstof 
langer in het lichaam blijft. Onaangename gevolgen die dan kunnen optreden zijn: rood en warm 
gezicht, hoofdpijn, misselijkheid, hartkloppingen en gedaalde bloeddruk (Lemmers et al., 2006). 
Andersom kan alcohol de afbraak van medicijnen vertragen waardoor de medicijnen langer in het 
lichaam blijven en het risico op een overdosering vergroot (Lemmers et al., 2006). Chronisch 
alcoholgebruik zorgt voor een verhoogde microsomale enzymactiviteit waardoor hogere dosissen 
van sommige geneesmiddelen nodig zijn (De Wilde et al., 2007). Anderzijds doet alcoholgebruik de 
halfwaardetijd van veel geneesmiddelen toenemen, waardoor het effect van medicatie versterkt 
wordt. 


4.2.5. Alcoholproblemen worden bij ouderen moeilijk herkend 

Ouderen met een verslavingsproblematiek worden vaak onderbehandeld omdat signalen niet 
herkend worden aangezien de symptomen van problematisch alcoholgebruik kunnen gemaskeerd 
worden door andere gezondheidsklachten (Aartsen, 2012; Noteborn, Sanderson, Zwanikken, 
Deckers, & van Alphen, 2013). Bij ouderen zijn de signalen immers gemakkelijk te verwarren met 
normale verouderingsverschijnselen zoals trillen, vertraagd denken en handelen, vallen, 
woordvindproblemen, maag-darmklachten, geheugenproblemen, vermoeidheid, slaapproblemen, 
oriëntatieproblemen, evenwichtsproblemen of hypertensie. Artsen brengen alcoholgebruik ook niet 
graag ter sprake bij oudere patiënten en hanteren tegenover hen eerder een toegeeflijke houding 
(Bovens, van Etten, & Weingart, 2013; Aartsen, 2012; Risselada, Kleinjan, &van de Mheen, 2010). 
Daarbij komt dat oudere probleemdrinkers het onderwerp zelf zelden ter sprake brengen, want ze 
zien doorgaans geen verband tussen hun klachten en hun drinkgedrag (Noteborn, Sanderson, 
Zwanikken, Deckers, & van Alphen, 2013). 

Voor het screenen van problematisch alcoholgebruik bij ouderen worden specifieke instrumenten 
aangeraden namelijk de 'Alcohol Use Disorders Identification Test' (AUDIT), de 'Short Michigan 
Alcohol Screening Test - Geriatrie Version' (SMAST-G) en de CAGE (Wadd et al., 2013). In een 
huisartsensetting zijn de Alcohol-Related Problems Survey (ARPS) en de verkorte versie daarvan, 
de shARPS, te verkiezen (Royal College of Psychiatrists, 2011). 


4.3. Gender 

De verschillen tussen vrouwen en mannen met betrekking tot alcoholgebruik zijn al vanuit 
verschillende disciplines bestudeerd (biologie, psychologie, geschiedenis, sociologie, ...) (Holmila & 
Raitasalo, 2005). Zo vertonen vrouwen een substantieel hogere BAC-waarde bij inname van een 
zelfde hoeveelheid alcohol dan mannen, zelfs bij eenzelfde lichaamsgewicht en wanneer de alcohol 
binnen eenzelfde tijdspanne wordt gedronken. Een deel van de verklaring hiervoor ligt in het 
gegeven dat vrouwen over meer onderhuids vet en minder bloedvolume beschikken dan mannen. 
Vet absorbeert alcohol slecht omdat het een lage bloedtoevoer heeft. Vrouwen hebben ook minder 
van het enzym alcohol dehydrogenase in de maag waardoor er meer alcohol wordt geabsorbeerd. 
Bloedalcoholconcentraties variëren trouwens ook afhankelijk van de menstruele cyclus, waarbij de 
waarden het hoogst zullen zijn tijdens de premenstruele en ovulaire fasen (Paton, 2000). 

Ook de schadelijke effecten van alcohol verschillen voor vrouwen en mannen. Uit onderzoek blijkt 
dat vrouwen meer risico lopen op alcoholgerelateerde leveraandoeningen dan mannen. Vrouwen 
zouden in een kortere periode en met kleinere hoeveelheden reeds leveraandoeningen ontwikkelen. 
Verschillende studies wijzen tevens op een verhoogde kans op borstkanker bij vrouwen, zelfs bij 
matige alcoholconsumptie. Wat betreft het aantal overlijdens als gevolg van overmatig 
alcoholgebruik zijn er meer dan dubbel zoveel mannen als vrouwen die jaarlijks hieraan bezwijken 
(Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, 2014). 

Hoewel de verschillen in West-Europa steeds kleiner worden, komen genderverschillen met 
betrekking tot alcoholconsumptie voor in alle samenlevingen waarin alcohol geconsumeerd wordt. 

.i 


Dossier Alcohol 


45 


Wat betreft drankvoorkeur zijn er uitgesproken genderverschillen voor bier en sterkedrank, waarbij 
mannen deze dranken vaker en in grotere hoeveelheden per dag drinken. Vrouwen drinken op hun 
beurt vaker wijn dan mannen. De redenen waarom de drinkpatronen van vrouwen en mannen zo 
verschillen zijn zeer divers. Voor vrouwen is drinken vooral functioneel (bijvoorbeeld het helpt om 
problemen thuis of op het werk op te lossen, ze kunnen beter hun gevoelens uitdrukken) terwijl 
mannen veeleer hedonistische motieven aangeven om te drinken (bijvoorbeeld ze worden 
grappiger en leggen gemakkelijker contact met de andere sekse). Ook de attitude van vrouwen en 
mannen tegenover alcohol verschilt. Vrouwen zien eerder de gevaren in die alcohol met zich mee 
kan brengen terwijl mannen aan alcoholgebruik een zeker prestige toeschrijven. Tot slot verloopt 
het controlemechanisme op drinken bij vrouwen intern en bij mannen extern. Als de externe 
controle wegvalt, zullen mannen dus meer geneigd zijn om door te drinken. Vrouwen hebben deze 
externe controle over het algemeen minder nodig en zijn beter in het stellen van grenzen voor 
zichzelf. Hiebij dient er wel rekening te worden gehouden met het gegeven dat alcohol zelf ook een 
invloed heeft op het controlemechanisme. Maar, zoals eerder reeds werd aangehaald, verschilt de 
omvang van deze opgesomde genderverschillen van de ene samenleving (of sociale context) tot de 
andere (Holmila & Raitasalo, 2005; Makela et al., 2006; Institute of Alcohol Studies, 2007, 
Allamani, 2008). Uit Amerikaans onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat zwaar drinken meer voorkomt bij 
vrouwen met een hogere opleiding, die niet gehuwd zijn, die gescheiden zijn, die geen kinderen 
hebben en die werken in een 'mannelijk' beroep (lAS, 2005). In het Verenigd Koninkrijk stelt men 
dan weer een hogere gemiddelde alcoholconsumptie vast bij jonge vrouwen tussen 16 en 24 en 
oudere leeftijdsgroepen, alleenstaande ouders met kinderen, volwassen vrouwen die samenleven 
met een ouder, alleenstaanden, gescheiden vrouwen, studenten, vrouwen die in steden wonen. Wat 
Vlaanderen of België betreft, kunnen we hier bij gebrek aan onderzoek geen uitspaken over doen 
(De Donder, 2006). 

Hoewel de evolutie al enige tijd bezig is, wordt algemeen aangenomen dat drinkpatronen van 
vrouwen en mannen in de toekomst nog meer op mekaar zullen gelijken (Holmila & Raitasalo, 
2005). Sommige onderzoeken tonen inderdaad aan dat dit nu reeds het geval is in vele landen 
(Keyes et al., 2011). Bijgevolg zal ook de kloof tussen de seksen wat betreft alcoholgerelateerde 
problemen verkleinen (lAS, 2005). Vrouwen zijn buitenshuis gaan werken - de werkplaats heeft 
een belangrijke invloed op drinkpatronen en sowieso drinken werkenden over het algemeen meer 
dan niet-werkenden - en hebben zo mannelijke waarden en gedragspatronen overgenomen. Dit 
maakt dat ook het inkomen van de vrouw hoger is geworden waardoor ook de individuele vrijheid 
van vrouwen als consument is toegenomen (Holmila & Raitasalo, 2005; lAS, 2005). In algemene 
termen kan, in navolging van de 'convergentietheorie', gesteld worden dat hoe hoger de 
maatschappelijke positie van de vrouw is (of hoe meer geëmancipeerd de vrouw is), hoe kleiner de 
verschillen zijn tussen beide seksen wat betreft hun drinkgedrag (Bloomfield et al., 2005; Plant, 
2008). Ook sociale normen met betrekking tot alcoholgebruik en vrouwen lijken te veranderen 
(Keyes et al., 2011). De laatste jaren zijn er daarenboven nieuwe dranken op de markt verschenen 
die vrouwen in het bijzonder aanspreken zoals alcopops, designer drinks^'^, fruitbieren of 
alcoholische dranken met een laag caloriegehalte. Hierdoor richt nu ook de alcoholreclame zich 
specifiek op vrouwen met als boodschap dat alcohol modieus en glamoureus is en wordt gedronken 
door onafhankelijke vrouwen (lAS, 2005; EUCAM, 2008). 


4.4. Zwangere vrouwen 

Vrouwen die zwanger worden wanneer ze in de dertig of veertig jaar zijn, zijn eerder geneigd om 
tijdens de zwangerschap alcohol te drinken dan jongere zwangere vrouwen (Wilsnack, Wilsnack & 
Kantor, 2014; Skagerstróm, Chang & Nilsen, 2011; Hoppenbrouwers, Guérin, Roelants, Van 
Leeuwen, & Desoete, 2011). Alcoholgebruik tijdens de zwangerschap blijkt tevens consistent 
samen te hangen met zwaarder drinken voor de zwangerschap en met slachtofferschap van 
misbruik of geweld (Skagerstróm, Chang & Nilsen, 2011). Daarnaast wordt alcoholgebruik tijdens 


Designer drinks zijn een mengeiing van gesuikerde drank en ethyialcohoi, gemaakt door de gisting van 
fruitsappen. Ze bevatten doorgaans 4 tot 8% alcohoi. 


Dossier Alcohol 


46 


de zwangerschap geassocieerd met een hogere socio-economische status en met de aanwezigheid 
van problematisch alcoholgebruik. 

4.4.1. Effect van alcoholgebruik op de conceptie 

Al vanaf één standaardglas per dag vermindert de vruchtbaarheid van de vrouw en de man 
(Gezondheidsraad, 2005; Dekker, de Josselin de Jong, van der Wulp & van Bijsterveldt, 2013). 
Mannen die regelmatig meer dan twintig glazen per week drinken, kunnen erectieproblemen 
krijgen waardoor kinderen krijgen moeilijker wordt. 

Alcoholgebruik voor de zwangerschap geeft meer kans op een miskraam. Ook het alcoholgebruik 
van de man kan het risico op miskramen en foetale sterfte verhogen. Er is sprake van een dosis- 
effectrelatie wat betekent dat voor alle effecten de bewijskracht sterker wordt naarmate het 
gemiddeld alcoholgebruik hoger ligt. Het is evenwel niet mogelijk om een veilige ondergrens vast 
te stellen in verband met alcoholgebruik voor de conceptie, waarvan met zekerheid kan gezegd 
worden dat er geen effect is op de vruchtbaarheid en op de zwangerschap (Gezondheidsraad, 
2005; Trimbos-instituut, 2013; Hutchinson et al., 2014). 

4.4.2. Effect van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap 

Alcohol is een teratogene stof, wat betekent dat het interfereert met de prenatale ontwikkeling 
(Warren & Murray, 2013; Hutchinson et al., 2014). Alcohol is daarenboven het meest verspreide 
gedragsteratogeen in de wereld. De schadelijke effecten zijn pas in de tweede helft van de 
twintigste eeuw ontdekt. Ondertussen wordt alcohol erkend als één van de belangrijkste oorzaken 
van aangeboren afwijkingen en ontwikkelingsstoornissen. De ernst van de effecten van 
alcoholgebruik zijn afhankelijk van de timing, de frequentie en de hoeveelheid van de blootstelling 
aan alcohol maar ook van genetische kwetsbaarheid, omgevingsfactoren zoals voeding en 
epigenetische^s veranderingen. Daarnaast spelen volgende factoren nog een rol: leeftijd van de 
moeder, aantal zwangerschappen, aantal voldragen zwangerschappen, lichaamsomvang, voeding, 
alcoholmetabolisme, religieuze en spirituele factoren, socio-economische status, mentale 
gezondheid, ander middelengebruik en sociale relaties (Warren & Murray, 2013). 

Tijdens de zwangerschap is er voor de foetus een drieledig risico verbonden aan alcoholgebruik van 
de moeder (van Faasen en Niemela, 2011). Ten eerste worden via de placenta alcohol en toxische 
metabolieten van alcohol doorgegeven aan de foetus. Hierdoor is de alcoholconcentratie in het 
weefsel van het embryo of de foetus gelijk aan die in het bloed van de moeder (National Health 
and Medical Research Council, 2007). Ten tweede worden alcohol en acetaldehyde trager 
afgebroken omdat de foetale weefsels nog niet volgroeid zijn (van Faasen en Niemela, 2011). 
Hierdoor blijft de foetus langer en intenser blootgesteld aan alcohol dan de moeder. Ten derde is 
het zenuwstelsel van de foetus sowieso zeer gevoelig aan de toxiciteit van alcohol. 

Dit kan uiteraard diverse gevolgen hebben voor de vrucht en het verdere verloop van de 
zwangerschap. Behalve de Foetaal Alcohol Spectrum stoornis (FASD) wordt alcoholgebruik tijdens 
de zwangerschap ook in verband gebracht met miskramen, doodgeboorte, vroeggeboorte, 
wiegendood, laag geboortegewicht, intra-uteriene groeiachterstand, leermoeilijkheden, 
neurologische en gedragsproblemen (National Health and Medical Research Council, 2007; Warren 
& Murray, 2013; Skagerstróm, Chang & Nilsen, 2011; Bailey & Sokol, 2011). Andere problemen die 
kunnen voorkomen op latere leeftijd zijn slechtere impulscontrole, slechtere sociale aanpassing, 
problemen met de wet, ongepast seksueel gedrag, problemen met werk en problemen met 
middelengebruik. Veel kinderen geboren met prenatale blootstelling aan alcohol lijden ook aan 
psychische problemen (angsten, depressie, ADHD, manie, ...) of hebben een mentale beperking 
(Sher, 1991; Hutchinson et al., 2014). Welke schade zich voordoet, hangt af van wanneer tijdens 
de zwangerschap alcohol wordt gedronken (STAP, 2015d; Hutchinson et al., 2014). In de hele 


Epigenetica bestudeert overerfbare veranderingen aan het DNA die niet in de nucieotidenvoigorde zijn terug te vinden (Aiies 
over dna, 2015). 


Dossier Alcohol 


47 


zwangerschap kan alcoholgebruik leiden tot hersenbeschadiging bij het kind. Bovendien kan 
alcoholgebruik in de eerste twaalf weken leiden tot afwijkingen aan organen, zoals hart, armen en 
ogen. Alcoholgebruik in de week 13 tot en met 42 kan leiden tot groeiachterstand. 

Kesmodel en collega's (2002) toonden aan dat een gemiddelde consumptie van minder dan één 
glas alcohol per dag al kan leiden tot een verhoogde kans op miskramen en doodgeboorte. Studies 
suggereren ook dat lage niveaus van alcoholgebruik (bijv. 1 a 2 glazen per week) de neurologische 
en gedragsmatige ontwikkeling kunnen verstoren (National Health and Medical Research Council, 
2007) met risico op spontane abortus, vroeggeboorte, laag geboortegewicht of groeiachterstand in 
de baarmoeder als gevolg (Anderson & Baumberg, 2005). Een consumptie van 1-2 
standaardglazen alcohol leidt bij iedere zwangere vrouw immers tot een tijdelijke onderbreking van 
de ademhalingsbewegingen van de foetus. Bij deze ademhalingsbewegingen gaat vruchtwater de 
longen in en uit, wat van belang is voor de groei en ontwikkeling van de longen. Bij een gemiddeld 
alcoholgebruik van 2-6 standaardglazen per dag tijdens de zwangerschap worden de 
bovengenoemde effecten sterker. Bovendien loopt het kind dan mogelijk een verhoogd risico om op 
latere leeftijd een alcoholgerelateerde problematiek te ontwikkelen of een intellectuele achterstand 
op te lopen. Vrouwen die vijf of meer glazen per week drinken lopen bovendien een hoger risico op 
spontane abortus (Rasch, 2003). Bij gebruik van zes of meer standaardglazen per dag tijdens de 
zwangerschap is, naast de reeds genoemde effecten, ook het risico verhoogd dat bij het kind 
aangeboren afwijkingen en de specifieke gelaatstrekken van Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) 
optreden (Hoge Gezondheidsraad, 2009). Er is tevens meer kans op FAS bij een alcoholverbruik 
van zeven of meer glazen per week (National Organization on FAS, nd). 

Zwaar drinken en intoxicatie stellen de meeste problemen, vooral in het eerste trimester van de 
zwangerschap (National Health and Medical Research Council, 2007). Bingedrinken is bijzonder 
schadelijk omdat de foetus dan wordt blootgesteld aan een hoog alcoholgehalte in het bloed en 
ontwenningsepisodes tijdens kritieke ontwikkelingsperiodes (Hutchinson et al. 2014). 

Deze gegevens maken duidelijk dat bepaalde risico's al bij lage consumptieniveaus substantieel 
groter zijn. Over de omvang van de effecten bestaat echter geen zekerheid omdat de 
effectschattingen van bestaande studies nogal uiteen lopen (Gezondheidsraad, 2005; Todorow, 
Moore & Koren, 2010). Wel is duidelijk dat de ernst van de effecten toeneemt naarmate het 
gemiddeld alcoholgebruik hoger is en naarmate er meer glazen per gelegenheid worden gedronken. 
Het is niet mogelijk om voor de consumptie van alcohol een veilige ondergrens vast te stellen 
waarvan met zekerheid kan gezegd worden dat er geen effect is op de vrucht en op de 
zwangerschap (Gezondheidsraad, 2005; Hoge Gezondheidsraad, 2009). Ook vroeg in de 
zwangerschapsperiode, zelfs vooraleer de vrouw weet dat ze zwanger is, kan alcoholgebruik al 
zorgen voor specifieke risico's voor het embryo (Warren & Murray, 2013). 


4.4.3. Foetaal Alcohol Spectrum stoornis en Foetaal Alcohol Syndroom 

Foetaal Alcohol Spectruom Stoornis (FASD) is de overkoepelende term voor een reeks van effecten 
die bij kinderen kunnen optreden doordat de moeder tijdens de zwangerschap alcohol dronk 
(Warren & Murray, 2013). Het kan gaan om fysieke, gedragsmatige en/of cognitieve beperkingen 
met levenslange implicaties. De term FASD wordt niet gebruikt in een klinische diagnose, maar 
omvat diagnoses zoals Foetaal Alcohol Stoornis (FAS) (FAS stichting Nederland, 2015; Riley, 
Infante & Warren, 2011; Nunez, Roussotte & Sowell, 2011). FAS wordt gediagnosticeerd als er 
sprake is van groeiachterstand, specifieke gezichtskenmerken en neurologische schade. Kinderen 
die niet alle kenmerken van FAS vertonen, krijgen vaak de diagnose pFAS (partial=deels), FAE 
(Foetaal Alcohol Effecten), ARND (Alcohol-Related Neurodevelopmental Disorder) of ARBD (Alcohol- 
Related Birth Defects). 


Dossier Alcohol 


48 


FAE ARBD 
ARND 


Bron: FAS Stichting Nederiand 


Zoals hierboven beschreven, moeten bij FAS drie kenmerken aanwezig zijn (FAS stichting 
Nederland, 2015; Warren & Murray, 2013): 

Gezichtsafwijkingen: kleine schedel, smalle oogspleetjes, vouw binnenste oogplooi, lage 
neusbrug, lage oren, plat middengezicht, wipneus, dunne bovenlip, afgeplat neusgootje, 
smalle kin. 

Vertraagde groei: baby's worden geboren met een te laag geboortegewicht en groeien erg 
traag. Kinderen met FAS zijn kleiner dan hun leeftijdsgenootjes en vaak erg tenger. Flet hoofd 
is vaak abnormaal klein. 

Neurologische afwijkingen: slechte spiercoördinatie komt veel voor. Baby's met FAS 
hebben een slechte zuigreflex en kauwen slecht. Veel kinderen met FAS zijn overgevoelig voor 
tast, geluid en fel licht. Ook veel voorkomend zijn: slechter sociaal functioneren, 
hyperactiviteit, verstandelijke beperking en autistisch gedrag, geheugenproblemen, 
hechtingsproblemen, leerproblemen, verminderde motorische vaardigheden, neurosensorisch 
gehoorverlies, slechtere visuele/ruimtelijke vaardigheden, vertraagde ontwikkeling, ADFID, 
problemen met redeneren en oordelen, onmogelijkheid om gevolgen van gedrag te begrijpen. 


Volledige FAS wordt gevonden bij kinderen wiens moeder een geschiedenis heeft van chronisch 
zwaar alcoholgebruik of frequent zwaar periodiek alcoholgebruik tijdens de zwangerschap 
(Flutchinson et al., 2014). 

Via neuroimaging onderzoek is intussen geweten dat bij FASD tekorten optreden in cognitieve 
domeinen zoals het intellectueel functioneren, aandacht/werkgeheugen, uitvoerende vaardigheden, 
snelheid van handelen en academische vaardigheden (Nunez, Roussotte &Sowell, 2011). 

FASD kan volledig voorkomen worden door geen alcohol te gebruiken tijdens de zwangerschap 
(Warren & Murray, 2013). Op dit moment zijn screening voor alcoholgebruik en kortdurende 
interventies bij vrouwen op vruchtbare leeftijd in eerstelijnsgezondheidzorg, gezinsgeneeskunde, 
verloskunde en gynaecologie effectieve interventies. 


FAS Gezichtsafwijkingen 



Afgeplat neusgootje 


Bron: FAS Stichting Nederiand 



Dossier Aicohoi 


49 


4.4.4. Effect van alcoholgebruik tijdens de borstvoeding 

Tijdens de borstvoeding komt alcohol via de moedermelk bij de zuigeling terecht (Hoge 
Gezondheidsraad, 2009; van Faasen & Niemela, 2011). De alcoholconcentratie in de moedermelk is 
dan gelijk aan de alcoholconcentratie in het bloed. Bij de zuigeling is de alcoholconcentratie in het 
bloed lager omdat de alcohol zich via de moedermelk over het hele lichaam van de baby verspreidt. 
Anderzijds blijft de alcohol wel langer in het lichaam van de zuigeling omdat de lever nog niet 
volledig ontwikkeld is en de afbraak dus trager verloopt. Dit heeft uiteraard ongunstige effecten op 
het kind. Deze schadelijke effecten zijn wel erg verschillend van de verschillen waargenomen na 
een in utero blootstelling. De pasgeborenen blijken minder goed te kunnen zuigen, alcohol kan de 
melkuitdrijvingsreflex verhinderen en kan de geur en smaak van moedermelk wijzigen met 
voedingsproblemen tot gevolg. De moedermelk van vrouwen die alcohol drinken bevat minder 
foliumzuur wat kan leiden tot foliumzuurtekorten bij de zuigeling. Bij het gebruik van 1-2 
standaardglazen per dag blijkt de zuigeling in de daarop volgende drie uren minder te drinken en 
een verstoord slaap-waakpatroon te hebben. Ook de psychomotorische ontwikkeling van de baby 
wordt hierdoor beïnvloed (National Health and Medical Research Council, 2007; van Faasen en 
Niemela, 2011). Voor alcoholgebruik tijdens de borstvoeding kan dan ook geen veilige ondergrens 
vastgelegd worden. Daarnaast is er geen wetenschappelijke ondersteuning voor de wijdverspreide 
fabel dat vrouwen alcohol, en in het bijzonder bruin bier, zouden moeten drinken om het volume 
aan moedermelk te verhogen (van Faasen & Niemela, 2011). 

4.5. Socio-economische status^^ 

In hogere sociale groepen zijn meer drinkers, meer gelegenheden tot alcohol drinken en meer 
drinkers met een laag-risico drinkpatroon terug te vinden dan in de lagere sociale groepen (WHO, 

2014) . Groepen met een hogere socio-economische status (SES) drinken frequenter alcohol 
(Huckle, You & Casswell, 2010). Schattingen van de Organisation for Economie Co-operation and 
Development (OECD) toonden voor verschillende landen aan dat mannen en vrouwen met een 
hogere opleiding en een hogere SES meer kans maakten om in de afgelopen twaalf maanden 
alcohol te drinken dan mannen en vrouwen met een lagere opleiding en een lagere SES (Devaux, 

2015) . Bij personen met een hogere SES maakt alcoholgebruik integraal deel uit van de levensstijl. 

De relatie tussen riskant alcoholgebruik^^ en opleidingsniveau of SES is niet zo eenduidig in alle 
landen (Devaux, 2015). Toch tonen de OECD-data aan dat in de meeste landen de hoger opgeleide 
en meer begoede mannen minder kans lopen op riskant alcoholgebruik terwijl de hoger opgeleide 
en meer begoede vrouwen meer kans hebben op riskant alcoholgebruik. In de GENACIS-studie 
vonden de onderzoekers dat lagere SES geassocieerd was met maandelijks riskant 
gelegenheidsdrinken onder mannen (Grittner, Kuntsche, Gmel & Bloomfield, 2013). Voor vrouwen 
zagen zij het verband tussen dit drinkpatroon en een hogere SES enkel in de armere landen. Voor 
jongeren van 10-15 jaar vonden Lemstra et al. (2008) een verband tussen lagere SES, gemeten 
via beroep, inkomen of opleiding van de ouders, en een hogere kans op risicovol alcoholgebruik, al 
dient erbij gezegd dat risicovol alcoholgebruik in de studie niet duidelijk werd gedefinieerd. 

Het verband tussen bingedrinken en opleidingsniveau of SES is nog complexer (Devaux, 2015). In 
de meeste landen geldt voor mannen dat de hoger opgeleiden minder risico lopen op bingedrinken 
maar dit geldt niet voor hogere SES. Voor vrouwen is de ongelijkheid in bingedrinken volgens 
opleidingsniveau of SES anders in de verschillende landen. In sommige landen lopen hoger 
opgeleide vrouwen meer risico op bingedrinken (bv. in Frankrijk of Italië), in andere landen minder 
(bv. in Ierland, Australië). 


Socio-economische status (SES) staat voor de positie van mensen op de maatschappelijke ladder met het daaraan verbonden 
aanzien en prestige (Nationaal Kompas Volksgezondheid, 2015). Het is een concept dat niet direct te observeren is en daarom 
indirect gemeten wordt via een aantal indicatoren waarvan de drie voornaamste opleidingsniveau, beroepsstatus en 
inkomensniveau zijn. In het onderzoek naar sociaaleconomische gezondheidsverschillen is het opleidingsniveau de meest 
gebruikte indicator voor de hoogte van de sociaaleconomische status van mensen. 

Het onderzoek spreekt van 'hazardous drinking'. 


Dossier Alcohol 


50 


Huckle, You & Casswell (2010) vonden dat groepen met een lage tot middelmatige SES een hoger 
risico hadden op drinken van grotere hoeveelheden in vergelijking met andere SES-groepen. 

Voor jongeren toonde recent Amerikaans onderzoek dan weer aan dat een hogere SES, gemeten 
via een hogere opleiding of een hoger inkomen van de ouders, geassocieerd is met meer 
bingedrinken tijdens de jongvolwassenheid (Humensky, 2010). 

Daartegenover staat dat mensen met een lagere SES kwetsbaarder zijn voor bepaalde problemen 
en gevolgen van alcoholgebruik (WHO, 2014). Zo lijken arbeiders gevoeliger voor ernstige aan 
alcoholgerelateerde gezondheidseffecten, waaronder sterfte, dan niet-arbeiders bij eenzelfde 
drinkpatroon. Deze kwetsbaarheid zou ook van generatie op generatie worden doorgegeven. 
Grittner, Kuntsche, Graham & Bloomfield (2012) zagen dat laaggeschoolde mannen en vrouwen 
meer negatieve gevolgen van alcoholgebruik aangaven, zelfs al bleef het consumptieniveau gelijk. 
Voor mannen gold dit zowel voor interne^® als externe problemen^®, voor vrouwen enkel voor 
externe problemen. 

Wat betreft alcoholgerelateerde aandoeningen kon een verband gevonden worden tussen lage SES 
en een groter risico op halskanker, beroerte, hoge bloeddruk en leverziekte (Jones, Bates, McCoy & 
Bellis, 2015). Omgekeerd is het risico op borstkanker bij vrouwen geassocieerd met een hogere 
SES. 

Een mogelijke verklaring voor de potentieel grotere kwetsbaarheid bij lagere SES-groepen is dat zij 
de nadelige gevolgen van hun gedrag in mindere mate kunnen vermijden vanwege een gebrek aan 
middelen (WHO, 2014). Personen met hogere SES kunnen bijvoorbeeld kiezen voor een veiligere 
drinkomgeving, of hebben een betere toegang tot kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg. Een 
andere verklaring zou kunnen zijn dat lagere SES-groepen een minder uitgebreid ondersteunend 
netwerk hebben, dat wil zeggen, minder factoren of personen om hen te motiveren om 
alcoholgebruik aan te pakken voordat ernstige gevolgen optreden. Een derde, doch omstreden 
verklaring, is deze van een 'alles of niets' gedragspatroon in de lagere SES-groepen, hetgeen wil 
zeggen dat 'arme' mensen minder vaak drinken, maar als ze drinken, drinken ze veel. Verder zijn 
personen met een lagere SES meer blootgesteld aan chronische stress die ook kan oplopen tijdens 
de levensloop (Grittner, Kuntsche, Graham & Bloomfield, 2012). Dat maakt hen vatbaarder voor 
middelengebruik en verslaving. 

Ondanks een lagere totale alcoholconsumptie suggereert de evidentie dus dat lagere SES-groepen 
een hogere last ervaren van ziektes die toe te schrijven zijn aan alcoholgebruik (Schmidt, Makela, 
Rehm, & Room, 2010). Dat geldt in het bijzonder voor mannen. Ook sterfte door 
alcoholgerelateerde oorzaken komt meer voor in lagere dan hogere SES-groepen. Probst, 
Roerecke, Behrendt en Rehm (2015) vonden dat het relatief risico op 100% alcoholgerelateerde 
sterfte drie tot tien keer groter is bij mannen met lage SES en anderhalf tot zes keer groter bij 
vrouwen met lage SES, vergeleken met hogere SES-groepen. Sociaal-economische en 
gezondheidsgevolgen worden immers niet alleen bepaald door de hoeveelheid geconsumeerde 
alcohol, maar ook door het consumptiepatroon en de kwaliteit van de alcohol (Schmidt, Makela, 
Rehm, & Room, 2010). 

Het onderzoek is ontoereikend om te concluderen dat een lage SES tijdens de kindertijd 
geassocieerd is met het latere alcoholgebruik of problematisch alcoholgebruik (Wiles et al., 2007). 


Dit werd gemeten aan de hand van een schaal die peilde naar schuld of wroeging, geheugenproblemen, niet kunnen doen 
wat verwacht wordt, niet kunnen stoppen met drinken eens begonnen, 's morgens drank nodig hebben. 

Dit werd gemeten aan de hand van een schaal die peilde naar gevolgen op het vlak van inkomen, werk/studies, werk thuis, 
relatie kinderen en gezin, sociaal leven. 


Dossier Alcohol 


51 


4.6. Etnisch-culturele minderheden 


Cultuur heeft een sterke impact op alcoholgebruik (Devaux, 2015). Mensen wiens etnische 
identiteit wordt geassocieerd met sterke culturele of religieuze wortels worden in hun drinkgedrag 
beïnvloed door hun afkomst. Een analyse van het OECD in Engeland, Nieuw-Zeeland en de 
Verenigde Staten toont aan dat minderheidsgroepen in het algemeen minder alcohol drinken dan 
de autochtone populatie. Alleen in de Verenigde Staten hebben de Mexicaanse-Amerikanen een 
hogere prevalentie van alcoholgebruik. In Engeland werd nog gevonden dat bij autochtone mannen 
en vrouwen meer riskant alcoholgebruik^° en bingedrinken voorkwam. 

Hurcombe, Bayiey & Goodman (2010) vonden dat in het Verenigd Koninkrijk bij de meeste 
etnische minderheden onthouding van alcoholgebruik over het algemeen meer voorkwam. Etnisch- 
culturele minderheden (ECM) drinken minder frequent alcohol en zwaar drinken komt bij hen 
minder voor vergeleken met de totale Britse bevolking of met personen met een Europese 
achtergrond. Wel is er een aanzienlijke variatie tussen en binnen de verschillende etnische groepen 
in drinkgedrag. Alcoholgebruik en (zeer) zwaar alcoholgebruik komen meer voor en abstinentie 
minder bij personen met een gemengde etnische achtergrond dan bij personen uit andere 
autochtone minderheidsgroepen. 

In Nederland onderzochten Reijneveld et al. (2012) via een bevolkingsonderzoek bij 19-40-jarigen 
hoe gezondheids- en risicogedrag samenhingen bij (Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, 
Antilliaanse) migrantengroepen en autochtone volwassenen. De prevalentie van alcoholgebruik was 
in alle migrantengroepen lager vergeleken met de autochtone groep. De auteurs concludeerden uit 
hun onderzoek tevens dat interventies voor alcohol en regeloverschrijdend gedrag gelijkaardig 
kunnen zijn voor autochtone en migrantengroepen. 

Hoewel etniciteit een vast gegeven is, kan de impact ervan op de opeenvolgende generaties over 
de tijd verschillen (Devaux, 2015). De jongere generaties kunnen ander gedrag vertonen dan de 
oudere, vooral als deze laatsten de eerste generatie immigranten waren. Acculturatieprocessen 
waarbij drinkpatronen van het nieuwe land worden overgenomen kunnen de wijzigingen verklaren 
(Hurcombe, Bayiey & Goodman, 2010). Stress die samenhangt met migratie kan eveneens 
toenemend alcoholgebruik bij bepaalde etnische groepen verklaren. Ook veranderingen in socio- 
economische status kunnen bij etnische minderheden leiden tot veranderingen in drinkpatronen. 
Zo zullen de hoger opgeleiden uit minderheidsgroepen doorgaans meer alcohol drinken. 

Bij etnische minderheden is het dus zeker ook belangrijk om te kijken naar de impact die de socio- 
economische status heeft op hun drinkpatronen en vooral dan wat de impact is van inkomen en 
werk (Hurcombe, Bayiey & Goodman, 2010). 

In het algemeen worden abstinentie en een laag alcoholgebruik bij etnisch-culturele minderheden 
geassocieerd met een sterke etnische identiteit, sterke banden met de familie en de lokale 
gemeenschap, een blijvende band met het thuisland en behoud van religieuze waarden (Hurcombe, 
Bayiey & Goodman, 2010). 

Etnische minderheden zijn ondervertegenwoordigd in de groep personen die hulp zoeken voor 
alcoholproblemen (Hurcombe, Bayiey & Goodman, 2010). Mogelijks zijn ze onzeker over waar ze 
voor hulp terecht kunnen. In etnische groepen waar abstinentie verwacht wordt, zal drinken vaak 
verborgen worden wat hulp zoeken bemoeilijkt. Daarnaast is er in de hulpverlening een gebrek aan 
aandacht voor de religieuze en culturele achtergronden van mensen uit etnisch-culturele 
minderheidsgroepen. 


Het onderzoek spreekt van 'hazardous drinking'. 


Dossier Alcohol 


52 


4.7. Personen met een verstandelijke beperking 

Verstandelijke beperking wordt door de American Association on Intellectual and Developmental 
Disabilities (AAIDD) omschreven als: 

"a disability characterized by significant iimitations in both inteiiectuai functioning and in 
adaptive behavior, which covers many everyday sociai and practicai skiiis. This disabiiity 
originates before the age of 18". (AAIDD, 2013). 

Bij de definiëring van verstandelijke beperking wordt veelal gefocust op het cognitieve functioneren 
en worden op basis van de hoogte van het IQ vier niveaus van verstandelijke beperking onder- 
scheiden (DSM-5) (De Paepe, 2014): 


IQ 

Mate van beperking 

50/55 - 70 

Lichte verstandelijke beperking 

35/40 - 50/55 

Matige verstandelijke beperking 

20/25 - 35/40 

Ernstige verstandelijke beperking 

20/25 of lager 

Diepe verstandelijke beperking 


Meer en meer wordt ook aandacht gevraagd voor de emotionele ontwikkeling en het adaptieve of 
aanpassingsvermogen (De Paepe, 2014). 

De kans op middelengebruik is bij mensen met een verstandelijke beperking even groot of iets 
kleiner dan bij de algemene populatie (De Paepe, 2014; Chapman & Wu, 2012). Wel starten ze 
doorgaans vroeger met gebruik (Chapman en Wu, 2013). 

Er is weinig onderzoek gedaan naar het soort middelen dat gebruikt wordt door mensen met een 
verstandelijke beperking. Het beperkte onderzoek dat in Nederland werd uitgevoerd, wijst erop dat 
alcohol het middel is dat het meest gebruikt wordt (Dijkstra & Bransen, 2010). Recent gebeurde 
ook in Vlaanderen een studie (To et al., 2014), zij het bij een niet-representatieve steekproef van 
cliënten uit de verslavingszorg en gehandicaptenzorg (104 cliënten, tussen 22-75 jaar). Hieruit 
bleek dat alcohol, cannabis en cocaïne de voornaamste gebruikte middelen zijn. Uit dit onderzoek 
bleek ook dat er vaak sprake was van polydruggebruik. 

De kans dat het gebruik evolueert tot misbruik is bij deze groep veel hoger door hun specifieke 
kwetsbaarheden^^ (De Paepe, 2014; Chapman & Wu, 2012). Hun uitgangspositie is minder gunstig 
en ze hebben minder vaardigheden om de gevolgen van gebruik op hun functioneren in te perken. 

Algemeen kan aangenomen worden dat personen met een verstandelijke beperking een lagere 
drempel hebben voor middelengerelateerde problemen (De Paepe, 2014). Niet alleen kan 
middelengebruik een negatieve invloed hebben op hun welbevinden, het is ook zo dat kleine 
hoeveelheden alcohol sneller grotere gevolgen kunnen hebben op verschillende levensdomeinen. 

Toch vinden deze personen met een middelenproblematiek minder de weg naar de hulpverlening of 
blijven ze er niet (Chapman & Wu, 2013). Hulpverleners geven aan dat ze niet de kennis of 
vaardigheden hebben om rond middelenproblematiek te werken bij personen met een beperking en 
anderzijds geeft de verslavingszorg moeilijkheden aan om personen met een verstandelijke 
beperking te begeleiden. 

Soms is sprake van een drievoudige problematiek, meer bepaald een verstandelijke beperking, 
psychische problemen en middelenmisbruik (De Paepe, 2014). Psychiatrische stoornissen komen 
vaker voor bij mensen met een verstandelijke beperking dan bij de algemene bevolking (Chapman 
en Wu, 2013). 


Meer informatie over specifieke riscofactoren voor middeiengebruik bij personen met een beperking is te iezen in De Paepe 
( 2014 ). 


Dossier Alcohol 


53 


Tot slot, hoewel vaak over het hoofd gezien, blijkt criminaliteit sterk samen te hangen met 
middelengebruik bij personen met een verstandelijke beperking (Chapman en Wu, 2013). Zij zijn 
dan ook een risicogroep om in contact te komen met het strafrechtelijk systeem. 


Dossier Alcohol 


54 


5. De sociale gevolgen en maatschappelijke kosten van alcoholgebruik 
5.1. De sociale gevolgen van alcoholgebruik 

Alcoholgebruik is vaak een sociale activiteit die plaatsvindt binnen een context van relaties tussen 
drinkers onderling en met de omgeving om hen heen (Hunt & Barker, 2001). Dit betekent uiteraard 
dat vele gevolgen van alcoholgebruik - zowel positieve als negatieve - gekarakteriseerd kunnen 
worden als 'sociaal', eerder dan medisch. Klingemann (2001) definieert het als volgt: "de sociale 
gevolgen van alcohol zijn veranderingen die zich voordoen in individueel sociaal gedrag, in sociale 
interactie of in de sociale omgeving en die zowel subjectief als objectief (kunnen) worden 
toegewezen aan alcohol". 

Problematisch alcoholgebruik kan schade berokkenen aan de sociale omgeving van de drinker zoals 
familieleden, vrienden, collega's of vreemden (WHO, 2014; Navarro, Doran & Shakeshaft, 2011). 
Voorbeelden zijn opzettelijke (mishandeling of doodslag) en onopzettelijke verwondingen 
(werkongeval, verkeersongeval, ...), verwaarlozing of misbruik, niet nakomen van sociale rollen (als 
ouder, werknemer, ...), beschadiging van eigendommen, toxische effecten aan anderen toebrengen 
(FASD), impact op kwaliteit van leven of gemoedsrust van omgeving (bijv. wakker liggen, of 
angstig zijn door acties van de drinker, ...), schade aan gezin (scheiding, huwelijksmoeilijkheden, 
financiële problemen, armoede, ...). In onderzoek meldt 18-79% van de respondenten dat ze 
ervaring hebben met de negatieve gevolgen van het alcoholgebruik van iemand anders (Connor & 
Casswell, 2012; Laslett, Room, Ferris, Wilkinson, Livingston, Mugavin, 2011; Geil, Ally, Buykx, 
Meier, & Hope, 2015). Hoewel de cijfers variëren naargelang welke negatieve gevolgen precies 
werden bevraagd, maken ze toch duidelijk dat de omvang van schade aan anderen aanzienlijk is. 
Voor België ontbreken hierover cijfers. 

Aan vrouwen en jongeren wordt het meest schade berokkend door het drinken van anderen (Geil, 
Ally, Buykx, Meier, & Hope, 2015; Connor & Casswell, 2012). Vrouwen ervaren het meest schade 
door alcoholgebruik binnen het gezin en mannen door het alcoholgebruik van vrienden, collega's of 
vreemden. 

In wat volgt wordt een overzicht gegeven van het effect van alcohol in belangrijke settings waarin 
het alledaagse leven zich afspeelt: 
het gezin 
de werkplek 
het verkeer 
sport 
uitgaan 

Daarna wordt een kort overzicht gegeven van de stand van zaken van het onderzoek over 
criminaliteit en geweld, een ander maatschappelijk gegeven waarin de invloed van alcohol 
aanzienlijk is. 


5.1.1. Alcohol en de familie (gezin en kinderen) 

Het gezin vormt voor de meeste mensen het belangrijkste levensmilieu. Problematisch gebruik van 
alcohol kan de gezinsharmonie, de dagelijkse gang van zaken, maar vooral de kwaliteit van de 
gezinsrelaties verslechteren. Het veroorzaakt immers enorm veel stress in het gezin, wat door 
iedereen anders ervaren en verwerkt wordt (Coolen et al., 2002). Welke gevolgen dit kan hebben 
voor de partners en kinderen van problematische drinkers wordt hieronder kort toegelicht. 


Dossier Alcohol 


55 


Hutchinson et al. (2014) onderscheiden in het gezinsleven vijf grote gebieden waarop 
problematisch alcoholgebruik een impact kan hebben nl. 

1. het huwelijk en de partnerrelatie, 

2. het gezinsleven en gezinsfunctioneren, 

3. comorbide psychische en andere stoornissen bij de ouders, 

4. de opvoeding, 

5. de fysieke, cognitieve en mentale gezondheid van de kinderen. 

Zij brachten alle kennis over de impact van alcoholgebruik in het gezin samen in een multivariaat 
model dat een goed beeld geeft van de mogelijke verbanden (figuur 3). In bijlage 4 is tevens een 
schematisch overzicht te vinden van de bevindingen uit de literatuur (tabel 4). 



Figure 3: Coiiceptual model of the relationships bem'^een parental alcohol use disorders and family functioning 


Figuur 3: relaties tussen alcoholgebruik in het gezin (Hutchinson et al., 2014) 


5. 1.1.1. Impact op de partner 

De partners van personen die problematisch drinken krijgen vaak heel wat te verduren. Zo hebben 
vrouwelijke partners (van mannen die drinken) vaker last van depressies, angst en somatische 
klachten, zijn ze minder gelukkig in hun relatie en zijn ze vaker slachtoffer van verbaal en fysiek 
misbruik (Malfords et al., 2001). Meestal duurt het een hele tijd vooraleer de (niet-drinkende) 
partner volledig beseft dat hun problemen rechtstreeks voortvloeien uit het gebruik van alcohol. 
Vaak ontstaat er dan een tegenreactie waarbij de partner de gebruiker gaat proberen te 
veranderen, wat al even vaak een averechts effect geeft. Op die manier vergroot de afstand tussen 
de twee partners waardoor ze na verloop van tijd ieder hun eigen leven gaan leiden. Ook worden 
de conflicten grilliger en de communicatie negatiever: de taak- en rolverdeling wordt star, relaties 
met de buitenwereld verlopen verstoord en het gezin is minder georganiseerd (Matthys, 2000). 
Problematisch alcoholgebruik in gezinnen leidt tot huwelijksproblemen maar de invloed kan ook in 
de andere richting verlopen (Hutchinson et al., 2014). Ontevredenheid met het huwelijk kan zowel 
oorzaak als gevolg van problematisch alcoholgebruik zijn. 


Dossier Alcohol 


56 



INTRAFAMILIAAL GEWELD 


Alcoholgebruik wordt erkend als een risicofactor voor partnergeweld (Graham, Bernards Wilsnack & 
Gmel, 2011; WHO, 2014). Reviews^^ over partnergeweld bij volwassenen concluderen dat zwaar 
drinken geassocieerd is met partnergeweld en dat volwassenen die zwaar drinken twee keer meer 
kans hebben om partnergeweld te plegen dan niet of laag risico drinkers (Rothman, McNaughton 
Reyes, Johnson, & LaValley, 2012; Wilsnack, Wilsnack & Kantor, 2014). De kans op partnergeweld 
is groter wanneer een van beide of beide partners problematisch drinkt (Abramsky et al., 2011). De 
agressie is ernstiger wanneer een of beide partners gedronken hebben op het moment van de 
agressie (Graham, Bernards, Wilsnack & Gmel, 2011; Rothman, McNaughton Reyes, Johnson, 
LaValley, 2012). Of anders gezegd, wanneer geweld zich voordoet kan alcoholgebruik dit nog 
versterken. Vooral voor de agressie van mannen tegenover vrouwen is het duidelijk dat 
alcoholgebruik de agressie kan versterken bv. doordat de man zijn kracht niet meer juist inschat, of 
omdat hij niet inzit met de gevolgen ervan. Vrouwen die zwaar drinken lijken meer kans te hebben 
om zelf deel te nemen in psychologisch misbruik en fysieke agressie ten opzichte van hun 
mannelijke partners. Het verband is echter zwakker dan voor geweld van mannen tegenover 
vrouwen (Hutchinson et al., 2014). 

Devries et al. (2014) concluderen in hun recente systematische review dat er een duidelijke 
positieve associatie is tussen alcoholgebruik en slachtofferschap van fysiek of seksueel geweld 
tussen partners maar dat de richting van het verband niet duidelijk is. Een deel van het verband 
tussen alcoholgebruik en geweld is te verklaren door de effecten van alcohol m.a.w. ook de 
hoeveelheid speelt een rol. Bij zwaar drinken is men minder in staat om sociale signalen te zien, 
waardoor bv. een ruzie kan escaleren tot geweld. Door het effect van alcohol is het moeilijker om 
conflicten vreedzaam op te lossen. Daarnaast verhoogt alcohol de bereidheid om risico's te nemen 
waardoor men ook minder stilstaat bij de gevolgen van zijn gedrag. Tot slot komt, bij vrouwen die 
slachtoffer zijn van geweld, alcoholgebruik vaak voor als middel om om te gaan met het trauma, de 
zogenaamde zelfmedicatiehypothese (Norman et al., 2010). 

Dours, Evenepoel, Van den Broeck & Van Troos (2012) zochten ook naar verklaringen voor 
problematisch middelengebruik bij de slachtoffers van intrafamiliaal geweld. Zij vonden dat 
vrouwen, mannen of kinderen die worden blootgesteld aan intrafamiliaal geweld alcohol of andere 
drugs gebruiken om de traumatische ervaringen op fysisch, emotioneel en psychologisch vlak te 
verwerken. Hierdoor bestaat evenwel het risico om in een geweld-drugspiraal terecht te komen. 
Ten tweede lopen volwassenen of kinderen die zelf gebruiken meer risico om slachtoffer te worden 
van intrafamiliaal geweld net omwille van hun gebruik (bv. door hun grensoverschrijdend gedrag 
lokken ze gewelddadig gedrag van anderen uit). Verder zouden vrouwen of mannen met een 
neiging tot problematisch gebruik, partners kiezen met dezelfde neigingen die op hun beurt 
agressief worden wanneer ze gebruiken. Sommige onderzoekers geven aan dat slachtoffers door 
hun mishandelende partners, ouders of kinderen (al dan niet openlijk) worden gedwongen of 
gemanipuleerd om bewustzijnsveranderende middelen te gebruiken. Het komt ook voor dat 
slachtoffers van intrafamiliaal geweld samen met hun gebruikende partner alcohol gebruiken om op 
die manier het gewelddadige gedrag van de partner in te dijken. 

Weinig studies bestudeerden het effect van interventies of van alcoholbeleid op partnergeweld 
(Wilson, Graham & Taft, 2014). Wel blijkt dat wanneer gewelddadige partners met een 


De auteurs verwijzen naar volgende reviews: Leonard, K. E. (2005). Alcohol and intimate partner violence: when can we say 
that heavy drinking is a contributing cause of violence?. Addiction, 100{4), 422-425. Foran, Fl. M., & 0'Leary, K. D. (2008). 
Alcohol and intimate partner violence: A meta-analytic review. Clinical psychology review, 28(7), 1222-1234. Lipsey, M. W., 
Wilson, D. B., Cohen, M. A., & Derzon, J. Fl. (1997). Is there a causal relationship between alcohol use and violence?. In M. 
Galanter (ed.). Recent developments in aicoholism (pp. 245-282). Springer Science & Business Media. 


Dossier Alcohol 


57 


middelenstoornis in behandeling gaan het risico op partnergeweld twee tot drie keer vermindert 
(Rothman, McNaughton Reyes, Johnson & LaValley, 2012)^^. 

We kunnen concluderen dat het verband tussen alcoholgebruik en intrafamiliaal geweld complex is. 
Er is een duidelijke associatie tussen beide, al is de richting van het verband niet zo duidelijk: 
alcoholgebruik kan immers zowel een gevolg als een risicofactor zijn voor intrafamiliaal geweld. Als 
geweld zich voordoet is het vaak ernstiger wanneer ook alcohol werd gebruikt. Voor de dader kan 
alcoholgebruik het geweld aanmoedigen terwijl het de slachtoffers een verklaring voor het geweld 
of een reden tot vergeving biedt (Hutchinson et al., 2014). 


5. 1.1. 2. Impact op het gezinsleven en gezinsfunctioneren 

Tijdens het opgroeien heeft een kind nood aan een milieu dat voldoet aan een aantal eisen en 
functies. Het kind moet immers voldoende lichamelijke zorg en aandacht krijgen en het moet 
gestimuleerd worden. Daarnaast heeft het behoefte aan een veilig klimaat waarin het zichzelf kan 
ontplooien. Een goede thuis biedt ten slotte ook hechte banden, structuur, regelmaat en 
voorspelbaarheid. Vele van deze ideale gezinskenmerken ontbreken echter in gezinnen met 
problematisch alcoholgebruik bij één of beide ouders. Dit betekent voor de getroffen kinderen vaak 
dat ze opgroeien in een verwarrende en moeilijk te duiden situatie en in een klimaat van stress, 
onveiligheid en onvoorspelbaarheid (Matthys, 2000). 

Gezinnen waar problematisch alcoholgebruik voorkomt bij een of beide ouders zijn dysfunctioneler 
dan andere gezinnen (Hutchinson et al. 2014). Dit kenmerkt zich door communicatieproblemen, 
lage familiale verwantschap en weinig cohesie in het gezin. Een causaal verband werd echter niet 
gevonden. 

In deze gezinnen komen geschreeuw, beledigingen en ernstige ruzies tussen gezinsleden meer 
voor waardoor het huis een onstabiele omgeving voor kinderen wordt (Hutchinson et al., 2014). Als 
de vader drinkt zijn er gemiddeld meer uitbarstingen van woede en geweld. Incest en mishandeling 
komen eveneens meer voor in gezinnen waar de vader drinkt (Van Der Stel & Van Der Keuken, 
1992). 

Gezinnen waar problematisch alcoholgebruik voorkomt bij een of beide ouders kennen doorgaans 
een slechtere organisatie en een verstoring van de alledaagse gezinsroutines (bv. regelmatige 
maaltijden, bedtijden, vrijetijdsactiviteiten, ...) (Hutchinson et al. 2014). Dit komt doordat 
problematisch alcoholgebruik het centrale organiserend principe wordt in het gezin ten koste van 
routines. Deze problemen kunnen nog sterker zijn in gezinnen waar bij de moeder of bij beide 
ouders problematisch alcoholgebruik voorkomt. 

De financiële kant van het alcoholgebruik beïnvloedt eveneens het opgroeiende kind: de financiële 
kosten van de alcoholconsumptie kunnen zwaar wegen op het gezinsbudget en via deze weg 
invloed uitoefenen op zowel de lichamelijke gezondheid als de omgeving van het kind en zorgen 
voor een extra belasting van de ouderrol (WHO, 2004). Het geld dat besteed wordt aan alcohol is 
niet meer beschikbaar voor andere doeleinden zoals huisvesting, huur of schoolgeld (Hutchinson et 
al., 2014). Kinderen van ouders met problematisch alcoholgebruik hebben het over het tekort aan 
financiën voor kleding, voedsel en rekeningen, en dat van hun eigen geld wordt geleend in tijden 
van financiële nood. Gezondheidscomplicaties die samengaan met problematisch alcoholgebruik 
kunnen leiden tot medische kosten die de financiële druk op het gezin verhoogt. Daarnaast is er 
ook een relatie tussen werkloosheid en alcoholproblemen en omgekeerd (zie ook § 5. 1.2. 2.) 
(Hutchinson et al., 2014). 


Er wordt verwezen naar de studie: Murphy, C. M., & Ting, L. (2010). The effects of treatment for substance use problems on 
intimate partner violence: A review of empirical data. Aggression and Violent Behavior, 15(5), 325-333. 


Dossier Alcohol 


58 


Kinderen reageren verschillend op de stress die opgroeien in een gezin met een ouder met 
problematisch alcoholgebruik met zich mee kan brengen (Geeraerts, 2012). Ze kunnen lichamelijke 
problemen krijgen bv. hoofdpijn, buikpijnklachten, misselijkheid, eet- en slaapproblemen. 
Kinderen voelen zich dikwijls schuldig over het gebruik van hun ouder. Ze voelen zich 
verantwoordelijk voor wat er thuis gebeurt. Ze kunnen ook schaamtegevoelens ervaren en het 
gevoel hebben dat ze de enigen zijn met een papa of mama die problematisch drinkt. Ze schamen 
zich voor hun thuissituatie waardoor ze bv. minder vriendjes gaan uitnodigen. Kinderen van ouders 
met een alcoholprobleem hebben weinig zelfvertrouwen en ook het vertrouwen in anderen is laag 
omdat ze van thuis uit maar weinig bevestiging krijgen in wat ze doen. Deze kinderen hebben vaak 
angst om hun ouder te verliezen of ze zijn bang voor het onvoorspelbare gedrag van de ouder. 
Soms zullen zij met druk en agressief gedrag buitenshuis als bliksemafleider fungeren. Zo zorgen 
ze ervoor dat de aandacht naar hen verschuift in plaats van naar de moeilijkheden in het gezin. 
Kinderen uit deze gezinnen zijn vaak extreem gevoelig voor stemmingen van anderen. Daarbij 
cijferen ze zichzelf weg. Mogelijke gevolgen zijn dan vermindering van de schoolprestaties, moeite 
met concentreren, minder aanwezigheid op school en vaker ziek zijn. 

Tot slot heeft problematisch alcoholgebruik een grote impact op het sociale leven van gezinnen. 
Wanneer een ouder een alcoholprobleem heeft, kunnen echtgenoten en kinderen geïsoleerd raken 
waardoor ze er minder goed in slagen om steun te krijgen van sociale en 
gezondheidszorgsystemen (Hutchinson et al., 2014). Kinderen zullen bijvoorbeeld niet aan sociale 
activiteiten deelnemen omdat ze ook helpen in het huishouden en er geen tijd voor hebben of 
omdat het financieel niet lukt. Ze kunnen ook schaamte ervaren waardoor ze zich distantiëren van 
leeftijdgenoten en volwassenen zoals leerkrachten die anders sociale steun konden bieden. In deze 
gezinnen wordt meer verhuisd of van school veranderd wat het moeilijker maakt om in de 
gemeenschap te integreren. 


5. 1.1. 3. Comorbide psychische en andere stoornissen bij de ouders 

Ouders met problematisch alcoholgebruik kampen vaak tegelijkertijd met andere psychische 
aandoeningen zoals depressie, angststoornissen, psychose of antisociale persoonlijkheidsstoornis 
(Hutchinson et al., 2014). Dit verhoogt het risico op gezinsproblemen en negatieve gevolgen voor 
zowel de ouders als de kinderen. Ook polydruggebruik komt vaak voor wat het gezinsfunctioneren 
niet ten goede komt. 

De causale verbanden tussen alcoholgebruik en andere psychische aandoeningen zijn complex, 
maar er is wel overtuigend bewijs dat gezinnen waarin een ouder zowel een alcoholprobleem als 
een ander psychisch gezondheidsprobleem heeft meer risico lopen op negatieve gevolgen zoals 
gezinsconflicten, geweld, economische moeilijkheden, opvoedingsproblemen, psychische en 
gezondheidsproblemen bij de kinderen, ... 


5. 1.1. 4. Impact binnen de opvoeding 

In gezinnen waar één of beide ouders problematisch alcohol gebruikt, wordt de opvoeding 
verstoord, hebben ouders een positievere houding tegenover alcoholgebruik en kan modelling 
optreden hetgeen een impact heeft op het latere alcoholgebruik van de kinderen. 

Alcoholgebruik interfereert met het vermogen van een ouder om consequent warm, ondersteunend 
en beschikbaar te zijn tijdens ouder-kind-interacties waardoor de opvoeding verstoord wordt 
(Hutchinson et al., 2014). Vaak komen ook tekorten voor in het zorgen voor of het ondersteunen 
van de kinderen. Een verstoorde opvoeding verhoogt het risico op slechte schoolresultaten, 
spijbelen en schoolverlaten bij kinderen (Klingemann, 2001). Vooral moeders met problematisch 
alcoholgebruik geven te weinig liefde en aandacht. Hier is dan ook vaak sprake van een affectieve 
verwaarlozing (Van Der Stel & Van Der Keuken, 1992). 

I 


Dossier Alcohol 


59 


Zeker wanneer sprake is van comorbiditeit, conflict of agressie zijn er in deze gezinnen problemen 
in de ouder-kind-interacties en kunnen zich hechtingsproblemen voordoen bij het kind (Hutchinson 
et al 2014). 

Gezien bovenstaande is het niet verwonderlijk dat ouder-kind-relatieproblemen zoals stress in het 
gezin, fysiek geweld, enz. vaak voorkomen. 

In gezinnen waar problematisch alcoholgebruik bij een ouder voorkomt, zal monitoring door de 
ouders minder toegepast worden (dit wil zeggen dat ze op de hoogte zijn van de activiteiten van de 
kinderen, hun vrienden, schoolwerk, ...). Ook toezicht houden op de kinderen, grenzen stellen of 
bezorgdheid uitdrukken is eerder ontregeld. Daarnaast zijn deze ouders niet zo vaak geneigd een 
activiteit te doen samen met het gezin. 

Ouders met problematisch alcoholgebruik doen soms afstand van hun rollen als ouder, waardoor 
kinderen rollen en verantwoordelijkheden opnemen die ongeschikt zijn voor hun leeftijd, de 
zogenaamde parentificatie. Kinderen nemen dan bijvoorbeeld de verzorging van de ouders of 
jongere broers of zussen op zich, stellen de drinkende ouder gerust of beschermen de ouder, ... Het 
gedrag van gezinsleden van een ouder met problematisch alcoholgebruik wordt vaak beschreven 
als 'co-afhankelijk' omdat het gezin zich organiseert rond de behoeften en eisen van de 
afhankelijke ouder. 

Tot slot is er een toenemende hoeveelheid onderzoek waaruit blijkt dat problematisch 
alcoholgebruik van de ouders geassocieerd is met een klein tot gemiddeld hoger risico tot 
emotioneel, fysiek en seksueel misbruik van de kinderen. Ook hier spelen mogelijks gedeelde 
risico's. 

De attitude van ouders tegenover alcoholgebruik vormt een indirect middel van sociale modelling 
(Hutchinson et al., 2014). Onderzoek heeft uitgewezen dat ouders die alcohol drinken permissiever 
staan tegenover het gebruik van alcohol door hun adolescente kinderen. Dit heeft dan weer 
negatieve invloed op de initiatie van alcoholgebruik en de latere overgang naar zwaarder drinken of 
bingedrinken. 

Een van de belangrijkste risicofactoren voor problematisch alcoholgebruik is de aanwezigheid van 
problematisch alcoholgebruik bij familieleden, vooral bij de ouders. Het is ook waarschijnlijk dat 
veel ongepaste en schadelijke drinkpatronen in het gezin worden aangeleerd. Als moeder en/of 
vader veel drinkt dan hebben de kinderen vaak nooit met mate leren omgaan met alcohol (Brisby 
et al., 1997). Onderzoek wijst uit dat kinderen van alcoholafhankelijke ouders ongeveer vier keer 
groter risico lopen om alcohol te gebruiken of om zelf alcoholproblemen te ontwikkelen dan 
kinderen van niet-alcohol-afhankelijke ouders. Deze kinderen hebben ook de neiging om eerder 
met alcoholgebruik te starten of problematisch alcoholgebruik te ontwikkelen dan andere kinderen. 
Jongeren die worden blootgesteld aan problematisch alcoholgebruik van de ouders ontwikkelen 
immers geen negatieve houding ten opzichte van het gebruik van alcohol. Integendeel, ze hebben 
vaak een positieve attitude tegenover alcohol in het algemeen, en tegenover de positieve effecten 
ervan op het vlak van omgaan met stress en socialisering. 

Niet alle kinderen met een familiale geschiedenis van problematisch alcoholgebruik krijgen zelf 
alcoholproblemen. Of kinderen al dan niet zware gevolgen ondervinden van alcoholgebruik binnen 
het gezin hangt immers af van een aantal factoren los van het drinken. Zo kunnen bepaalde 
persoonlijkheidsfactoren van het kind (prestatiegerichtheid, intelligentie, ...), factoren in het 
opvoedingsmilieu (veel aandacht in de vroege kindertijd) en socio-culturele factoren er toe 
bijdragen dat de schade voor het kind beperkt blijft (Matthys, 2000). Ook een niet-drinkende ouder 
of verzorger die de gevolgen van het probleemdrinken kan beperken, het beperkt blijven van socio- 
economische spanningen en de aanwezigheid van sociale ondersteuning buiten het gezin (zoals 
school, vrienden en de gemeenschap) zijn beschermende factoren tegen de potentieel negatieve 
effecten van het problematisch alcoholgebruik van de ouders (Hutchinson et al., 2014). 


Dossier Alcohol 


60 


Dat een familiale geschiedenis van problematisch alcoholgebruik door de kinderen kan 'geërfd' 
worden, werd door Elliott, Carey en Bonafide (2012) bevestigd in een populatie van 
universiteitsstudenten. 

Ouders zijn tevens een belangrijke 'leverancier' van alcohol aan jongeren en kinderen en 
introduceren vaak alcoholgebruik in de gezinssituatie (Hutchinson et al., 2014). 


5. 1.1. 5. Impact op fysieke, cognitieve en mentale gezondheid van de kinderen 

Alcoholgebruik voor en tijdens de zwangerschap en in de borstvoedingsperiode heeft een negatieve 
impact op het ongeboren kind. Dit werd al uitgebreid toegelicht in hoofdstuk 4.3. 

Algemeen kan gesteld worden dat kinderen met ouders waarbij problematisch alcoholgebruik 
voorkomt extra kwetsbaar zijn en dit omdat ze weinig kunnen doen om zichzelf te beschermen 
tegen de directe of indirecte gevolgen van het alcoholgebruik van de ouders. Deze gevolgen 
kunnen te maken hebben met de algemene ontwikkeling van het kind maar meer in het bijzonder 
komen misbruik, verwaarlozing, isolering, onveiligheid en inconsistent gedrag van de ouders vaker 
voor in families met problematisch alcoholgebruik in vergelijking met gezinnen zonder 
problematisch alcoholgebruik (Geil et al., 2015). 

5.1.2. Alcohol en werk 

Door alcoholgebruik, zowel buiten als op het werk, kan de gezondheid, veiligheid en productiviteit 
van de werknemer en zijn omgeving in het gedrang komen. Dergelijke werkgerelateerde gevolgen 
van alcoholgebruik mogen niet onderschat worden. Problematische gebruikers zijn vaker ziek en 
afwezig, zijn meer betrokken bij arbeidsongevallen en presteren minder^'^. De meetbare kosten 
door problematisch alcoholgebruik in de Europese Unie als gevolg van afwezigheden, werkloosheid 
en verloren arbeidsjaren door vroegtijdige dood, werden in 2010 op 74,1 miljard euro geschat of 
47% van de totale sociale kost (Rehm, Shield, Rehm, Gmel, & Frick, 2012). Anders dan vaak wordt 
verwacht, zijn de meeste alcoholgerelateerde problemen op het werk afkomstig van de eerder 
matige, niet afhankelijke drinkers die de grootste groep uitmaken onder werknemers. 

In België is de omvang van dit gebruik nauwelijks onderzocht. Gebaseerd op internationale studies 
schatte Pacolet in 2003 de totale kost van verlies aan arbeidsproductiviteit door alcohol op 2,2 
miljard euro of 36% van de totale sociale kost (Pacolet, Degreef, & Bouten, 2003). Uit een 
onderzoek van de externe preventiedienst Securex in 2013 bleek dat ruim 15% van de Belgische 
werknemers te veel drinkt, dit is meer dan twee glazen per dag bij vrouwen en meer dan drie bij 
mannen^^. 

5. 1.2.1. Risicofactoren 

Risicofactoren gekoppeld aan de werkplek situeren zich bij het middel zelf, de concrete werksetting 
en het profiel van de werknemer. Meer bepaald gaat het in de werksetting om het aanwezige 
alcoholklimaat en om jobspecifieke factoren, wat de kans op problematisch alcoholgebruik van 
werknemers verhoogt. 

Het alcoholklimaat van een organisatie heeft een rechtstreekse invloed op het drinkgedrag van 
werknemers. Dergelijk alcoholklimaat is in elke organisatie anders en wordt bepaald door een 
aantal factoren, zoals de beschikbaarheid van alcohol, de sociale drinknormen (moet men 
bijvoorbeeld meedrinken om erbij te horen), het voorbeeldgedrag van leidinggevenden en collega's, 
de mate waarin er verbodsbepalingen zijn, en (eerder informeel) de mate waarin alcoholgebruik 
goed- of afgekeurd wordt. Een positief alcoholklimaat doet het feitelijk gebruik op het werk 


24 www.qado.be 

2^ De gegevens van deze studie zijn afkomstig uit vijf verschiiiende benchmarkingstudies (2009-2013) (Securex, 2013). Bij elke 
studie werd een bedrijfsonafhankelijke representatieve steekproef van werknemers bevraagd. 


Dossier Alcohol 


61 


toenemen. Meer onderzoek is echter nodig omtrent mogelijke correlaties en naar de link met 
problematisch alcoholgebruik (Moore et al., 2012; Frone &Trinidad, 2012). 

Verder heeft heel wat stressonderzoek een relatie gelegd met alcoholgebruik. Mensen kunnen 
drinken om stress te vermijden of om ermee om te gaan. Dergelijk gebruik is dan een stressreactie 
op de eigenschappen van de werkomgeving. De kans op problematisch alcoholgebruik verhoogt als 
werknemers weinig controle hebben op de inhoud van hun werk, bij minder goede 
arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden, en wanneer de arbeidsverhoudingen tussen 
werknemer en leidinggevende, en tussen werknemers onderling niet goed liggen (Colell et al., 
2012; Chandola et al., 2008). Beroepen met het hoogste alcoholgerelateerde sterftecijfer zijn 
barpersoneel, zeemannen, personeel in catering, entertainment en horeca, evenals werknemers in 
de bouwindustrie (Anderson, Moller & Galea, 2012). 


5. 1.2. 2. Gevolgen van alcoholgebruik op werk 

Dat alcoholgebruik de werkprestaties beïnvloedt is vrij evident. Naast de negatieve gevolgen van 
alcohol voor de kwaliteit en kwantiteit van het geleverde werk heeft alcoholgebruik ook zijn 
weerslag op andere gebieden zoals gezondheid, welzijn, enz. Hieronder worden er een aantal 
opgesomd: 

Problematisch alcoholgebruik komt meer voor bij werklozen (Anderson & Baumberg, 2006; 
Anderson, Moller & Galea, 2012, Henkel, 2011). Zwaar alcoholgebruik is gerelateerd aan 
een vergroot risico op werkloosheid in vergelijking met minder zware drinkers en het 
vermindert de kans om een job te vinden of te houden. Omgekeerd vergroot werkloosheid 
het risico op zwaar drinken. Sommige groepen lopen daarom meer risico: mannen, 
langdurig werklozen en personen die voordien al problematisch alcohol gebruikten. Langs 
de andere kant kan werkloosheid het alcoholgebruik verminderen aangezien het inkomen 
daalt. 

Alcoholgebruik verhoogt het risico op te laat komen en vroeg vertrekken van het werk, 
disciplinaire schorsingen, verlies van productiviteit, ongepast gedrag, diefstal en andere 
vormen van criminaliteit, en slechte relaties met collega's (Anderson & Baumberg, 2006; 
Anderson, Moller & Galea, 2012). 

Alcoholgebruik van een werknemer kan een bron van stress betekenen voor zijn of haar 
collega's. Het kan immers zorgen voor een vergrote werklast, frustraties omwille van de 
omgang met een onbetrouwbare collega, en een ongezond werkklimaat (Bennett & 
Lehman, 1998). 

Werknemers met problematisch alcoholgebruik presteren slechts voor 75% van hun salaris. 
Presenteïsme, nl. werknemers zijn aanwezig maar volgens hun output zijn ze afwezig, zou 
bijna drie keer meer voorkomen bij werknemers met een alcohol- of drugprobleem 
(Anderson, Moller & Galea, 2012). 

Het ziekteverzuim en/of de afwezigheid op het werk ligt bij personen met problematisch 
alcoholgebruik twee tot zes keer hoger dan gemiddeld (dit alleen al kost het bedrijfsleven 
miljoenen euro per jaar). De relatie tussen alcoholgebruik en ziekteverzuim is echter niet 
lineair maar vertoont eerder een U-vorm (Devaux, 2015). Het ziekteverzuim verhoogt dus 
niet in functie van de hoeveelheid gedronken alcohol. Veranderingen in het drinkgedrag 
naar en van abstinentie zorgen ook voor een hoog absenteïsme. 

De kans op een bedrijfsongeval vergroot. 10 tot 30% van de bedrijfsongevallen is 
gerelateerd aan alcoholgebruik. Probleemdrinkers hebben twee- tot viermaal meer kans op 
een ongeval dan gemiddeld. 

Alcoholmisbruik kan de oorzaak zijn van vervroegde pensionering of invaliditeitsuitkering 
(Devaux, 2015). 


Dossier Alcohol 


62 


5. 1.2. 3. Preventie op het werk 


Als antwoord op de nadelige gevolgen van alcohol (en drug-)gebruik van werknemers sloten de 
sociale partners in de Nationale Arbeidsraad in 2009 de collectieve arbeidsovereenkomst cao 100^®: 
alle bedrijven uit de private sector moeten sinds 1 april 2010 over een preventief alcohol- en 
drugbeleid beschikken. Deze overeenkomst heeft als bedoeling het disfunctioneren op het werkten 
gevolge van middelengebruik in de ondernemingen bespreekbaar te maken, het te voorkomen en 
te verhelpen. De preventieprincipes die aan de basis liggen van het welzijnsbeleid dat in de 
ondernemingen moet gevoerd worden, maken dat het alcohol- en drugbeleid dient gericht te zijn 
op het voorkomen en het vroegtijdig opsporen van functioneringsproblemen door alcohol en drugs 
en op het aanbieden van hulpverleningsmogelijkheden, om zo de herstelkans te vergroten. Het 
preventief alcohol- en drugbeleid bewandelt twee beleidssporen: het moet enerzijds deel uitmaken 
van een integraal gezondheids- en veiligheidsbeleid en het moet anderzijds kaderen in een globaal 
personeelsbeleid waarbij werknemers worden aangesproken op hun functioneren. In Europa 
(EU=30) hebben 14 landen nationale richtlijnen voor de preventie van, en counseling bij 
alcoholproblemen op het werk. In 12 landen werden de sociale partners op nationaal niveau hierbij 
betrokken. Een geïntegreerd beleid, zowel voor alcohol als voor andere drugs, gefaciliteerd door 
een bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, is vrij uniek. 

In 2015 is nog geen evaluatiestudie naar de impact van cao 100 uitgevoerd. De vaststelling is 
echter dat enkel de verplichte eerste fase, het opnemen van een beleidsverklaring in het 
Arbeidsreglement, opgevolgd werd. Slechts een beperkt aantal bedrijven ging over tot de tweede 
fase die nodig is om een succesvol multi-componentenbeleid, met doelstellingen op diverse 
niveaus, te realiseren. Op internationaal niveau wordt dergelijk op maat, en geïntegreerd beleid 
beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde om alcohol- en drugproblemen op de werkvloer 
effectief aan te pakken (Cercarelli, Allsop, Evans & Velander, 2012; Webb, Skakeshaft, Sanson- 
Fisher, & Havard, 2009). 

Deze fase omvat de concretisering en uitvoering van diverse pijlers: regelgeving inzake de 
beschikbaarheid en het gebruik van alcohol en drugs op de werkvloer, procedures bij 
functioneringsproblemen ten gevolge van acuut en chronisch misbruik, ondersteuning aan 
werknemers met problematisch gebruik, en vooral ook voorlichting en vorming om dergelijke 
problemen te voorkomen. 

Wie dus enkel een beleidsverklaring heeft, staat eigenlijk met lege handen, en treedt, net als voor 
de komst van de cao, enkel op als het niet anders kan: ad hoe, weinig planmatig, laattijdig en 
daardoor weinig efficiënt. 


5.1.3. Alcohol In het verkeer 

Rijden onder invloed van alcohol is een van de voornaamste oorzaken van verkeersongevallen in 
Europa (Fuller, 1995; Van Thienen, 2013). Ook de ernst van de verkeersongevallen neemt toe 
naarmate de bestuurder meer alcohol gedronken heeft. 

5. 1.3.1. De risico's van alcohol in het verkeer 

Impact van alcohol op rijvaardigheid 

Alcohol werkt in op het centrale zenuwstelsel met beïnvloeding van allerlei gedragsmatige en 
cognitieve vaardigheden (ICAP, 2005; Van Thienen, 2013). Gebruik van alcohol leidt tot 
vermindering van het reactievermogen, verminderde controle over de bewegingen, vermindering 
van de scherpte van gehoor en zicht en verenging van het gezichtsveld (net alsof men in een 


Collectieve arbeidsovereenkomst nr.100 van 1 aprii 2009 betreffende het voeren van een preventief alcohol- en drugbeleid in 
de onderneming. http://www.nar.be/cao-COORD/cao-100.pdf. 

European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions. Use of aicohoi and drugs at the workpiace. 
Dublin: EWCO 2012. http://www.eurofound.europa.eu/docs/ewco/tnllll013s/tnllll013s.pdf. 


Dossier Alcohol 


63 


tunnel rijdt). De consumptie van alcohol heeft daardoor ook effecten op het rijgedrag (SWOV, 
2011). De stuurtaak wordt slechter uitgevoerd waardoor de bestuurder meer gaat slingeren. 
Daarnaast neemt de reactiesnelheid af. Alcohol beïnvloedt het waarnemingsvermogen waardoor 
voetgangers, tegenliggers, verkeersborden, ... minder of later opgemerkt worden (Van Thienen, 
2013). Complexere situaties kunnen minder goed in de gaten worden gehouden omdat de ogen 
langer gefixeerd blijven op bepaalde objecten. Alcohol vergroot tevens de neiging om naar één 
kant te kijken. Het dieptezicht neemt af waardoor afstanden fout ingeschat worden. Door alcohol 
neemt ook het risico op slaperigheid toe. Doordat een bestuurder onder invloed van alcohol 
onverschillig wordt, zal hij ook minder geneigd zijn om zijn verminderde rijvaardigheid te gaan 
compenseren. 

Alcoholgebruik verhoogt het machtsgevoel, waardoor men denkt dat men de situatie volledig in de 
hand heeft terwijl dit net niet zo is (ICAP, 2005; SWOV, 2011). Veel mensen gaan dan ook 
nonchalanter rijden onder invloed van alcohol. Alcoholgebruik verhoogt tevens de kans op ander 
risicovol gedrag zoals te hard rijden of geen veiligheidsvoorzieningen nemen zoals het gebruik van 
een veiligheidsgordel of helm (Anderson, Moller & Galea, 2012). 

Bovenstaande effecten treden al op vanaf een alcoholgehalte van 0,5 promille (Van Thienen, 
2013). Studies tonen aan dat alcoholconsumerende bestuurders denken dat hun alcoholconsumptie 
geen effect heeft op het rijden of dat een a twee glazen hun rijvaardigheid zal verbeteren. Zolang 
ze zich niet dronken voelen, achten ze zich in staat te rijden (Meesmann & Boets, 2014). 

Alcohol verhoogt het ongevalsrisico 

Omdat een bestuurder van een voertuig in alle omstandigheden alert moet blijven, snel moet 
kunnen reageren op gevaarlijke situaties en afstanden en snelheden moet kunnen inschatten, is 
het duidelijk dat bestuurders die alcohol gedronken hebben meer kans hebben om in een ongeval 
betrokken te raken dan nuchtere chauffeurs (ICAP, 2005). Alle hierboven genoemde factoren 
zorgen er immers voor dat de kans op een ongeval beduidend toeneemt. 

Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat taken die verband houden met rijden al bij lage 
alcoholconcentraties in het bloed beïnvloed worden (Babor e.a., 2003; Meesmann en Boets, 2014). 
Vanaf een BAC-gehalte (bloedalcoholconcentratie) van 0,5%o tot 0,8%o wordt de achteruitgang in 
de prestaties opvallend. Rijden onder invloed van alcohol leidt tot een hoger ongevalsrisico. Het 
risico neemt exponentieel toe met hogere bloedalcoholconcentraties. Bij iemand met een BAC van 
0,5 promille is het ongevalsrisico ongeveer 40% hoger als dat van nuchtere bestuurder. Bij 1,0 
promille is het risico bijna vier keer zo hoog, en bij een BAC van 1,5 promille is het ongevalsrisico 
zelfs meer dan 20 keer zo hoog als dat van een nuchtere automobilist (SWOV, 2011). Het risico op 
een dodelijk ongeval vergroot bij 0,5 promille met 2,5 keer, bij 0,8 promille met 4,5 maal en bij 
1,5 promille met 16 keer (Van Thienen, 2013). 

Voor onervaren jonge volwassenen en tieners zijn de risico's nog hoger en stijgen ze snel met 
toenemende BAC (Anderson, Moller & Galea, 2012). Op elk BAC-niveau hebben bestuurders tussen 
16 en 20 jaar drie keer meer kans om een ongeval te hebben dan bestuurders die ouder zijn dan 
30 jaar. 

Ook de ernst van de verkeersongevallen neemt toe naarmate men meer alcohol gedronken heeft. 
Bestuurders met meer dan 1,5 promille alcohol in hun bloed lopen ongeveer 200 keer zoveel risico 
om bij een verkeersongeval om het leven te komen dan nuchtere bestuurders (Go for zero, 2015). 

Er is met andere woorden een sterke relatie tussen het alcoholgehalte in het bloed en het risico op 
ongevallen. Een verhoogd risico op ongevallen doet zich ook nog enige tijd na het drinken voor. 
Onderzoek bij vliegtuigpiloten wees uit dat, zelfs wanneer de alcohol al enige tijd uit het lichaam 
is verdwenen, sommige vaardigheden nog niet onmiddellijk op hun normale niveau functioneren 
(Modell & Mountz, 1990). 


Dossier Alcohol 


64 


5. 1.3. 2. Overheidsinitiatieven 


Wanneer een iand maatregeien wii nemen om het rijden onder invioed aan banden te ieggen, is 
een beiangrijke eerste stap het vastieggen van de maximaie hoeveeiheid aicohoi in het bioed 
(Anderson & Baumberg, 2006). Aiie EU-ianden verbieden het rijden onder invioed van aicohoi 
(Anderson, Moiier & Gaiea, 2012). Vier ianden, nameiijk Tsjechië, Hongarije, Roemenië en 
Siovakije, hebben een zerotoierantie (WHO, 2013). De meeste ianden hanteren net zoais Beigië 
een grens van 0,5 promiiie voor particuiiere bestuurders^®. 

In Beigië is het rijden onder invioed van aicohoi sinds 1968 geregiementeerd via de wet 
betreffende de poiitie over het wegverkeer (of verkeerswet). Toen ging men er van uit dat 
bestuurders (van aiie voertuigen) maximum 0,8 promiiie aicohoi in hun bioed mochten hebben om 
net niet strafbaar te zijn. Mede onder invioed van de Europese uniformisering heeft Beigië vanaf 1 
december 1994 deze grens veriaagd naar 0,5 promiiie^®. Vanaf 0,5 promiiie aicohoi in het bioed is 
rijden (met de wagen, de motorfiets of brommer én met de fiets) strafbaar. 

Sinds 1 januari 2015 is de maximaai toegeiaten aicohoiconcentratie voor vrachtwagenbestuurders, 
bus- en taxichauffeurs en andere professioneie bestuurders veriaagd naar 0,2 promiiie (Wegcode, 
2015a). 


Alcoholcontroles 

Voigende personen kunnen een controie inzake aicohoi in het verkeer ondergaan (Van Thienen, 
2013): 

• Iedereen die op een openbare piaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder 
begeieidt met het oog op schoiing. 

• Iedereen die op het punt staat om op een openbare piaats een voertuig of een rijdier te 
besturen of te begeieiden. 

• Vermoedeiijke daders van verkeersongevaiien of iedereen die het mee kon veroorzaken 
(dus niet aiieen bestuurders maar ook voetgangers of passagiers). 

De aicohoitest bevat een ademtest en een ademanaiyse. Eventueei gebeurt een bioedafname door 
een arts. De eerste vaststeiiing gebeurt met een ademtesttoestei. De aicohoiconcentratie wordt 
gemeten in miiiigram per iiter uitgeademde aiveoiaire iucht (mg/i UAL). Wanneer een 
aicohoiconcentratie van minstens 0,22 mg/i UAL wordt gemeten wordt overgegaan tot een 
ademanaiyse met een gehomoiogeerd ademanaiysetoestei. In een aantai gevaiien wordt 
overgegaan tot het afnemen van een bioedstaai bijvoorbeeid bij weigering of wanneer ademtest of 
ademanaiyse niet konden uitgevoerd worden en de persoon toch duideiijk dronken is. 


ALCO HOLS LOT 

Met de wet van 12 juii 2009®° voerde Beigië het aicohoisiot in (Wegcode, 2015b). Deze wet geeft 
de rechter de mogeiijkheid om aan bestuurders die onder invioed van aicohoi rijden (voorai de 
recidivisten) de geidigheid van het rijbewijs te beperken tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met 
een aicohoisiot en dit voor een minimaie periode van één jaar tot maximaai vijfjaar of voorgoed. 
De veroordeeide dient zich te schikken naar de voorwaarden van het omkaderingsprogramma, een 
vormings- en begeieidingsprogramma dat de veroordeeide doet stiistaan bij rijden en 
aicohoigebruik en bij zijn gedrag in het verkeer in het aigemeen®T Het voertuig moet op kosten 
van de veroordeeide uitgerust worden met een systeem dat het starten biokkeert wanneer er een 


Zie bijlage 5 voor een overzicht van de BAC-niveaus in het verkeer in Europa. 

Zie bijlage 2 voor een overzicht van de boetes en andere maatregelen die kunnen genomen worden bij alcoholgebruik in het 
verkeer. 

B.S. 15 oktober 2009 met inwerkingtreding op 1 oktober 2010. 

Het koninklijk besluit betreffende de installatie van het alcoholslot en het omkaderingsprogramma verscheen in het 
Staatsblad van 9 december 2010 en brengt meer duidelijkheid over de uitvoeringsmodaliteiten. Meer info over het 
omkaderingsprogramma is te vinden op http://www.bivv.be/nl/particulieren/alcoholslot. 


Dossier Alcohol 


65 


alcoholconcentratie gedetecteerd wordt van ten minste 0,09 mg/L uitgeademde alveolaire lucht (of 
0,2 promille). 

De kosten van de installatie en het gebruik van het alcoholslot en die van het 
omkaderingsprogramma kunnen eventueel door de rechter afgetrokken worden van de door hem 
opgelegde geldboete. 


BOB-campagnes 

Al twintig jaar kennen we in België de BOB-campagne die geleid wordt door het Belgisch Instituut 
voor Verkeersveiligheid (BIVV) (Belgische Brouwers, 2015; BIVV, 2015). De Belgische Brouwers 
ondersteunen deze campagne. De BOB-campagne werkt volgens het principe dat wie BOB is, zich 
ertoe verbindt tijdens het uitgaan geen alcohol te drinken. Zo kan BOB zijn/haar vrienden nadien 
weer veilig naar huis brengen. 


5.1.4. Alcohol en sport 


5. 1.4.1. Alcohol in sport en sportsponsoring 

Hoewel de combinatie alcohol en sport in eerste instantie vreemd in de oren klinkt, ziet men maar 
al te vaak dat er op plaatsen waar gesport wordt ook heel wat alcohol wordt gedronken. Vandaar 
dat de vraag gesteld kan worden of alcohol in de sport geen cultuur op zich is. Jarenlang al heeft 
het sportleven banden met alcohol en zijn producenten. Sportwedstrijden worden vaak gesponsord 
door brouwerijen of drankenhallen (zo is Jupiler bv. al meer dan 20 jaar partner van het Belgische 
voetbal, onder meer als sponsor van de Rode Duivels en de Jupiler Pro League. Ook grote 
internationale sporttornooien zoals wereldbekers voetbal of rugby en Formule 1, worden meestal 
gesponsord door de alcoholindustrie (Games, 2015). Daarnaast is alcohol nog steeds de meest 
verkochte drank op sportwedstrijden. Bij veel sporten is de kantine dan ook het trefpunt van de 
vereniging. Het is een plaats waar overwinningen worden gevierd of waar men napraat over de 
verloren wedstrijd (Snow, 2001). 

Het aanzwengelen van de alcoholverkoop in sportsettings blijft niet beperkt tot grote sportstadions 
en -evenementen. In Australië ontvangt 80 a 90% van de sportclubs op de één of de andere 
manier sponsoring van de alcoholindustrie (Sawyer et al., 2012). Wanneer alcoholproducenten een 
sportclub sponsoren, is niet alleen hun logo te vinden op de website van de club (De Bruijn, van 
den Wildenberg, & van den Broeck, 2012). Ook het stadion, het evenement of de sporthal kunnen 
genoemd worden naar het alcoholmerk. In België kennen we bijvoorbeeld de Cristal arena, 
het stadion van voetbalclub KRC Genk, genoemd naar de pils Cristal Alken van brouwerij Alken 
Maes. Daarnaast kunnen de alcoholische dranken van het merk in de kantine/bar van de sportclub 
verkocht worden. Zo associeert het merk zich met de sport, de sportclub, het sportieve succes, de 
loyaliteit van de fans en haar positieve imago in de samenleving. Directe sponsoring van 
'gebruikers' komt ook vaak voor onder de vorm van het betalen van team- of clubgeld, het betalen 
van het uniform of de reiskosten of het leveren van producten (0'Brien, Miller, Kolt, Martens, & 
Webber, 2011). 

Verschillende studies bekeken de impact van directe alcoholsponsoring (sponsoring van team, 
individu of club) op het drinken van personen (0'Brien & Kypri, 2008; 0'Brien, Miller, Kolt, 
Martens, & Webber, 2011; 0'Brien, Ferris, Greenlees, Jowett, Rhind, Cook, & Kypri, 2014). Andere 
studies keken naar de impact van blootstelling aan sportsponsoring door het kijken naar 
wedstrijden (de Bruijn, Tanghe, Beccaria, Bujalski, Celata, Gosselt, Schreckenberg, & Slowdonik, 
2012). Daaruit blijkt dat blootstelling aan alcoholsponsoring in sport geassocieerd is met 
toenemend alcoholgebruik en riskant drinken bij kinderen en bij sporters. 


Dossier Alcohol 


66 


Ook ander onderzoek over de rol van sportsponsoring door de alcoholindustrie (0'Brien & Kypri, 
2008) wees uit dat er een relatie bestaat tussen sponsoring van sportclubs door 
alcoholproducenten en overmatig drinken door de sporters. Het bleek dat de groep sporters 
waarvan de club werd gesponsord door een alcoholproducent vaker steviger dronk (bingedrinken) 
dan de sporters van een club die niet door een alcoholproducent werd gesponsord. Veel 
sponsordeals hadden betrekking op gratis drank en sterk gereduceerde tarieven na een wedstrijd. 
De sporters gaven aan zich vaak 'verplicht' te voelen het product van de sponsor te nuttigen. 

In iets recenter onderzoek bij Australische sporters van 18-45 jaar, waarvan de meesten in 
clubverband speelden, gaf 31% aan sponsoring te krijgen (waarvan 30% van alcoholindustrie, 
1,5% enkel van niet-alcoholindustrie en 4% van beide) (0'Brien, Miller, Kolt, Martens, & Webber, 
2011). Het krijgen van sponsoring van de alcoholindustrie voorspelde hogere scores op de 'Alcohol 
Use Disorders Identification Test' (AUDIT). Sponsoring door de niet-alcoholindustrie of door zowel 
alcohol- als non-alcoholindustrie had geen significant effect op de AUDIT-scores. 

Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk toonde aan dat universiteitsstudenten die sporten en die 
sponsoring kregen (persoonlijk of op het niveau van de club) van de alcoholindustrie, meer alcohol 
dronken en meer kans hadden op problematisch drinken dan universiteitsstudenten die sporten en 
geen sponsoring ontvingen van de alcoholindustrie (0'Brien, Ferris, Greenlees, Jowett, Rhind, 
Cook, & Kypri, 2014). In een longitudinale studie bij scholieren (gemiddelde leeftijd 13,95 jaar) in 
Duitsland, Italië, Nederland en Polen vonden de Bruijn et al. (2012) dat een hogere blootstelling 
aan sportsponsoring de kans verhoogde dat jongeren positieve verwachtingen hadden over alcohol. 
Daarbovenop verhoogde meer confrontatie met het zien van alcoholsportsponsoring de kans dat 
adolescenten (starten met) drinken en de frequentie van drinken. 


5. 1.4. 2. Verband tussen sport en alcoholgebruik 

Onderzoeksresultaten geven aan dat sportbeoefening risicoverhogend is voor alcoholgebruik 
(Fujimoto et al., 2013; Tamminen et al., 2012; Henchoz et al., 2014; Diehl et al., 2012). Twee 
reviewstudies vonden eveneens een verband tussen sport en alcoholgebruik bij adolescenten: 
jongeren en jongvolwassenen die sport beoefenen vertoonden een hoger alcoholgebruik dan 
leeftijdsgenoten die niet sporten (Kwan et al., 2014; Lisha & Sussman, 2010). 

Tal van onderzoeken vonden een verband tussen de soort sport en de omvang van alcoholgebruik. 
Zowel Amerikaanse (Kulesza et al., 2014; Terry-McElrath et al., 2011) als Europese onderzoeken 
(Wichström & Wichström, 2009; Diehl et al., 2012; Martha et al., 2009; Guagliardo et al., 2006) 
vonden dat vooral teamsporten risicoverhogend bleken voor alcoholgebruik. Daarnaast spelen ook 
de intensiteit en de frequentie van de sportbeoefening enerzijds en anderzijds het niveau waarin de 
sporter in competitie is een rol. Over het verband tussen intensiteit en frequentie van de 
sportbeoefening en alcoholgebruik zijn de gevonden onderzoeksresultaten echter niet eenduidig 
(Guagliardo et al., 2006; Terry-McElrath & 0'Malley, 2011; Terry-McElrath et al., 2011; Vest & 
Simpkins, 2013; Mays et al., 2010). Wat het niveau van sportbeoefening betreft, lijken de 
gevonden onderzoeksbevindingen aan te geven dat sport op lagere niveaus meer alcoholgebruik 
impliceert (Martha et al., 2009). 

Verder blijkt er ook een link te bestaan tussen alcohol en sport met betrekking tot de motivatie van 
de meeste sporters om te gaan sporten. Wanneer men sport en socialisatie (bv. een pintje na de 
training of match) als twee aparte delen beschouwt, blijkt dat het socialisatiegebeuren (na de 
sport) minstens zo belangrijk is als het sporten zelf (Devriendt, 2001). Drinkcultuur, groepsdruk, 
sociale normering, modelling, ... het lijkt allemaal een rol te spelen in de mate waarin sporters - en 
dan vooral teamsporters - in mindere of meerdere mate alcohol drinken in hun sportomgeving. 
Nederlands onderzoek stelt dat teamsporters algemeen genomen een vrij permissieve houding 
hebben tegenover alcoholgebruik, zowel algemeen als in teamverband: 60% vindt alcohol 
onmisbaar in het team en zou een teamkantine zonder alcohol vreemd vinden. Alhoewel 37% van 
de sporters aangeeft dat volgens teamgenoten alcoholgebruik erbij hoort, lijkt de impact van 
sociale druk en normering eerder gering. Slechts weinigen voelen sociale druk om te drinken of 

.i 


Dossier Alcohol 


67 


laten zich beïnvloeden door het drankgebruik van teamgenoten. Bij diegenen die wel sociale druk 
voelen, heeft dit wel gevolgen: hoe sterker de sociale invloed wordt aangevoeld, hoe meer er na de 
wedstrijd gedronken wordt (Driessen & te Rietstap, 2009). 

Anderzijds merken we in Vlaanderen dat het feit dat men sportief is door een groot deel van de 
jongens in het secundair onderwijs als motief wordt genoemd om geen alcohol te drinken (Melis, 
2015). 


5. 1.4. 3. Risico's en gevolgen van alcoholgebruik in sportsettings 

Sinds de jaren tachtig is er voldoende bewijs om te stellen dat acute of chronische 
alcoholconsumptie geen positieve invloed heeft op de sportprestatie (Gutgesell & Canterbury, 
1999; Pesta et al., 2013). Chronisch alcoholgebruik verstoort niet alleen de eiwitsynthese die nodig 
is om te recupereren na een intensieve sportpraktijk, maar werkt ook negatief in op hartspieren en 
skeletspieren (Pesta et al., 2013; Barnes, 2014). Alcoholgebruik zorgt er immers voor dat de 
bloedvaten verwijden waardoor het hart meer moeite moet doen om het bloed te laten circuleren. 
Hierdoor komen de spieren bloed tekort waardoor de prestatie afneemt. De sportprestatie wordt 
echter ook nog op een andere manier gereduceerd. Om te sporten hebben de spieren energie 
nodig (suikers). Deze suikers komen voornamelijk van de lever, waar ze opgeslagen liggen. Als 
men alcohol heeft gedronken, worden deze suikers gebruikt voor het afbreken van alcohol en 
komen ze in mindere mate in de spieren terecht. Tijdens het sporten wordt er in onze spieren 
melkzuur geproduceerd, dat in onze lever afgebroken wordt. Alcohol speelt in dit verband een 
dubbele rol. Ten eerste zal de lever opnieuw de voorkeur geven aan de afbraak van alcohol, 
waardoor het melkzuur langer in de spieren achterblijft. Daarnaast wordt er door de afbraak van 
alcohol ook nog eens extra melkzuur geproduceerd. Resultaat van dit alles: spiervermoeidheid en 
spierstijfheid. Alles bij elkaar kunnen we stellen dat alcohol de sprintsnelheid vermindert met 
ongeveer 10% en de sprongkracht met ongeveer 6%. Alcohol zorgt ten slotte nog voor een daling 
van onze temperatuur (door het verwijden van de bloedvaten) en voor een vochtafd rijvend effect, 
waardoor uitdrogingsverschijnselen sneller de kop opsteken (Conor, 1993). Bij getrainde 
wielrenners bleek een kleine dosis alcohol in het bloed al voldoende om de zuurstofopname, de 
C02-productie en de glucose-oxidatie te verstoren, waardoor de uithouding duidelijk negatief werd 
beïnvloed (Lecoultre & Schutz, 2009). 

Uiteraard zijn het niet alleen de mensen die sporten die graag een glas alcohol drinken. Ook 
supporters, zowel actieve (op de wedstrijd) als passieve (thuis), lusten graag een glas. In dit 
opzicht moet aangestipt worden dat het gebruik van alcohol voor problemen kan zorgen omdat het 
de gemoederen kan doen verhitten, eventueel uitmondend in agressie. Alcohol versterkt namelijk 
de gevoelens en verlaagt onze remmingen, waardoor sommige mensen sneller agressief worden. 
Ook sporters die alcohol drinken stellen vaker daden van agressie en vandalisme in vergelijking 
met niet-sporters die alcohol drinken (Sonderlund et al., 2014). Dit verband werd zowel in de 
Verenigde Staten als in Australië 

aangetoond (0'Brien, Kolt, Martens, Ruffman, Miller & Lynott, 2012), alsook in Italië (Siciliano et 
al., 2013). 

Een ander probleem stelt zich met betrekking tot het vervoer naar huis. Want, is men nu speler of 
supporter, de risico's van alcohol in het verkeer blijven niet te onderschatten. Voor 
sportbeoefenaars die na het sporten graag een glaasje drinken zijn deze risico's extra groot. De 
vermoeidheid versterkt immers de effecten van alcohol met een slaperig gevoel en een 
achteruitgang van het beoordelings- en reactievermogen als gevolg (Twigt & Kal, n.d.). 


Dossier Alcohol 


68 


5.1.5. Alcohol en uitgaan 


Het meest gebruikte middel bij uitgaanders is alcohol (De Donder, 2014). Veel alcoholgebruik door 
jongeren vindt plaats in openbare drinkgelegenheden zoals cafés, bars, clubs. Vlaamse uitgaanders 
drinken alcohol vooral tijdens het uitgaan en minder voor ze uitgaan. In het VAD- 
uitgaansonderzoek werd gevonden dat frequenter cafébezoek samenging met frequenter 
alcoholgebruik (Rosiers, 2013). 

Als zich problemen voordoen tijdens het uitgaan, heeft dit vaak te maken met teveel alcohol 
drinken (Schrooten, 2013). Het gaat dan over gezondheidsproblemen, maar ook over problemen in 
het verkeer en agressie. Overmatig alcoholgebruik speelt vrijwel altijd een rol bij uitgaansgeweld 
(Lemmers & van Hasselt, 2014). De meeste daders, maar ook slachtoffers, zijn onder invloed van 
alcohol. Uitgaansgeweld is veelal een reactie op een aanleiding in de uitgaansomgeving en heeft tot 
doel om een andere persoon fysieke of geestelijke schade toe te brengen of om goederen te 
beschadigen. Er kan sprake zijn van impulsieve uitgaansagressie (bv. door verkeerd begrepen 
opmerkingen, een meisje dat wordt lastiggevallen, ...) maar ook van instrumenteel uitgaansgeweld 
wat van te voren is gepland. In dat laatste geval wordt alcohol vaak bewust gebruikt om 
remmingen vooraf weg te nemen zodat men ongeremd agressief kan zijn. 

Goed georganiseerde drinklocaties kunnen een zekere mate van sociale bescherming bieden aan 
drinkers (bv. voorkomen dat aan dronken klanten nog meer alcohol geschonken wordt) (Hughes et 
al., 2011). Tegelijkertijd kan het samenkomen van een groot aantal drinkers op openbare plaatsen 
omstandigheden creëren die aanleiding kunnen geven tot schade (bv. confrontatie met agressie 
van vreemden). In openbare drinkgelegenheden komt dus veel alcoholgerelateerde schade voor 
waaronder dronkenschap, agressie, aanranding, verstoring van de openbare orde, onbedoelde 
schade, rijden onder invloed en verkeersongevallen. Studies hierover lijken aan te geven dat een 
groot deel van de alcoholgerelateerde incidenten zich afspeelt rond een klein deel van de 
drinkgelegenheden. Factoren die bijdragen aan alcoholgerelateerde problemen zijn een tolerante 
omgeving, scherp geprijsde drankpromoties, slechte hygiëne, veel volk, luide muziek en niet goed 
opgeleid personeel. In de Amphora-studie in Europese uitgaanssteden werd eveneens gevonden 
dat drukke, vuile uitgaansplekken en vooral een toegeeflijke omgeving de hoogste niveaus van 
alcoholintoxicatie onder hun bezoekers hadden, evenals meer alcoholgerelateerde incidenten 
(Hughes et al., 2013). Er werd in dit onderzoek ook een sterk verband gevonden tussen plastiek 
glazen en zowel alcoholintoxicatie als alcoholgerelateerde schade (zie ook hoofdstuk 7.5.). 
Daarnaast werd een associatie gevonden tussen de promotie van niet-alcoholische dranken en 
verhoogde intoxicatieniveaus. Dit is niet zo vreemd aangezien dit net maatregelen zijn die vaak 
genomen worden door hoog risico drankgelegenheden om precies de alcoholgerelateerde schade te 
beperken. 


5.1.6. Alcohol en agressie, geweld en criminaliteit 


5. 1.6.1. Verband tussen alcoholgebruik en geweld 

Alcohol speelt zonder twijfel een belangrijke rol bij agressie en allerhande vormen van criminaliteit, 
in het bijzonder bij geweldsmisdrijven. Alcoholconsumptie verhoogt de frequentie en de mate van 
agressief gedrag, en het effect is sterker naarmate de dosis hoger is (Lammers, Soe-Agnie, de 
Haan, Bakkum, Pomp & Nijman, 2014). Onderzoek wijst uit dat bij ongeveer de helft van alle 
criminele feiten de dader onder invloed van alcohol is (o.a. Abbey et al., 2004; Beek & Heinz, 
2013). Van de patiënten die op spoed binnenkomen met verwondingen door geweldmisdrijven ging 
dit in 63% van de gevallen gepaard met alcoholgebruik bij slachtoffer, dader of beiden (Cherpitel, 
Ye, Bond, Room & Borges, 2012). 44,5% van deze patiënten met een letsel door geweld was ervan 
overtuigd dat de andere alcohol had gedronken. Ook blijkt dat hoe hoger de alcoholconsumptie is. 


Dossier Alcohol 


69 


hoe groter het risico is om zelf schade te ondervinden van dronken personen (Rossow & Hauge, 
2004). 

De relatie tussen alcohol en criminaliteit is afhankelijk van factoren gerelateerd aan de persoon van 
de drinker (zoals geslacht en leeftijd), het normatieve kader van de drinker, temperament en 
algemeen afwijkende opvattingen (Martin, 2001). 

Gewelddadig gedrag komt voor bij 16-50% van alcoholafhankelijke patiënten (Beek & Heinz, 
2013). Toch zal een acute episode van zwaar drinken meer invloed hebben op agressie dan 
chronisch alcoholgebruik op zich. Ook kan één episode van bingedrinken reeds gepaard gaan met 
agressie, geweld en verwondingen. 

Er is een grote individuele variabiliteit die gemedieerd wordt door persoonskenmerken (zoals 
vijandigheid, hoge mate van geïrriteerdheid, neiging tot sensatiezoekend gedrag, antisociale 
kenmerken, verminderd executief functioneren (Beek & Heinz, 2013; Lammers et al., 2014) en 
door persoonlijke verwachtingen over het effect van alcoholgebruik (Beek & Heinz, 2013). 
Daarnaast is ook sprake van een interactie tussen genen en omgevingsinvloeden (Beek & Heinz, 
2013). 

Een blik op genderverschillen in verband met alcohol en criminaliteit leert dat de relatieve 
afwezigheid van vrouwen bij agressie-incidenten en vechtpartijen waarschijnlijk voor een groot 
deel verklaard kan worden door culturele normen (Rolfe et al., 2006). Wel lopen vrouwen het risico 
om slachtoffer te worden van het drinkgedrag van anderen. Zo wordt alcohol bijvoorbeeld gelinkt 
aan seksuele aanranding en verkrachting. Onderzoek naar deze vormen van criminaliteit wijst uit 
dat een groot aantal slachtoffers van geweld, inclusief seksuele misdrijven, zelf onder invloed was 
op het moment van het misdrijf (lAS, 2007). Uit de literatuur blijken duidelijk twee patronen 
(Wilsnack, Wilsnack & Kantor, 2011). Ten eerste is het risico op aanranding hoger bij vrouwen met 
een patroon van bingedrinken of problematisch alcoholgebruik. Ten tweede is er voor vrouwen 
meer kans op verkrachting of aanranding wanneer ze dronken zijn op dat moment of wanneer dit 
hun typisch drinkpatroon is. 

In ongeveer de helft van de al dan niet gerapporteerde daden van seksueel geweld speelt 
alcoholgebruik een rol bij de dader, het slachtoffer of beide (Abbey, 2011; Kraanen &, Emmelkamp, 
2011). Een kwart tot de helft van de seksuele delinquenten is op het moment van de feiten onder 
invloed (Kraanen &, Emmelkamp, 2011). Onderzoek geeft aan dat de gemiddelde screeningscores 
voor alcoholmisbruik hoog waren bij daders van seksuele delicten. De meeste studies vonden 
tevens dat alcoholmisbruik meer voorkwam bij seksueel delinquenten dan bij niet-seksueel 
delinquenten. Er is geen eenvoudig antwoord op de vraag of alcoholgebruik seksueel geweld 
veroorzaakt. Volgens Abbey (2011) zijn er drie mogelijkheden. Ten eerste kan alcoholgebruik 
seksueel geweld veroorzaken. Ten tweede kan de drang om seksueel geweld te plegen de oorzaak 
zijn van alcoholgebruik (bv. alcoholgebruik kan dan als excuus gebruikt worden). Tot slot kan zowel 
alcoholgebruik als seksueel geweld veroorzaakt worden door andere variabelen (bv. impulsiviteit). 
Welke oorzaak precies speelt is van belang voor preventie en behandeling. Zo zal bv. het beperken 
van de beschikbaarheid van alcohol een effect hebben in het eerste geval maar niet wanneer ook 
persoonlijkheidskenmerken meespelen. Onderzoek geeft aan dat mensen agressiever worden 
wanneer ze gedronken hebben. Deze effecten zijn echter het sterkst voor personen die al 
'voorbestemd' waren om agressief te worden. Over het algemeen zijn de 

persoonlijkheidskenmerken, attitudes, en vroegere ervaringen van daders van seksueel geweld die 
tijdens het geweld alcohol drinken dezelfde dan daders die niet dronken. Intoxicatie zal dus eerder 
een belangrijke determinant zijn voor wanneer iemand seksueel geweld pleegt dan wel voor wie 
seksueel agressief wordt. 

Bijzondere aandacht verdient datinggeweld bij jongeren. Rothman et al. (2011) vonden in hun 
review dat hoger alcoholgebruik het risico op geweld tijdens het daten bij jongeren verhoogt. Het 
gaat dan over frequenter of grotere hoeveelheden drinken, bingedrinken en probleemdrinken. 


Dossier Alcohol 


70 


5. 1.6. 2. Verklaringen voor geweld onder invloed van alcoholgebruik 


In de literatuur vinden we drie grote verklaringen voor gewelddadig gedrag onder invloed van 
alcohol (Lammers et al., 2014) waarin we tevens het MMM-model herkennen: 

• de farmacologische effecten van alcohol, 

• de opvattingen die men heeft over geweld, seksualiteit en alcohol, 

• de context, socioculturele factoren en sociale omgeving. 

Een verklaring kan gevonden worden in de effecten die alcohol heeft op bepaalde fysiologische 
processen. Zo heeft alcohol bijvoorbeeld een aanzienlijke invloed op het GABA-benzodiazepine- 
receptor-complex in de hersenen, wat kan leiden tot verminderde angstgevoelens over de gevolgen 
van agressief gedrag. Alcohol beïnvloedt ook het dopaminesysteem wat op zijn beurt kan leiden tot 
zwaardere vormen van agressie (Martin, 2001). Virkkunen en Linnoila (1993) vonden dat drinken 
initieel het serotonineniveau doet stijgen maar onmiddellijk daarna weer doet dalen. Hierdoor 
zouden de effecten van dopamine verhoogd worden, wat de impulscontrole van drinkers doet dalen 
waardoor de kans op agressie dan weer aanzienlijk kan stijgen. Het gebruik van alcohol legt 
daarenboven beperkingen op aan het cognitieve functioneren, wat de mogelijkheden op het denken 
in vredelievende oplossingen voor opduikende problemen kan verminderen (Martin, 2001). Door de 
verslechtering van het cognitief functioneren is er onder invloed van alcohol selectief aandacht voor 
bepaalde aspecten van een situatie ('alcoholbijziendheid'), kiest men in sociale situaties die de 
mogelijkheid van agressie in zich dragen minder geschikte gedragsopties, kan men in gang gezet 
gedrag moeilijk afremmen en eigen gedrag niet goed beoordelen op zijn effecten (Lammers et al., 
2014; Beek & Heinz, 2013). 

Niet iedereen die gedronken heeft is echter gewelddadig. Farmacologische effecten kunnen een rol 
spelen bij gewelddadig gedrag, maar dat betekent niet dat geweldsmisdrijven die onder invloed van 
een psychoactief middel worden gepleegd, altijd (mede) worden veroorzaakt door de 
psychofarmacologische eigenschappen van de stof (Lammers et al., 2014). Het misdrijf zou met 
ander woorden ook gepleegd kunnen zijn als men niet onder invloed was geweest. 

Ook de sociale context waarin het drinken plaatsvindt, kan van invloed zijn op agressie. Denk 
hierbij maar aan activiteiten zoals bijvoorbeeld competitieve spelletjes. Ook de contacten met 
andere personen die gedronken hebben en hierdoor vatbaarder zijn voor agressie of agressie 
triggeren bij anderen, kan van invloed zijn. De sociale context kan agressie ook op een indirecte 
manier beïnvloeden door de impact die het heeft op de hoeveelheid alcohol die geconsumeerd 
wordt (Wells et al., 2005). 

Daarnaast leiden permissieve opvattingen over geweld tot meer agressieve responsen na 
alcoholgebruik (Lammers et al., 2014; Beek & Heinz, 2013). In een omgeving die permissief is ten 
opzichte van geweld en in situaties waarin gemakkelijk geweld optreedt, zoals bijvoorbeeld vaak in 
het uitgaansleven, zijn mensen eerder gewelddadig na alcoholgebruik. 

Er zijn ook relaties gevonden tussen bingedrinken en agressie bij jongeren en jongvolwassenen, en 
er zijn aanwijzingen dat de frequentie van drinken bij adolescenten gerelateerd is aan een 
toegenomen risico op agressie (Wells et al., 2005). Alcohol blijkt hier op te treden als een factor die 
bijdraagt tot de escalatie van geweld (Martin, 2001). Norström en collega's (2002) geven evenwel 
aan dat er rekening mee dient gehouden te worden dat vele vormen van agressie misschien ook 
plaats hadden gevonden in de afwezigheid van alcohol. De reden hiervoor zou kunnen liggen in een 
mogelijk gemeenschappelijke factor die verscholen zit achter excessief drinken en het betrokken 
geraken in gewelddadig gedrag. 


Dossier Alcohol 


71 


5.1.7. Alcoholgebruik en zelfdoding 


Volledigheidshalve moet ook de link tussen alcohol en zelfdoding vermeld worden. 
Alcoholafhankelijkheid of -misbruik is na depressie de tweede belangrijkste oorzaak van suïcide 
(Beek & Heinz, 2013). Bewijzen voor deze link zijn voornamelijk gebaseerd op retrospectieve en 
prospectieve cohortstudies en post-mortem psychologisch onderzoek ('psychological autopsy') 
(Wilcox et al., 2004). Reviews van dit soort studies tonen onomstotelijk aan dat alcohol- en 
druggerelateerde stoornissen sterk geassocieerd worden met zelfdoding (Cavanagh et al., 2003; 
Marris & Barraclough, 1997; Vijayakumar, Kumar & Vijayakumar, 2011) en suïcidepogingen 
(Vijayakumar, Kumar & Vijayakumar, 2011). Deze link is sterker bij suïcidepogingen en 
suïcidegedachten dan bij werkelijk uitgevoerde zelfdoding (Rossow et al., 1999; Rosiers, 2007). Dit 
geldt zeker voor vrouwen. Bij hen zijn suïcidegedachten vaak geassocieerd met zwaarder en 
frequenter drinken (Wilsnack, Wilsnack & Kantor, 2013). Wanneer gekeken wordt naar de 
suïcidecijfers blijkt uit zowel Europees als Amerikaans onderzoek dat tussen 15% en 41% van de 
zelfdodingen alcoholafhankelijken of probleemdrinkers waren (Rosiers, 2007). 


5.2. Maatschappelijke kosten en baten van alcoholgebruik 

Naast gevolgen voor het individu en de sociale omgeving van de drinker heeft alcoholgebruik een 
impact op de samenleving als geheel onder de vorm van ziektelast en sociale en economische 
kosten (WHO, 2014). 

Alcoholconsumptie en in het bijzonder alcoholmisbruik kan een zware kost betekenen voor een 
samenleving. In vergelijking met tabak en illegale drugs zijn de kosten die gepaard gaan met de 
aanpak van de negatieve gevolgen van alcoholmisbruik veel hoger. Net zoals bij de 
gezondheidsproblemen spelen drinkpatronen ook hier een grotere rol dan de hoeveelheid die 
gedronken wordt. Zo vonden Rhem & Gmel (1999) dat personen die een zwaar drinkpatroon^^ 
(relatief onafhankelijk van de hoeveelheid) aanhouden een groter risico lopen op het ervaren van 
negatieve sociale gevolgen. 

De maatschappelijke kosten die dit met zich mee kan brengen, kunnen onderverdeeld worden in 
directe en indirecte kosten (Klingemann, 2001; WHO, 2014): 

Directe kosten : 

o Gezondheids-, juridische en sociale zekerheidskosten (ongeveer 20% van de 
totale kosten van alcoholconsumptie). 

o Materiële schade, bijvoorbeeld als gevolg van verkeersongevallen (ongeveer 
10% van de totale kosten van alcoholconsumptie). 

Indirecte kosten (ongeveer 70% van de totale kosten van alcoholconsumptie): 
o Vroegtijdige sterfgevallen (voor de pensioenleeftijd), 
o Extra morbiditeit en werkloosheid, 
o Verlies aan productiviteit. 

Een derde type kost dat echter moeilijk meetbaar is, bestaat uit de immateriële kosten te wijten 
aan een verminderde kwaliteit van leven (WHO, 2014). 

Daarnaast kan ook de sociale schade van alcoholgebruik aan anderen worden becijferd. Navarro, 
Doran & Shakeshaft (2011) geven een overzicht van studies die een kostenberekening maakten 
van een of meerdere elementen van schade aan anderen. Deze studies keken hoofdzakelijk naar de 
impact van FAS en FASD, interpersoonlijk geweld, agressie en misdaad en verkeersongevallen. 

Tot slot zijn aan de productie van alcohol ook baten verbonden zoals extra belastinginkomsten en 
accijnzen (Pacolet et al., 2003). 


In dit onderzoek wordt daarmee verwezen naar het drinken van vijf of meer giazen per geiegenheid. 


Dossier Alcohol 


72 


5.2.1. Maatschappelijke kosten en baten van alcohol 

Een kwart van de wereldwijd geconsumeerde alcohol is afkomstig uit Europa en meer dan de helft 
van de wijnproductie vindt er plaats. Dit maakt dat Europa een centrale rol speelt in de wereldwijde 
alcoholmarkt. Ook de handel in alcohol is er geconcentreerd: 70% van de alcoholexport en net iets 
minder dan de helft van de wereldwijde import speelt zich af binnen de Europese Unie. Hoewel de 
meerderheid van deze handel plaatsvindt tussen Europese landen onderling, bedraagt de omvang 
van de handel op EU-niveau ongeveer € 9 miljard. In veel Europese landen is de economische 
betekenis van de alcoholindustrie dan ook aanzienlijk. Alcoholaccijnzen in de EU15 liepen op tot € 
25 miljard in 2001, verkoop- en andere vormen van belasting niet meegerekend (Anderson & 
Baumberg, 2006). 

Alcohol zorgt ook voor werkgelegenheid. Alleen al de alcoholproductie (voornamelijk wijn) levert 
meer dan driekwart miljoen banen op. Andere banen zijn te vinden op andere plaatsen in de 
bevoorradingsketen, zoals in de horeca of winkels. Maar de omvang van de alcoholindustrie is niet 
per definitie een goede indicator voor het economische belang van de factor alcohol. Trends in 
alcoholconsumptie tonen immers geen duidelijke correlatie met trends in het aantal banen in 
sectoren zoals hotels, restaurants en cafés. Dit suggereert dat het effect van verandering in de 
consumptie naar verhouding klein is. Een afname in de uitgaven aan alcohol zou volgens de 
verwachting leiden tot een toename in de uitgaven op andere gebieden, waarbij de economische 
impact afhangt van de precieze aard van de nieuw gekozen bestedingen. Meer onderzoek is nodig, 
maar de huidige cijfers suggereren dat een afname in alcoholconsumptie niet noodzakelijk leidt tot 
banenverlies in de economie als geheel (Anderson & Baumberg, 2006). 

Uitgaande van een analyse van bestaand onderzoek kan gesteld worden dat de totale materiële 
kosten van alcohol voor de EU in 2003 geschat werden op € 125 miljard (van € 79 miljard tot € 
220 miljard), wat gelijk is aan 1,3% van het bruto binnenlands product (bbp). Dit is ongeveer even 
hoog als is vastgesteld voor tabak (Anderson & Baumberg, 2006). Thavorncharoensap et al. (2009) 
maakten in hun iets recentere review, waarin ook landen buiten de EU werden bekeken, de 
berekening dat de economische kost van alcohol de maatschappij 0,45% (Portugal) tot 5,44% 
(Nieuw-Zeeland) van het bruto nationaal product (bnp) kost. 

Mohapatra et al. (2010) komen in hun studie, waarin eveneens niet Europese landen zijn 
opgenomen, uit op een globale kost van 1,58% van het bnp en voor alcoholafhankelijkheid en 
zwaar drinken^^ alleen op 0,96% van het bnp. 

Olesen et al. (2012) berekenden de economische kosten voor hersenaandoeningen in Europa 
waarbij tevens de kostprijs van alcoholafhankelijkheid werd becijferd. De totale jaarlijkse kost voor 
alcoholafhankelijkheid bedroeg volgens hen in Europa in 2010 € 62,3 miljard. 39% daarvan ging 
naar directe kosten voor gezondheidszorg (€ 24,6 miljard), 21,5% naar directe niet-medische 
kosten (€ 13,4 miljard) en 39% naar indirecte kosten (€ 24,3 miljard). De gemiddelde kost per 
inwoner bedroeg € 4.281. 

Ook Laramée et al. (2013) berekenden de economische kost van alcoholafhankelijkheid voor 
Europa. Voor 2012 varieerde de jaarlijkse totale directe kost op nationaal niveau tussen € 1 miljard 
en € 7,8 miljard, wat neerkwam op 0,04 tot 0,31% van het nationale bnp. Het grootste deel van de 
directe kosten is bestemd voor hospitalisatie van de alcoholafhankelijke patiënt (15% van het 
jaarlijks BNP per inwoner voor één patiënt). De indirecte kosten van alcoholafhankelijkheid 
bedroegen 0,64% van het jaarlijks bnp van Europa (€ 68 miljard). 

De immateriële kosten (geestelijke en lichamelijke schade samenhangend met aan 
alcoholgerelateerde criminaliteit, sociale gevolgen en gezondheidsproblemen veroorzaakt door 
alcohol) werden in 2003 geschat op € 270 miljard. Andere schattingen van deze kosten leverden 
bedragen op tussen de € 150 en 760 miljard (Anderson & Baumberg, 2006). 


Dit werd in het onderzoek gedefinieerd ais > 60 gram pure aicohoi voor mannen en > 40 gram pure aicohoi voor vrouwen. 


Dossier Alcohol 


73 


5.2.2. Maatschappelijke kosten en baten van alcohol in België^'* 

Op vraag van de federatie van de Belgische brouwerijsector voerde het Hoger Instituut voor de 
Arbeid (HIVA) in 1999-2001 een studie uit over de kosten en baten van alcoholgebruik/-misbruik in 
België (Pacolet et al., 2003)^^. Uit deze analyse blijkt dat de totale kost van alcoholgebruik in België 
€ 6 miljard bedraagt en de totale baat € 1,5 miljard. De bruto kost komt neer op 2,5% van het 
bbp. 


Directe gezondheidszorgkosten 

€ 0,5 miljard (9%) 

Directe verkeerskosten 

€ 1,5 miljard (24%) 

Directe kosten in de werkomgeving 

€ 2,2 miljard (36,5%) 

De overige directe kosten^® 

€ 50 miljoen (0,8%) 

De indirecte productiviteitsverlieskosten door morbiditeit 

€ 0,4 miljard (6%) 

De indirecte productiviteitsverlieskosten door mortaliteit 

€ 1,1 miljard (18,5%) 

Kost van transfers 

€ 0,3 miljard (5%) 

Totaal 

€ 6 miljard 


Tabel. Overzicht van sociale kosten van alcoholgebruik in België (Pacolet et al., 2003) 


45% van de kosten wordt gedragen door de gebruikers zelf (Pacolet et al., 2003). De overige 
burgers dragen € 0,3 miljard externe kosten en de bedrijven € 0,8 miljard. De overheid draagt met 
€ 2,2 miljard bijna 37% van de totale sociale kosten. 

Van de € 1,5 miljard aan baten komt de overheid 47,5% en de drinkers 52,5% toe. Als we de 
brutokost van € 6 miljard vergelijken met de brutobaat van € 1,5 miljard komen we op een 
nettokost van € 4,5 miljard of 1,8% van het bruto nationaal product. 

Belangrijk is dat de in deze studie becijferde kosten en baten niet de totale kosten en baten van 
alcoholgebruik zijn aangezien (1) de weerhouden en in geldtermen geschatte kostensoorten niet 
altijd volledig werden geschat, (2) door bepaalde assumpties en/of berekeningswijzen er mogelijk 
over- of onderschattingen kunnen optreden en (3) lang niet alle kosten en baten die door alcohol 
worden veroorzaakt zijn weerhouden (Pacolet et al., 2003). 

Vander Laenen et al. (2011) maakten voor het jaar 2008 een schatting van de overheidsuitgaven 
voor het Belgische drugbeleid binnen vier pijlers namelijk preventie, hulpverlening, 
schadebeperking en veiligheid. Alle uitgaven^^ verbonden aan de aanpak van het illegale en legale 
(alcohol, psychoactieve medicatie en tabak) drugprobleem werden daarvoor gemeten. Daaruit 
bleek dat 56,7% (€ 553,2 miljoen) van de totale druggerelateerde overheidsuitgaven bestemd was 
voor hulpverlening bij alcoholmisbruik en -afhankelijkheid. Daarnaast geeft de overheid € 74,7 
miljoen uit aan de strafrechtsbedeling met betrekking tot alcohol. Het grootste deel daarvan gaat 
naar opsporing en straftoemeting. 


Cijfers afkomstig uit: De Donder, 2006 

Onderzoekers van de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel maken in het SOCOST-onderzoek een nieuwe 
berekening van de sociale kosten van het gebruik van legale (waaronder alcohol) en illegale drugs in België. De resultaten van 
dit onderzoek zijn op het moment van de eindredactie van het dossier alcohol nog niet beschikbaar. 

Daarmee wordt bedoeld: het deel van de totale uitgaven aan politiediensten, gerechtelijk apparaat en gevangeniswezen dat 
toe te schrijven is aan alcoholgebruik. 

In dit onderzoek wordt geopteerd om vanuit het rechtstreeks karakter van overheidsuitgaven te starten en bijgevolg de 
proactieve uitgaven te meten, waarbij de beleidsacties expliciet gericht zijn op de drugproblematiek. 


Dossier Alcohol 


74 


6. Alcohol in combinatie met andere drugs 


Wanneer alcohol samen met andere middelen wordt gebruikt, kunnen er zich een aantal specifieke 
problemen voordoen. Onderzoek wijst uit dat alcohol zowel met illegale drugs als met legale drugs 
wordt gecombineerd. Sommige combinaties komen veelvuldig voor en worden bijna als normaal en 
ongevaarlijk beschouwd (bv. alcohol en nicotine), terwijl andere minder bekend en erg gevaarlijk 
zijn (bv. alcohol en GHB). Sommigen worden zeer bewust gekozen, terwijl andere combinaties 
eerder een gevolg van toevalligheden of omstandigheden zijn. 

6.1. Redenen om alcohol te combineren met andere drugs 

In de literatuur zijn er een aantal redenen terug te vinden waarom mensen drugs combineren. 
Nabben en Korf (2000) spreken in deze context over het versterken, afzwakken of combineren van 
effecten : 

Versterken (potentiëren): alcohol wordt hier gecombineerd met een andere drug om de 
effecten van alcohol of het gedeelde effect te versterken (bv. alcohol en benzodiazepines). 
Deze interactie wordt ook wel multiplicatief of synergie genoemd en kan als volgt 
uitgedrukt worden: 1 + 1 = 3. 

Afzwakken (inhiberen): men combineert een bepaalde drug met een ander product om de 
negatieve aspecten ervan af te zwakken (bv. alcohol na stimulantia). Dit wordt ook wel een 
antagonistische reactie genoemd en kan worden voorgesteld met de vergelijking 1 + 1 = 0. 
Combineren (additief effect): verschillende producten worden gecombineerd om een 
aangename balans te vinden (1 + 1=2) tussen de verschillende effecten (bv. amfetamines 
en alcohol). 

Clayton (1986) spreekt in dit verband van versterken en neutraliseren maar heeft het daarnaast 
ook over het vervangen van een ander middel en het conformeren aan de gebruikelijke norm in 
verband met het gebruik van drugs. 

Vervangen van een ander middel: door de combinatie van een aantal middelen probeert 
men ongeveer dezelfde effecten te bereiken als deze van een welbepaald middel. Men doet 
dit omdat het gewenste middel niet voorhanden is of dat de kwaliteit ervan erg laag is. 
Conformeren aan de gebruikelijke norm: bij sommige producten is het zo vanzelfsprekend 
dat ze gecombineerd worden dat dit al een reden op zich is om ze te combineren (bv. 
alcohol en nicotine) (Galanter, 1986). 

Naast voornoemde redenen om producten te combineren zijn er, volgens Nabben en Korf (2000), 
ook nog een aantal factoren die een belangrijke rol spelen bij het al dan niet combineren. Zo 
spelen de omgeving, de vriendenkring en de sfeer een belangrijke rol bij het overwegen van 
combigebruik. 'Alleen zijn' en 'nog verplichtingen hebben', zijn voorbeelden van redenen om geen 
middelen te gaan combineren. 


6.2. Effecten en risico's van combinaties van alcohol met andere producten 
6.2.1. Alcohol en nicotine 

Deze combinatie is het populairst in de Westerse wereld. Welke mechanismen maken dat deze 
combinatie frequent wordt gebruikt, is nog steeds niet geheel duidelijk. Ondanks het feit dat het 
een onschuldige combinatie lijkt, is dit zeker niet zo. In het algemeen kan gesteld worden dat 
alcohol en nicotine tegengestelde effecten hebben op de gemoedstoestand en op het 
psychomotorisch functioneren (respectievelijk verdovend en licht stimulerend) (Perkins, 1997; 
Hurley et al., 2012). Of er een antagonistische werking is, wordt echter ook in vrij sterke mate 
bepaald door eventueel andere variabelen die gemeten worden (Lecesse et al., 2000). Het samen 


Dossier Alcohol 


75 


gebruiken van alcohol en nicotine heeft een duidelijk additief stimulerende invloed op de bloeddruk 
en de hartslag. De combinatie leidt tot een vertraagde absorptie van alcohol met bijhorende lagere 
piekwaarden in het bloed (Dermody & Donny, 2014). 

Mensen met een hoog alcoholgebruik hebben een grotere kans om ook veel tabak te gebruiken 
(met de aan tabakgebruikgerelateerde gezondheidsrisico's tot gevolg). Dit effect geldt ook in de 
andere richting. Anthony et al. (2001) tonen daarenboven aan dat het gebruik van een van beide 
drugs de kans op voortgezet gebruik van de andere drug verhoogt, wat ook als een extra risico 
opgevat kan worden. In het verlengde hiervan wordt in meer recent onderzoek gesuggereerd dat 
het verminderen van de hoeveelheid nicotine in sigaretten een gunstig effect heeft op 
(problematisch) alcoholgebruik en dit dus doet dalen (Dermody & Donny, 2014). 

Het gecombineerd gebruik van alcohol en tabak leidt tot een verhoogd risico op cardiovasculaire 
problemen. In een aantal retrospectieve studies is duidelijk aangetoond dat het gecombineerd 
effect van tabak en alcohol de ontwikkeling van kanker op additieve wijze beïnvloedt. Dit wil 
zeggen dat het risico op kanker bij combigebruik de som is van de afzonderlijke risico's om kanker 
te ontwikkelen (Laudens, 2004). 


6.2.2. Alcohol en energiedranken 

Stimulerende of energiedranken (bv. Red Buil, Monster, Black booster, ...) geven de gebruiker 
nieuwe energie, d.w.z. een geestelijke en/of lichamelijke stimulans. Ze bevatten een mengsel van 
verschillende stimulerende (of zogezegd stimulerende) bestanddelen zoals cafeïne, taurine en D- 
glucuronolactone evenals vitaminen van groep B en plantaardige extracten o.a. afkomstig van 
guarana of ginseng. Ze moeten onderscheiden worden van de zogenaamde energetische dranken 
(sportdranken), bestemd voor sporters. Deze dranken bevatten koolhydraten als energiebron en 
elektrolyten om het energie- en ionenevenwicht na een inspanning te behouden en rehydratie te 
bevorderen (Hoge Gezondheidsraad, 2009). 

Studies tonen aan dat het combineren van alcohol en energiedranken leidt tot een vermindering 
van de signalen van alcoholintoxicatie en de bewustwording van deze toestand, met als gevolg een 
toename van de ongevallen en de mogelijkheid een alcoholverslaving te ontwikkelen. Katers 
kunnen ernstiger zijn en langer duren, alcoholvergiftiging en uitdroging kunnen sneller optreden 
(Oteri et al., 2007; Malinauskas et al., 2007; Pennay et al., 2011). Uit onderzoeken op 
Amerikaanse en Australische campussen blijkt dat verbruik van energiedranken gelijktijdig met 
alcohol het alcoholverbruik verhoogt met nadelige gevolgen zoals toename van alcoholverbruik bij 
evenementen, frequentere periodes van groot alcoholverbruik en een verdubbeling van de episodes 
waarop er wekelijks alcohol gedronken wordt. Bovendien ondervinden de studenten, die deze 
dranken verbruiken, meer schadelijke gevolgen van dronkenschap, wat bijvoorbeeld tot uiting komt 
in gedragswijzigingen bij seksuele contacten (meer ongewenste intimiteiten), het meerijden met 
een chauffeur in staat van dronkenschap, meer lichamelijke kwetsuren of aandoeningen, meer te 
maken krijgen met agressie en vaker de behoefte hebben om een arts te raadplegen (0'Brien et 
al., 2008; Brache & Stockwell, 2011, Droste et al., 2014). Door het mixen van alcohol met 
energiedranken krijgen de hersenen tegengestelde berichten te verwerken: grote hoeveelheden 
cafeïne zullen de hartslag en bloeddruk de hoogte in jagen terwijl de kalmerende effecten van 
alcohol een tegengesteld effect teweegbrengen. Hartkloppingen en slapeloosheid zijn dan ook vaak 
gerapporteerde klachten na het mixen van energiedranken met alcohol (Penney et al., 2011). 


6.2.3. Alcohol en cannabis 


De effecten van de combinatie alcohol en cannabis op perceptuele, cognitieve en motorische 
vaardigheden zijn afhankelijk van de dosis en de specifieke vaardigheid. In retrospectieve studies 
bij bestuurders wordt echter geen groter effect van combigebruik op de rijvaardigheid gevonden 
dan bij alcohol en cannabis afzonderlijk. Duidelijk is wel dat de rijvaardigheid zeker niet verbetert. 


Dossier Alcohol 


76 


Uit retrospectieve studies bij daders van moord, brandstichting en verkrachting komt niet naar 
voor dat combigebruik tot meer agressie of geweld zou leiden (Lecesse et al. 2000). 

Cannabis heeft geen effect op het subjectieve gevoel van alcoholintoxicatie. Omgekeerd geldt 
hetzelfde. Toch wijst de toxicologische literatuur uit dat zwaar combigebruik bij sommige 
gebruikers kan leiden tot misselijkheid en duizeligheid, wat een aanwijzing kan zijn voor een 
additief effect. Het kan immers zo zijn dat de aanwezigheid van alcohol in het bloed er voor zorgt 
dat het actieve ingrediënt van cannabis (THC) sneller wordt opgenomen door het lichaam, 
waardoor de effecten van cannabis sterker zijn. Psychologisch kunnen paniekaanvallen of paranoia 
optreden. Experimenteel werd ook vastgesteld dat het gebruik van cannabis leidt tot een lager 
gebruik van alcohol. Een mogelijke verklaring voor de afname van de alcoholconsumptie is de 
misselijkheid en duizeligheid die optreedt bij gecombineerd gebruik. Anderzijds heeft alcohol geen 
invloed op de geconsumeerde hoeveelheid cannabis. Op lange termijn zijn er ook negatieve 
gezondheidsrisico's: cannabis wordt immers meestal samen met tabak gerookt, met alle negatieve 
aspecten van deze combinatie tot gevolg (zie 6.2.1.) (Laudens, 2004; Drinkaware, 2013). 


6.2.4. Alcohol en amfetamines 

Alcohol en amfetamines worden vaak gebruikt als antagonisten aangezien ze een tegengestelde 
werking hebben. Dit wil zeggen dat drinkers stimulantia gebruiken om de verdovende werking van 
alcohol tegen te gaan (ze dempen het gevoel van dronkenschap). Omgekeerd, zien 
stimulantiagebruikers in alcohol dan weer een goed middel ter afvlakking van het opgepepte gevoel 
en is alcohol functioneel om in slaap te geraken. Anders gezegd neutraliseren stimulantia en 
verdovende middelen eikaars werking wanneer ze gecombineerd worden. De effecten heffen elkaar 
(gedeeltelijk) op. Dat is althans de subjectieve beleving van de gebruiker. Het subjectieve 
roesgevoel is bij combigebruik groter doordat beide middelen samen zorgen voor een versterkt 
gevoel van euforie en een langere 'high' (Laudens, 2004). 

Onderzoek wijst uit dat het combineren van alcohol en amfetamines kan leiden tot een verhoogd 
risico op hartaanvallen en beroertes. Bovendien wordt het subjectief gevoel van dronkenschap 
gedempt waardoor de eigen rijvaardigheid niet meer goed kan worden ingeschat. Het 
gecombineerd gebruik van alcohol en amfetamine verhoogt ook de kans op bingegebruik. 

Of combigebruik van alcohol en amfetamines al dan niet leidt tot meer agressie is nog niet 
voldoende onderzocht. De enige studie die dit naging (Wright et al., 2001), vond geen significant 
effect van het al dan niet alcohol drinken op de incidentie van agressief gedrag bij een groep 
amfetaminegebruikers. 


6.2.5. Alcohol en MDMA (xtc) 

Omwille van zijn ruime beschikbaarheid is alcohol een middel dat xtc-gebruikers vaak combineren 
met hun MDMA-inname. Alcohol verlengt de euforiserende werking van MDMA maar zal deze wel 
dempen. Verder heeft deze combinatie, wanneer men de effecten vergelijkt met deze van xtc- 
gebruik op zichzelf, geen effect op het cardiovasculaire systeem. Bijkomend zorgt alcohol ervoor 
dat de urineretentie, veroorzaakt door MDMA, minder uitgesproken is. De gebruiker loopt meer 
risico op het ontwikkelen van hyperthermie en dehydratatie. Deze symptomen kunnen dodelijk 
zijn, bijvoorbeeld wanneer gebruikers langdurig dansen in warme clubs zonder hun vochtverlies 
aan te vullen door het drinken van water (Mohammed et al., 2011; Drinkaware, 2013). 

Op lange termijn stelt men een duidelijk hogere aanwezigheid van psychiatrische stoornissen, in 
het bijzonder psychoses, vast onder patiënten die opgenomen zijn voor xtc- en alcoholmisbruik 
vergeleken met patiënten die uitsluitend alcohol misbruiken (Schifano et al., 1998). 


Dossier Alcohol 


77 


6 . 2 . 6 . Alcohol en cocaïne 


Cocaïne heeft, net zoals amfetamines, een stimulerende en euforische werking. Ook cocaïne werkt 
dus als een soort antagonist van alcohol. Alcohol dempt namelijk de hevige emoties die samengaan 
met cocaïnegebruik, verlengt het 'high'-gevoel en is functioneel om slapeloosheid na zwaar 
cocaïnegebruik af te zwakken. Anderzijds onderdrukt het gecombineerd gebruik van alcohol en 
cocaïne de subjectieve effecten van alcoholintoxicatie. Bij een hoog alcoholgebruik gecombineerd 
met cocaïne heeft de combigebruiker de indruk minder onderhevig te zijn aan dronkenschap 
(NIGZ, 2000 & Nabben et al., 2000). Het verhoogde subjectieve welbevinden houdt extra risico's in 
voor de rijvaardigheid. Het is niet duidelijk of de rijvaardigheid zelf ondermijnd wordt (in 
vergelijking met exclusief alcoholgebruik) maar het eigen inschattingsvermogen wordt zeker 
beperkt (Laudens, 2004). 

De combinatie van alcohol en cocaïne leidt tot een groter gevoel van euforie en welbevinden in 
vergelijking met een exclusief gebruik van cocaïne (McCane-Katz et al., 1998). De intensiteit en 
duur van de roes is bij gecombineerd gebruik met andere woorden groter. Dit wordt ook bevestigd 
door een aantal fysiologische parameters zoals EEG, hartslag en bloeddruk. Dit leidt evenwel tot 
een verhoogd risico op hartaanvallen en beroertes. De kans op plots overlijden is veel groter bij 
gecombineerd gebruik dan bij het exclusief gebruik van cocaïne (NIDA, 1999). 

Opmerkelijk is dat de combinatie van alcohol en cocaïne een van de weinige combinaties is die leidt 
tot de vorming van een nieuw actief metaboliet, met name coca-ethyleen (Farré et. al., 1997). 
Coca-ethyleen is minder krachtig dan cocaïne maar veroorzaakt een subjectief gevoel van euforie 
en welbevinden vergelijkbaar met cocaïne. Coca-ethyleen heeft een langere halfwaardetijd dan 
cocaïne waardoor er een groter gevaar is voor opstapeling in het lichaam met bijhorende 
verhoogde toxiciteit. De ontwenningsverschijnselen bij gecombineerd gebruik zijn dan ook 
zwaarder dan bij exclusief gebruik van cocaïne (Gold, 1997). De vorming van coca-ethyleen leidt 
tot een verlengd gevoel van euforie en welbevinden waardoor de kans op bingegebruik toeneemt. 
Coca-ethyleen heeft daarenboven sterke toxische effecten (o.a. op de lever) en vergroot de kans 
op paniek- en angstaanvallen. Bovendien kan het leiden tot een toename van agressie. Bij het 
initiëren van agressief gedrag speelt alcoholgebruik op zich wel een belangrijkere rol dan cocaïne. 
Bij gecombineerd gebruik is er een additief effect op het agressief gedrag door cocaïne bovenop het 
effect van alcohol (Lecesse et al., 2000). 


6 . 2 . 7 . Alcohol en GHB 

GHB of Gamma Hydroxy Boterzuur is van oorsprong een anestheticum. Dit wil zeggen dat het sterk 
verdovend is. Gezien alcohol ook verdovend is, werken beide middelen versterkend wanneer men 
ze combineert (NIGZ, 2000; Lecesse et al., 2000). Beide middelen mogen dan enigszins op elkaar 
lijken: ze werken beiden ontremmend, geven een ontspannen en behaaglijk gevoel en bevorderen 
de sociale contacten. Toch wordt de combinatie niet echt geapprecieerd onder gebruikers. De 
combinatie alcohol en GHB houdt immers behoorlijk wat risico's (ademhalingsproblemen, 
bewustzijnsverlies, verstikkingsgevaar, ...) in en er wordt niet voor niets gesproken over de 
comacombi. Op basis van interviews met combigebruikers blijkt dat de combinatie van alcohol en 
GHB geen kwalitatief nieuwe effecten veroorzaakt (Nabben et al., 2002; Korf et al., 2002). 

Bij een mengintoxicatie met alcohol en GHB wordt alcohol eerst in de lever omgezet door 
alcoholdehydrogenase. Dit leidt tot opstapeling van GHB en een toename van de toxiciteit met 
mogelijk bewustzijnsverlies tot gevolg. Ondanks een ondersteunende behandeling herstelt 
bewustzijnsverlies niet spontaan na circa zes uur, zoals bij een zuivere GHB-intoxicatie te 
verwachten is (Maxwell 2003; Veerman et al., 2010). 


Dossier Alcohol 


78 


6.2.8. Alcohol en methadon 


Overmatig alcoholgebruik kan de werkingsduur van methadon verkorten. Daardoor begint men 
reeds te ontwennen voordat men de volgende dosis inneemt. Chronisch alcoholgebruik versnelt de 
metabolisering van methadon terwijl bij kortdurend alcoholgebruik de demethylering van methadon 
wordt verhinderd waardoor de concentratie stijgt. Wegens de tegengestelde effecten van acuut 
versus chronisch gebruik van alcohol gecombineerd met methadon is het uiteindelijke effect van 
deze combinatie zeer moeilijk te voorspellen (Mainline, 2009; Laudens, 2004). 

6.2.9. Alcohol en medicatie 

De effecten en risico's van gecombineerd gebruik van alcohol en medicatie zoals hieronder 
beschreven, gelden voor alle leeftijden. Ouderen lopen echter om een aantal redenen extra risico. 
Meer uitleg omtrent de risico's bij deze specifieke doelgroep is te vinden in hoofdstuk 4.2. 

Daarnaast dient er een onderscheid gemaakt te worden naargelang de soort van medicatie die 
gecombineerd wordt met alcohol. Voor dit dossier beperken we ons echter tot de combinatie van 
alcohol met psychoactieve medicatie (benzodiazepines, antidepressiva en neuroleptica)^®. 


6. 2. 9.1. Algemene effecten en risico's 

De risico's variëren in functie van het type van medicatie dat gecombineerd wordt met alcohol. 
Risico's kunnen voortkomen uit gewijzigde effecten van alcohol en/of gewijzigde effecten van 
medicatie. Een belangrijk risico is dat een verminderde metabolisering van alcohol kan leiden tot 
een toename van de alcoholconcentratie in het bloed waardoor de sedatieve effecten van alcohol 
sterker op de voorgrond treden. Deze sedatieve effecten hebben op hun beurt een invloed op de 
reactiesnelheid, het oordelingsvermogen, het evenwicht, de zelfcontrole, ... 

Langdurig en excessief alcoholgebruik kan dan weer leiden tot een verhoogde metabolisering van 
bepaalde medicatie. Hogere doseringen van het geneesmiddel zijn nodig om het gewenste 
therapeutische effect te verkrijgen. De verhoogde metabolisering kan bovendien leiden tot een 
toegenomen productie van voor de lever toxische metabolieten. Deze effecten kunnen optreden tot 
enkele weken na het stoppen met alcoholgebruik. Een verminderde metabolisering van medicatie 
kan leiden tot een verhoogde concentratie in het bloed met bijhorende versterkte werking. Heel 
wat sedativa vallen in deze categorie en hebben een additief effect bij de sedatieve werking van 
alcohol. Alcohol kan ook de ziekte waarvoor medicatie genomen wordt negatief beïnvloeden. 


6. 2. 9. 2. Effecten en risico's bij de combinatie alcohol en psychoactieve medicatie 

Benzodiazepines zijn slaap-en kalmeringsmiddelen die helpen tegen onrust, angst en 
slaapproblemen. Zowel alcohol als benzodiazepines hebben een kalmerend effect. Wanneer men ze 
combineert worden de effecten van de ene drug door de andere versterkt, waardoor bepaalde 
activiteiten zoals autorijden, machines besturen ... totaal onverantwoord zijn. Alcohol in combinatie 
met een hogere dosis benzodiazepines kan dodelijk zijn. Ouderen blijken extra gevoelig voor deze 
sederende combinatie en moeten dus extra voorzichtig zijn bij deze combinatie (Alcohol Concern, 
2001; Lecesse, 2000). 

Antidepressiva bestaan in vele soorten. Daarom worden de specifieke interacties van de 
verschillende soorten met alcohol hieronder apart beschreven. 


Voor meer info over de interactie tussen aicohoi en andere soorten geneesmiddeien verwijzen we naar de 
brochure 'Geneesmiddeien en alcohoi? Vermijd gevaariijke cocktaiis' 
f http://www. apotheek.be/sites/default/files/fichiers/medicamentaicool nl a5 .pdf l 


Dossier Alcohol 


79 


Tricyclische antidepressiva: deze groep antidepressiva heeft, net zoals alcohol, een 
kalmerende werking waardoor ze elkaar versterken. Regelmatig alcoholgebruik kan 
daarnaast de werking van de antidepressiva verhinderen. 

MAO inhiberende antidepressiva: deze antidepressiva reageren op de stof tyramine, die we 
terugvinden in zowel bier als rode wijn. Zelfs bij één glas zorgt de combinatie voor een 
gevaarlijke bloeddrukverhoging. 

SSRI's (Selective Serotonine Reuptake Inhibitors): deze producten werken niet kalmerend 
en lijden niet snel tot een overdosis. Ondanks het feit dat er geen ernstige aanwijzingen 
zijn voor problemen raden de fabrikanten de combinatie met alcohol af (Alcohol Concern, 
2001; Lecesse, 2000). 

Net zoals vele van de hierboven beschreven medicijnen hebben neuroleptica naast een 
antipsychotische ook een kalmerende werking die versterkt in combinatie met alcohol. De 
combinatie met alcohol wordt sterk afgeraden gezien deze mix kan leiden tot zeer onaangename 
neveneffecten (Alcohol Concern, 2001; Lecesse, 2000). 


Dossier Alcohol 


80 


7. De aanpak van alcoholgerelateerde problemen 


7.1. Preventie van alcoholproblemen^^ 

De oorzaken van problemen als gevolg van middelengebruik zijn erg complex en verscheiden (VAD, 
2009a). Niet alleen het product zelf, maar ook de omstandigheden waarin wordt gebruikt en de 
kenmerken van de gebruiker zelf spelen een rol. Om de problemen die kunnen ontstaan door 
middelengebruik te voorkomen, moet met al deze factoren rekening gehouden worden. Er bestaat 
geen eenvoudig of kant-en-klaar recept. Goed geïmplementeerde gestandaardiseerde programma's 
hebben hun waarde bewezen. Anderzijds is 'werken op maat' essentieel. Dat betekent dat - 
afhankelijk van het product, de omstandigheden en de kenmerken van de doelgroep - zorgvuldig 
moet afgewogen worden welke kennis, attitudes, vaardigheden en structurele maatregelen nodig 
zijn. Aandachtspunten hierbij zijn: niet-gebruik aanmoedigen, ondersteunen en bestendigen; 
experimenteergedrag uitstellen; verantwoordelijk gedrag bevorderen; vroegtijdige aanpak 
stimuleren en schade beperken. 

Om deze gedifferentieerde doelstellingen te realiseren zijn verschillende strategieën nodig. De 
meest effectieve aanpak is deze die meerdere strategieën samen implementeert: 

• Persoons- en structuurgericht 

• Universeel, selectief en geïndiceerd 

• Alcohol- en drugspecifiek en gezondheidspromotie 

• Muiti- en intersectorale aanpak 

• Gericht naar verschillende doelgroepen (uiteindelijke doelgroep, maar ook intermediairs). 
Voor dit dossier werd gezocht naar reviews waarin ook alcoholpreventie aan bod komt. In deze 
reviews werden voornamelijk specifieke preventieprogramma's geëvalueerd. Meer informatie over 
de globale aanpak van preventie vindt u terug op www.vad.be 

7.1.1. Preventieprogramma's op school 

Verschillende systematische reviews evalueerden preventieprogramma's op school (Anderson, 
2012). Foxcroft & Tsertsvadze (2011c) bestudeerden 53 trials die universele preventieprogramma's 
op school evalueerden. Zes van de elf studies over programma's die zich specifiek richtten op 
preventie van alcoholmisbruik vonden significante effecten van het programma. 14 van de 39 
bestudeerde studies over programma's met een bredere focus (dus niet enkel op alcoholgebruik) 
vonden eveneens dat er een significante vermindering was van het alcoholgebruik. Het ging dan 
vooral over programma's met een psychosociale of ontwikkelingsbenadering namelijk 'Life Skills 
Training Program', 'Unplugged Program' en 'the Good Behaviour Game'. De meest positieve 
effecten werden voor alle programma's bereikt op het vlak van dronkenschap en bingedrinken. De 
impact van de interventie bleek langer te duren voor de generische programma's dan voor de 
alcoholspecifieke programma's. Bovenop de programma's die in de studie van Foxcroft & 
Tsertsvadze (2011c) aan bod kwamen, bekeken Agabio et al. (2015) twaalf recente 
gerandomiseerde onderzoeken met een controlegroep die schoolpreventieprogramma's 
evalueerden. Daaruit bleek dat 'Unplugged' het meest gebruikte programma was in Europa en 
tevens datgene met de beste evidentie voor effectiviteit. 

Er zijn relatief weinig studies over interventies op school voor de preventie van alcohol- en 
druggebruik die gefaciliteerd worden door computers of het internet. In een systematische review 
van tien universele programma's vonden Champion, Newton, Barrett en Teesson (2013) dat het 
gebruik van computers en het internet bij preventieprogramma's op scholen wel degelijk effectief 
kunnen zijn om alcoholgebruik bij adolescenten te beperken. 


Overgenomen uit: De Donder, 2006. 


Dossier Alcohol 


81 


Specifiek voor eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs geven studies aan dat gedragsmatige 
interventies alcoholgebruik en alcoholproblemen bij deze groep verminderen (Scott-Sheldon, Carey, 
Elliott, Garey & Carey, 2014). Het effect is groter voor interventies die gebruik maken van 
gepersonaliseerde feedback, strategieën om het gebruik te matigen, verwachtingen over het effect 
van alcohol, identificatie van risicovolle situaties en doelbepaling. Op basis van hun meta-analyse 
van 62 studies raden Scott-Sheldon et al. (2014) twee preventiestrategieën aan. Ten eerste zouden 
alle nieuwe studenten in de eerste weken van de start van het academiejaar een routine screening 
moeten ondergaan voor risicovol alcoholgebruik. Ten tweede zouden de studenten die alcohol 
gebruiken een korte proactieve interventie moeten krijgen waarin via een computer 
gepersonaliseerde feedback wordt gegeven op hun alcoholgebruik. 


7.1.2. Gezinsgerichte universeie preventieprogramma's 

De effecten van gezinsgerichte universele programma's voor de preventie van alcoholmisbruik bij 
jongeren zijn klein maar wel consistent en blijven voortduren op middellange en lange termijn 
(Foxcroft & Tsertsvadze, 2011a). Meestal omvatten deze programma's het ondersteunen van 
opvoedingsvaardigheden zoals steun geven, zorgend optreden, grenzen stellen of monitoring. 
Negen van de twaalf studies hadden significante positieve effecten. Eén van de studies vond dat de 
gezinsgerichte interventie effectief was wanneer deze gecombineerd werd met een interventie op 
school. Het ging hier om de Nederlandse interventie Preventie Alcoholgebruik Scholieren (PAS), 
onderdeel van De Gezonde School en Genotmiddelen. Er is ook evidentie dat genderspecifieke 
interventies die zich richten op dochters en ouders of moeders effectief zijn op korte en 
middellange termijn. Gezinsgerichte preventieprogramma's richten zich vaak niet op één gedrag bv. 
alcoholmisbruik maar richten zich op een breder geheel van probleemgedrag waaronder bv. 
cannabis- of ander druggebruik of antisociaal gedrag. 


7.1.3. Andere preventieprogramma's 

Volgens de review van Foxcroft, Ireland, Lowe en Breen (2007) is het 'Strenghtening Families 
Program' op lange termijn een effectieve interventie voor de primaire of universele preventie van 
alcoholmisbruik bij jongeren. Andere interventies die men in overweging kan nemen zijn 

interventies die focussen op vaardigheidstraining bij andere culturen'^T Ook 

gemeenschapsinterventies die zich op verschillende doelgroepen richten, kunnen voordelig zijn om 
alcoholmisbruik bij jongeren aan te pakken. Of interventies zich focusten op alcoholgebruik alleen 
of ook op andere drugs, scheen geen effect te hebben op het resultaat. 

Bij multisectorale preventieprogramma's vinden de interventies plaats in verschillende settings 
bijvoorbeeld zowel in school, gemeenschap als het gezin. Uit de review van Foxcroft & Tsertsvadze 
(2011b) bleken de meeste studies (12 van de 20) een positief effect te hebben voor de preventie 
van alcoholmisbruik bij jongeren met effecten die blijvend waren op middellange en lange termijn. 
Zes studies vonden geen effect. Ook dit type programma's is vaak niet op één gedrag gericht maar 
op een bredere waaier van probleemgedragingen. 

In het algemeen zijn voorlichtingscampagnes niet effectief voor het verminderen van 
alcoholgerelateerde schade (Anderson, 2012). Uitzonderingen zijn massamedia campagnes over 
rijden onder invloed wanneer deze ook gecombineerd worden met andere maatregelen. Informatie 
en voorlichting over de risico's van alcohol zijn nodig om de bevolking te informeren maar als 
geïsoleerde acties zullen deze alcoholgerelateerde schade niet beperken. 


Koning, I.M., Vollebergh, W.A., Smit, F., Verdurmen, J.E., Van Den Eijnden, R.J., Ter Bogt, T.F.,... & Engels, R.C. (2009). 
Preventing heavy alcohol use In adolescents (PAS): cluster randomized trial of a parent and student Interventlon offered 
separately and slmultaneously. Addiction, 104{10), 1669-1678. 

In deze studie wordt verwezen naar een Amerikaanse interventie voor Indianen (Schinke, S.P., Tepavac, L., & Cole, K.C. 
(2000). Preventing substance use among Native American youth: Three-year results. Addictive behaviors, 25(3), 387-397. 


Dossier Alcohol 


82 


Omwille van de specifieke kwetsbaarheid van jongeren is het ontraden van alcoholgebruik door 
jongeren en het uitstellen van de beginleeftijd een belangrijke doelstelling in preventie van 
alcoholgebruik bij jongeren (VAD, 2013). Beleidsmaatregelen zoals wettelijke leeftijdgrenzen, 
prijsverhogingen of verbod op alcoholreclame kunnen dit ondersteunen (zie § 7.5.1). 


7.1.4. Alcoholpreventie en de preventieparadox 

Wanneer er gekeken wordt naar de sociale kosten van alcohol blijkt dat het leeuwendeel van deze 
kosten afkomstig is van licht en matig alcoholgebruik. Dit komt omdat alcoholgerelateerde 
problemen op alle consumptieniveaus kunnen voorkomen en dat er nu eenmaal meer matige dan 
zware drinkers zijn. Hoewel zware drinkers meer problemen vooroorzaken is het dus toch de som 
van alle matige drinkers samen die meer maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Dit 
fenomeen werd voor het eerst beschreven door Norman Kreitman (1986) en benoemd als de 
'preventieparadox'. De belangrijkste implicatie van de preventieparadox is dat het niet genoeg is 
om enkel het drinkgedrag van de zwaarste drinkers onder controle te houden. Er moeten ook 
inspanningen geleverd worden om de schade veroorzaakt door de meerderheid van matige drinkers 
aan te pakken. Het is immers zo dat preventie gericht op risicogroepen minder zichtbaar is op het 
niveau van de volksgezondheid dan preventie gericht op de hele bevolking, ongeacht het 
risiconiveau (Poikolainen et al., 2007; Rossow & Romelsjö, 2006; Stockwell et al., 2004). 

De preventieparadox impliceert daarenboven dat ook matige alcoholconsumptie risico's inhoudt. 
Zoals eerder werd aangehaald is het draagvlak voor zulke boodschappen, zowel op maatschappelijk 
als politiek niveau, niet erg groot. Daarenboven is het ook wetenschappelijk niet helemaal correct 
en gaat het voorbij aan de kennis die er is over drinkpatronen (Stockwell et al., 1996; Lemmens, 
2001). Skog (2006) suggereert daarom dat preventie zich zowel op risicogroepen als op de 
algemene bevolking moet richten en dat deze interventies rekening moeten houden met zowel 
drinkpatronen als consumptieniveaus. 


7.2. Vroeginterventie 

Het vroegtijdig signaleren, opvangen en begeleiden van personen met problematisch 
middelengebruik is van groot belang. Zowel de gespecialiseerde of categoriale hulpverleners als de 
niet gespecialiseerde hulpverleners (omgeving van de gebruiker of mantelzorg, zelfhulp, 
eerstelijnsvoorzieningen, enz.) spelen hierbij een belangrijke rol. Vooraleer mensen met een 
afhankelijkheidsprobleem in de gespecialiseerde hulpverlening terechtkomen, is de problematiek 
doorgaans reeds vele jaren aanwezig. Wat alcohol betreft duurt het vaak meer dan tien jaar voor 
de diagnose wordt gesteld (Schuckit, 1993). Onderzoek bevestigt dat hoe eerder men ingrijpt in 
het ontwikkelingsproces van problematisch middelengebruik, hoe gunstiger de resultaten zijn. De 
negatieve gevolgen op het vlak van gezondheid en van andere levensdomeinen zijn dan doorgaans 
minder ernstig. De betrokkene heeft in dit stadium meestal nog meer keuzemogelijkheden dan bij 
langdurig gebruik. Vroegtijdige signalering van problemen is daarom een belangrijke opdracht van 
de eerstelijnsgezondheids- en welzijnszorg. Ook de omgeving kan hierin een belangrijke rol 
opnemen (De Donder, 2006). 


7.2.1 Screening en kortdurende interventies 

De voorbije jaren groeide er heel wat evidentie over de effectiviteit van screening en kortdurende 
interventies in verschillende settings, waaronder de eerstelijnsgezondheidszorg (Boyle et al., 2013; 
0'Donnell et al., 2014; Elzerbi, Donoqhue & Drummond, 2015). Wat de screening van 
alcoholproblemen betreft, zijn er verschillende valide en betrouwbare vragenlijsten beschikbaar. 
Een vaak gebruikte vragenlijst is de Alcohol Use Disorders Identification Test (AUDIT). Deze 
vragenlijst werd ontwikkeld door de Wereldgezondheidsorganisatie (Saunders et al., 1993) voor 


Dossier Alcohol 


83 


gebruik in de eerstelijnsgezondheidszorg. De AUDIT bevat tien vragen: drie vragen over 
alcoholconsumptie, vier vragen over alcoholgerelateerde problemen en drie over symptomen van 
afhankelijkheid. In een systematische review in de eerste lijn (Fiellin et al., 2000) bleek de AUDIT 
vooral effectief om personen te identificeren met risicovol en overmatig drinken. 

Om het gebruik van vragenlijsten mogelijk te maken in omstandigheden waar er niet genoeg tijd is 
om de volledige AUDIT af te nemen, werden er verschillende korte vragenlijsten ontwikkeld 
(Hodgson, Alwyn, John, Thom & Smith, 2002; Boyle et al., 2013; Mitchell, Bird, Rizzo, Hussain & 
Meader, 2014; Saitz, Cheng, Allensworth-Davies, Winter & Smith, 2014): 

De AUDIT-C bestaat uit de eerste drie vragen (met betrekking tot alcoholconsumptie) van 
de AUDIT en blijkt in validiteit weinig te verschillen. Het voordeel is dat deze vragen in de 
praktijk gemakkelijk te onthouden en te scoren zijn. Verschillende studies suggereren dat 
de AUDIT-C de eerste keus moet zijn in medische settings, maar hierover bestaat lang 
geen eensgezindheid (Cunningham et al., 2009). 

De FAST (Fast Alcohol Screening Test) werd ontwikkeld in Engeland voor gebruik in 
algemene ziekenhuizen en spoedopnameafdelingen. Het instrument bestaat uit vier vragen 
en heeft een sensitiviteit van 93% en specificiteit van 88% (Hodgson et al., 2003). Een 
groot voordeel van de FAST is dat één vraag uit deze test, "Hoe vaak drink je acht of meer 
eenheden per gelegenheid?" voor mannen en "Hoe vaak drink je zes of meer eenheden per 
keer?" voor vrouwen, een goede filter is voor het verder bevragen (Jones, 2011). 

De afkorting CAGE is samengesteld uit de eerste letters van de woorden Cutdown, 
Annoyed, Guilty en Eye-opener. De CAGE-test omvat vier vragen waarop enkel met ja of 
nee moet worden geantwoord. Vanaf twee positieve antwoorden is er een aanduiding voor 
de aanwezigheid van alcoholmisbruik of -afhankelijkheid (Ewing, 1984). De test werd 
frequent geëvalueerd en toont een sensitiviteit van 43 tot 93% en een specificiteit 
uiteenlopend van 70-93% voor alcoholproblemen (Fiellin, 2000, 0'Connell et al., 2004). 

Kortdurende interventies (KI) worden ingezet bij zowel (vermoeden van) problematisch 
alcoholgebruik als bij mensen die zich vanwege het problematisch gebruik voor behandeling 
aanmelden. Bij een vermoeden van excessief drinken kan een KI plaatsvinden binnen bijvoorbeeld 
de algemene gezondheidszorg (huisarts, spoedeisende hulpafdelingen, diverse afdelingen van 
algemeen ziekenhuis) of door de bedrijfsarts. De doelstelling van een KI is het alcoholgebruik van 
de patiënt te beperken en om riskant drinkgedrag te verminderen (Moyer & Finney, 2004). 
Kortdurende interventies bestaan in het algemeen uit één of enkele interventies van 5 tot 30 
minuten gegeven door een arts, verpleger, psycholoog of sociaal werker. KTs kunnen gebaseerd 
zijn op verschillende therapeutische technieken. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van een 
combinatie van op motiverende gespreksvoering geënte gesprekstechnieken, een kort advies, en 
overige beknopte procedures, zoals het geven van feedback over de fysieke conditie van de patiënt 
(Moyer, Finney, Swearingen & Vergun, 2002, Kaner et al., 2009, McQueen et al., 2011). Uit recent 
onderzoek blijkt het geven van gepersonaliseerde feedback en het beperken van de tijd tussen de 
screening en de interventie een positief effect te hebben op de effectiviteit van KI's (Boyle et al., 
2013). 

Voor meer informatie over screening en kortdurende interventies wordt verwezen naar het 
draaiboek 'Een gesprek over alcohol' (zie www.vad.be). VAD ontwikkelde daarnaast een online 
toolbox (www.me-assist.com) voor artsen en welzijnswerker met onder meer een 
screeningsinstrument voor alcohol-, tabak- en andere middelengebruik'^^. Naast het 
screeningsinstrument voorziet de tooi stap voor stap begeleiding van kortdurende interventies. 


In de Online toolbox me-assist wordt gebruik gemaakt van de ASSIST vragenlijst (Alcohol, Smoking and Substance 
Involvement Screening Test), een screeningsinstrument voor alcohol, roken en ander middelengebruik bij volwassenen. 
Daarnaast beschikt de toolbox ook over de AUDIT vragenlijst. 


Dossier Alcohol 


84 


Naast deze materialen beschikt De Druglijn ( www.druqliin.be) over gratis en anonieme zelftesten 
die de persoonlijke risico's verbonden aan alcoholgebruik helpen in te schatten. 


7.3. Hulpverlening bij problematisch alcoholgebruik 

Er zijn verschillende kanalen waarlangs mensen hulp kunnen zoeken voor problematisch 
middelengebruik (De Donder, 2006). Mensen die er niet in slagen hun alcoholgebruik onder 
controle te krijgen, kunnen een beroep doen op een gevarieerd hulp- en zorgaanbod. De welzijns- 
en gezondheidssector biedt zowel gespecialiseerde (categoriale) als niet-gespecialiseerde 
hulpverlening en ondersteuning in een vaak moeizaam proces van gedragsverandering. 

De centrale doelstelling van hulpverlening bij problematisch alcoholgebruik is het bevorderen van 
de levenskwaliteit op het vlak van lichamelijke en psychische gezondheid en van sociaal welzijn, 
met respect voor de autonomie van de cliënt. Om deze doelstelling te bereiken kunnen een aantal 
tussendoelen worden geformuleerd, zoals verbetering van de levenskwaliteit, beheersing van het 
probleem, bevordering van probleeminzicht en motivatie tot verandering. Vanuit verschillende 
behandelingsmodellen (farmacotherapie, psychotherapie en andere therapeutische activiteiten) 
wordt met de cliënt gewerkt aan het alcoholprobleem en aan de geassocieerde problematiek en/of 
pathologie. De finaliteit van de hulpverlening kan hierbij variëren van schadebeperking over 
gecontroleerd gebruik tot abstinentie. De doelstellingen hangen onder meer af van de 
mogelijkheden en hulpvraag van de cliënt en kunnen wijzigen in de loop van de behandeling. 
Gezien de chroniciteit en complexiteit van de alcoholproblematiek is een snelle en definitieve 
oplossing niet steeds realistisch. Hulpverlening bij problematisch alcoholgebruik is daarom vaak 
een langdurig proces, dat in verschillende fasen verloopt en verschilt van cliënt tot cliënt. Ook 
herval maakt onderdeel uit van dit veranderingsproces. In de loop van een behandelingsproces 
hebben verschillende interventies (waaronder bijvoorbeeld hervalpreventie) hun plaats, vaak 
aangeboden door verschillende instanties. 

Naast de gespecialiseerde of categoriale drughulpverlening, spelen ook mantelzorg, zelfhulp en 
eerstelijnsvoorzieningen een belangrijke rol in vroegtijdige signalering, opvang en begeleiding van 
personen met problematisch alcoholgebruik. 

Hieronder volgt een kort overzicht van het hulpverleningsaanbod in Vlaanderen (Verstuyf, 2004; 
VAD, 2015b). Dit overzicht bespreekt de voornaamste hulpverleningsvormen voor personen met 
een alcoholprobleem. Voor cijfermateriaal en achtergronden met betrekking tot alcoholgerelateerde 
hulpvragen, verwijzen we graag naar de factsheet Alcohol. Daarnaast ligt het niet in de lijn van dit 
dossier om een overzicht te geven van de verschillende richtlijnen, moddelen of programma's voor 
de aanpak van alcoholproblemen. Hiervoor verwijzen we naar de richtlijnen voor de behandeling 
van alcoholproblemen die terug te vinden zijn op de website van VAD. 


7.3.1. Zelfhulp 

Ook zelfhulpgroepen kunnen een belangrijke ondersteuning bieden voor wie geen professionele 
hulp wenst. Zelfhulpgroepen brengen lotgenoten (ervaringsdeskundigen) samen die elkaar 
ondersteuning en informatie bieden. Voorbeelden van zelfhulpgroepen zijn de Anonieme 
Alcoholisten (AA) en SOS nuchterheid. In Vlaanderen zijn er ook mogelijkheden op het vlak van 
Online zelfhulp zoals alcoholhulp.be. De Druglijn, de Vlaamse telefonische informatielijn waar 
iedereen terecht kan met vragen over alcohol en andere drugs behoort ook tot de nulde lijn. 


Dossier Alcohol 


85 


7.3.2. De eerstel ij nszorg 


De eerstelijnszorg bestaat uit de laagdrempelige, niet-gespecialiseerde ambulante hulpverlening. 
Het eerste echelon is ruim verspreid en is voor vele mensen met alcoholproblemen het eerste 
contactpunt met de professionele hulpverlening. De taak van de eerste lijn bestaat vooral uit het 
detecteren en inschatten van de problematiek, kortdurende interventies en indien nodig gericht 
doorverwijzen. De huisarts is een belangrijke actor op het eerste echelon. Door zijn 
vertrouwensrelatie en regelmatige contacten met de patiënt is de huisarts ideaal geplaatst om aan 
vroegdetectie te doen, het probleeminzicht te stimuleren, het motivatieproces verder te begeleiden 
en/of een doorverwijzing te doen naar de meer gespecialiseerde hulpverlening. Ook na de 
behandeling kan de huisarts een belangrijke rol hebben in de verdere begeleiding van de patiënt, 
waaronder het voorkomen van en de begeleiding bij herval. Naast de huisarts kunnen ook andere 
intermediairs zoals thuisverpleging, openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW) en 
Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) ondersteuning bieden. 


7.3.3. Ambulante alcoholhulpverlening 

De ambulante alcoholhulpverlening wordt gevormd door enerzijds de specialist met zijn 
privépraktijk, anderzijds de ambulante centra. Tal van psychiaters en psychotherapeuten leggen 
zich binnen hun privépraktijk toe op de begeleiding van mensen met alcoholproblemen. De Centra 
voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) bieden hulp aan mensen met alcoholproblemen in de 
vorm van algemene ondersteuning en psychotherapie. Sommige CGG zijn gespecialiseerd in 
alcohol- en drugproblemen. Alle CGG zijn multidisciplinair samengesteld, extramuraal en bieden 
een geïntegreerd hulpverleningsaanbod voor mensen met psychische problemen. De 
behandelingsfinaliteit in alle CGG is het herstel van de gedeeltelijke en/of totale geestelijke 
gezondheid. Het aanbod aan therapeutische mogelijkheden is erg gedifferentieerd gaande van 
individuele therapie als relatie-, gezins- en groepstherapieën. 


7.3.4. Semi-residentiële alcoholhulpverlening 

Binnen de psychiatrische ziekenhuizen zijn er afdelingen voor semi-residentiële zorg. Sommige van 
deze diensten zijn specifiek gericht naar mensen met een alcoholprobleem. Dagbehandelingen zijn 
meestal georiënteerd op terugvalpreventie en psychosociale begeleiding en er wordt veel aandacht 
besteed aan het sociale en maatschappelijke netwerk van de patiënt. 


7.3.5. Residentiële alcoholhulpverlening 

Bij problematisch alcoholgebruik met ernstige medische en/of psychiatrische complicaties, of als er 
een klinische detoxificatie nodig is, wordt meestal doorverwezen naar de residentiële hulpverlening. 
Een opname heeft een aantal ingrijpende neveneffecten: de cliënt wordt uit zijn thuismilieu 
gehaald, de kans op werkverlies is groot en de reactie van de buitenwereld is niet te 
onderschatten. De Psychiatrische Afdeling van Algemene Ziekenhuizen (PAAZ) voorziet in 
kortdurende opnames en beperkt zich vaak tot detoxificatie, observatie, diagnosestelling en 
motiveren tot verdere behandeling. Naast een PAAZ beschikken enkele algemene ziekenhuizen 
over een Eenheid Psychiatrische Spoed Interventie (EPSI). Deze dienst voorziet onder meer 
crisisopvang voor personen met problematisch middelengebruik. Gedurende maximum vijf dagen 
krijgen patiënten intensieve behandeling met als belangrijkste doelstelling het stabiliseren van de 
patiënt. 

Ten slotte hebben de meeste psychiatrische ziekenhuizen ook een zorgeenheid voor problematische 
gebruikers. Hier wordt een totaalpakket van zorgfuncties aangeboden: crisisopvang, screening, 
detoxificatie, behandeling, maatschappelijke integratie en nazorg. 


Dossier Alcohol 


86 


Naast de hierboven beschreven ambulante en residentiële hulpverleningsvormen die een specifiek 
aanbod hebben voor patiënten met een alcoholproblematiek kunnen alcoholgebruikers uitzonderlijk 
ook terechtkomen in de residentiële revalidatiecentra voor drugverslaafden met een RIZIV- 
conventie, zijnde de crisisinterventiecentra (CIC), de behandelingscentra en de therapeutische 
gemeenschappen (TG) of in een MSOC (Medisch-Sociale Opvangcentra), al vormen patiënten met 
een alcoholproblematiek zeker niet de eerste doelgroep voor deze centra. Deze centra hebben een 
aanbod voor problematische gebruikers van illegale drugs wat in realiteit vaak gepaard gaat met 
een secundaire stoornis in alcoholgebruik. Gebruikers met een primair alcoholprobleem, zullen 
echter worden doorverwezen. 


7.4. Harm reduction 

Harm reduction staat voor een welbepaald denkkader dat in de jaren '80 werd geïntroduceerd en 
gedefinieerd als alle maatregelingen, programma's en Interventies die tot doel hebben de nadelige 
gezondheids-, sociale en economische gevolgen van het gebruik van legale en Illegale drugs te 
beperken, zonder noodzakelijkerwijs het gebruik te verminderen. Harm reduction voorkomt 
schadelijke gevolgen voor de gebruiker, zijn/haar familie en de maatschappij (EMCDA, 2010; IHRA, 
2010). De essentie van harm reduction komt zeer goed tot uiting in het volgende citaat van Ernst 
Buning: "If it is not possible to cure the drugs users, one should at least try to minimise the harm 
that is being done to them and the wider environment' (Buning, 1990). 

Hoewel harm reduction tot op heden voornamelijk bij illegaal druggebruik werd toegepast, is de 
strategie eveneens zinvol bij (problematisch) alcoholgebruik. Experts zijn het erover eens dat 
abstinentie niet de enige doelstelling hoeft te zijn (Rehm, Room & Monteiro, 2004). Een uitgebreid 
overzicht van harm-reduction-initiatieven voor chronische alcoholgebruikers kan gevonden worden 
in de VAD-publicatie 'Een geïntegreerde aanpak voor veranderingsresistente probleemdrinkers' 
(Neukermans & Verstuyf, 2015). Daarnaast kunnen harm-reduction-initiatieven ook toegepast 
worden om 

alcoholgerelateerde schade in het uitgaansleven in te dijken. Hiervoor verwijzen we naar hoofdstuk 
5.2.6. over maatregelen om de drinkomgeving te verbeteren. 


7.5. Nood aan een alcoholbeleid 

In dit hoofdstuk bekijken we welke elementen in de internationale literatuur naar voren worden 
geschoven voor een goed onderbouwd en effectief alcoholbeleid. Nadien wordt er een stand van 
zaken gegeven met betrekking tot het alcoholbeleid op verschillende beleidsniveaus in België. 


7.5.1. Alcoholbeleidsmaatregelen nader beschouwd 

Het is mogelijk om gezondheids-, veiligheids-, en socio-economische problemen die gerelateerd 
zijn aan alcohol op een effectieve manier in te dijken. De laatste jaren werd er een enorme 
hoeveelheid kennis verzameld over de haalbaarheid en (kosten)effectiviteit van verschillende 
beleidsopties en interventies om alcoholgerelateerde problemen aan te pakken (Anderson & 
Baumberg, 2006; Chisholm et al., 2006; WHO, 2007; Anderson et al., 2009; Wagenaar et al., 
2009; Babor et al., 2010; Sassi, 2015). Hierbij is het essentieel dat in het achterhoofd wordt 
gehouden dat een aanpak die steunt op een combinatie van maatregelen, die zowel op 
het niveau van de bevolking als op niveau van specifieke doelgroepen worden genomen, het 
meest effectief is. Het gaat met andere woorden om een integraal en geïntegreerd alcoholbeleid 


Voor uitgebreide info over het concept harm reduction verwijzen we naar het VAD-dossier harm reduction 
(Windelinckx, 2014). 


Dossier Alcohol 


87 


waarbij maatregelen dienen genomen te worden op het gebied van: 
de regulatie van de alcoholmarkt 
de drinkomgeving 
alcohol en verkeer 

educatie, communicatie, training en maatschappelijk bewustzijn 
commerciële communicatie 

kortdurende interventies (zie hoofdstuk 7.2. over vroeginterventie) 

een gediversifieerd en effectief zorgaanbod (zie hoofdstuk 7.3. over hulpverlening) 


7. 5. 1.1. De regulatie van de alcoholmarkt 

De meest effectieve maatregelen zijn deze die de financiële en fysieke beschikbaarheid van alcohol 
beperken. Deze maatregelen zorgen ervoor dat het kopen of verkrijgen van alcohol moeilijker 
wordt. De fysieke beschikbaarheid van alcohol kan beperkt worden door het instellen en handhaven 
van leeftijdsgrenzen"*"* (Wagenaar et al., 2005; Loring, 2014; WHO, 2014), door de verkoop te 
beperken of door alcoholverkoop op bepaalde plekken te verbieden (zoals benzinestations en 
winkels waar geen levensmiddelen worden verkocht) (Campbell et al., 2009; Van den Berg & 
Schoemaker, 2010) en het beperken van openingstijden (Hahn et al., 2010; Middleton et al., 
2010 ). 

Ook de financiële beschikbaarheid kan beperkt worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het invoeren 
van prijsverhogingen (zoals een extra accijnsheffing of minimum eenheidsprijzen) en het 
tegengaan van prijsreclame, zoals een verbod op happy hours. De impact van prijsveranderingen 
op alcoholconsumptie en de schade door alcohol is één van de meest onderzochte 
beleidsmaatregelen: verschillende studies tonen aan dat een wijziging in de prijs van alcohol een 
invloed heeft op de alcoholconsumptie en de schade ervan. Een stijging van de prijs van alcohol 
leidt over het algemeen tot een daling van de alcoholconsumptie én de maatschappelijke schade 
gelinkt aan alcohol. De wijze waarop mensen hun consumptie aanpassen bij prijsveranderingen is 
echter verschillend van land tot land en kan verschillen overheen de tijd. Onder meer factoren 
zoals inkomen, cultuur, trends, perceptie (luxegoed of dagelijks gebruik) en andere 
beleidsmaatregelen (beschikbaarheid, educatie, ...) spelen een rol bij veranderingen in 
consumptiegedrag. Onderzoek bevestigt dat prijsstijging de consumptie bij jongeren doet dalen en 
een grotere impact heeft bij de frequenter en zwaardere drinkers dan bij de lichtere drinkers. 
Prijswijzigingen hebben ook een invloed op bingedrinken (Anderson et al., 2012). 

Taxatie is één manier om invloed uit te oefenen op de prijs van alcohol, met een onmiddellijke en 
grote impact op de zwaardere en jonge drinkers (European Action Plan to Reduce the Harmful use 
of alcohol 2012-2020). Het effect van prijsstijging wordt beïnvloed door andere belendende 
maatregelen en factoren, één daarvan is betaalbaarheid (aanpassen van prijs t.o.v. inkomen). Een 
duidelijke meerprijs voor alcohol vergeleken met niet-alcoholische dranken en een minimumprijs 
voor alcoholische dranken is noodzakelijk om effect te ressorteren. 

Vooral accijnzen zijn van belang wanneer het gaat over prijssetting. Als accijnzen gebruikt zouden 
worden om de alcoholprijs in de EU 15 met 10% te verhogen dan zou dit leiden tot een afname van 
meer dan 9.000 doden in een volgend jaar. Bovendien zouden de inkomsten door accijnzen bij 
benadering met € 13 miljard toenemen (Anderson et al 2006). 

Internationaal onderzoek is het erover eens dat de een effectieve strategie wat betreft prijszetting 
het instellen van een minimum eenheidsprijs (MEP) voor alcoholhoudende drank is. Een minimum 
eenheidsprijs is de laagste prijs die in retail kan worden aangerekend voor alcoholhoudende 
dranken in functie van inhoud pure alcohol (Katikireddi & McLean, 2012). Meest eenvoudig is om 
dit uit te drukken in standaardeenheden. Vaak is dat gebaseerd op een standaard alcoholhoudende 
consumptie in het betreffende land. In België is de overeenkomst dat een standaard 


In bijlage 4 vindt u een overzicht van de leeftijdsgrenzen voor de verkoop van alcohol in Europa. 


Dossier Alcohol 


88 


alcoholhoudende consumptie (of eenheid alcohol) lOg pure alcohol bevat. Dat komt ongeveer 
overeen met een 25cl glas pils (Jongbloet, 2015). 

7.5. 1.2. De drinkomgeving 

Er is meer en meer bewijs dat strategieën die de drinkomgeving beïnvloeden invloed hebben op het 
verminderen van alcoholgerelateerde schade. Deze strategieën zijn vooral toepasbaar in cafés en 
restaurants. Naast een goede inrichting van de locatie, is het ook belangrijk preventief te werken 
rond omgevingsfactoren als drukte, uitdroging, oververhitting en klimaatbeheersing. Dit zijn 
allemaal factoren die gezondheidsproblemen kunnen uitlokken bij gebruikers van alcohol. Hieronder 
worden enkele aanbevelingen uit de internationale literatuur en praktijk opgesomd: 

Veilig deurbeleid: dit kan er uit bestaan dat mensen onder de minimumleeftijd om alcohol 
te drinken en mensen die reeds dronken zijn niet binnen mogen in bars of op feestjes 
(Duch et al., 2012). 

Verantwoord schenken en bewust omgaan met alcohol: opleidingsprogramma's voor 
schenkers van alcoholische dranken met het oog op de preventie van dronkenschap en 
dronken rijden blijken effectief te zijn. Dit geldt des te meer wanneer deze worden 
geïmplementeerd in het kader van een bredere gemeenschapsgerichte aanpak (Wagenaar 
et al., 2000). Onderzoek toont tevens aan dat een intensieve, face-to-face schenktraining, 
opgevolgd door een streng en actief management effectief is in het verminderen van 
dronkenschap (Mulvihill et al., 2005). 

Onderzoek over agressie in bars laat zien dat training pas echt effectief wordt als ze verder 
gaat dan verantwoord alcohol schenken. Alle medewerkers moeten voorbereid worden om 
effectief tussenbeide te komen in elke probleemsituatie die kan opduiken (Duch et al., 
2012 ). 

Drank schenken in bekers gemaakt van polycarbonaat. Deze bekers zijn gemaakt van hard 
en duurzaam plastic. Ze zien er hetzelfde uit als glas, maar zijn nagenoeg onbreekbaar 
(Duch et al., 2012). Op die manier kunnen verwondingen voorkomen worden. Bovendien 
worden ze minder op de grond gegooid. Men kan de lege bekers ook laten verzamelen door 
fuifgangers, die dan een gratis drankje krijgen wanneer ze een bepaald aantal bekers 
verzameld hebben (Hughes et al., 2011). 

Omwille van het vochtafdrijvend effect van alcohol is een ruim assortiment aantrekkelijke 
alcoholvrije dranken aan democratische prijzen een noodzakelijke preventiemaatregel om 
uitdroging tegen te gaan. Geschikte dranken zijn water, softdrinks (bijvoorbeeld cola en 
fruitsap) of isotone sportdrinks (bijvoorbeeld Isostar® en Aquarius®). Deze laatste hebben 
de eigenschap om de vochtbalans snel te herstellen (De Paepe, Schrooten & Van Havere, 
2012 ). 


7.5. 1.3. Alcohol en verkeer 

De meest effectieve beleidsmaatregelen op het gebied van alcohol en verkeer zijn at random 
uitgevoerde ademanalyses, een lager wettelijk toegestaan bloedalcoholgehalte, inbeslagname van 
het rijbewijs en een verlaagd wettelijk bloedalcoholgehalte voor jonge verkeersdeelnemers. De 
beperkt beschikbare data tonen geen bewijs voor de werking van trainingsprogramma's voor 
veroordeelde rijders onder invloed en van campagnes gericht op de preventie van rijden onder 
invloed. Een alcoholslot kan effectief zijn als preventiemaatregel, maar werkt alleen als een 
maatregel voor overtreders zolang het slot ook aan een voertuig bevestigd is (Babor et al., 2010). 
In hoofdstuk 5.1.3. kan u meer lezen over de gevolgen van alcohol in het verkeer en maatregelen 
die op dit vlak genomen (kunnen) worden. 


Dossier Alcohol 


89 


7.5. 1.4. Educatie, communicatie, training en maatschappelijk bewustzijn 


De invloed van de meeste beleidsmaatregelen die educatie, communicatie, training en 
maatschappelijk bewustzijn ondersteunen, is over het algemeen laag. Hoewel het bereik van 
educatieve programma's op scholen hoog is (er zijn veel toehoorders), wordt het potentieel ervan 
pas ten volle benut als ze gecombineerd worden met andere maatregelen. 

Massamediale voorlichtingsprogramma's hebben als doel om het maatschappelijk bewustzijn voor 
de alcoholproblematiek te vergroten en een draagvlak te creëren voor specifieke maatregelen. Zo 
kan een communicatiecampagne het feit dat alcohol gemakkelijk verkrijgbaar is en het gebrek aan 
een doeltreffende aanpak van alcoholgerelateerde problemen op zowel de lokale als de hogere 
politieke agenda's plaatsen. Educatie in combinatie met andere maatregelen kan op deze manier 
wel degelijk een effect hebben. Zo kunnen educatieve pakketten, betere gezondheidsinformatie 
over alcoholische dranken en draagvlakvergrotende campagnes, noodzakelijk zijn voor het 
ondersteunen van minimum eenheidsprijzen (Lonsdale et al., 2012). 


7.5. 1.5. Commerciële communicatie 

Alcoholreclame heeft een impact op het drinkgedrag van jongeren. Hoe meer jongeren worden 
blootgesteld aan alcoholreclame, hoe vroeger zij beginnen met het drinken van alcohol en hoe 
meer ze drinken (Anderson et al., 2009). Alcoholmarketing gebruikt verschillende kanalen, die vaak 
tegelijkertijd naast elkaar worden ingezet, de zogenaamde marketingmix, om potentiële 
consumenten te bereiken (Eucam, 2011). 

Gezondheidsschade door alcoholmarketing kan alleen vermeden worden door een totaal en globaal 
verbod op alcoholreclame. Idealiter vallen alle types van alcoholmarketing daaronder (sponsoring, 
merchandising, gedrukte media, reclame op tv en cinema, internet, ...). Indien het politieke en/of 
maatschappelijke klimaat dit niet toelaat is een wettelijke regulering en een partieel verbod 
overeenkomstig de 'loi Evin"*^ in Frankrijk een tussenoplossing. Daarin dient vastgelegd te worden 
welke alcoholreclame toegestaan is. De wettelijke regulering dient dan gekoppeld te worden aan 
een onafhankelijk controleorganisme. In het ideale scenario wordt dit op Europees (of zelfs 
mondiaal) niveau geregeld: wanneer een bepaald land bijvoorbeeld een wet goedkeurt om 
alcoholreclame op TV te verbieden, wil dit niet zeggen dat de burgers van dat land geen 
alcoholreclame meer zullen tegenkomen op TV. Er zijn in deze geglobaliseerde wereld immers tal 
van buitenlandse TV-zenders waar dit wel nog op wordt uitgezonden. Daarenboven zorgt 
sponsoring van bepaalde evenementen er bij een reclameverbod ook voor dat alcoholmerken toch 
nog op het scherm verschijnen. Denk hierbij aan de talloze sportwedstrijden die gesponsord 
worden door één of ander biermerk (Hastings, 2014). 

Ondersteunend daarbij kunnen preventiestrategieën de impact van alcoholreclame beïnvloeden en 
mediawijsheid aanleren als onderdeel van een algemene preventiestrategie om vroegtijdig starten 
met alcoholgebruik en alcoholgerelateerde problemen te voorkomen (De Donder, 2014). 


De Franse loi Evin legt sinds 1991 reclamebeperkingen op voor dranken met een alcoholpercentage van meer dan 1,2% 
alcohol en beperkt de plaatsen waar alcoholreclame is toegestaan (Regaud & Craplet, 2004; Bourdillon, 2009). Door deze wet is 
in Frankrijk geen reclame toegestaan gericht op jongeren, op televisie en in cinema. Er is evenmin sponsoring toegelaten van 
culturele of sportmanifestaties. Reclame is wel toegestaan in de pers voor volwassenen, op billboards, op radio (onder precieze 
omstandigheden), op speciale events of plaatsen (zoals wijnbeurzen). Sinds 2009 is alcoholreclame expliciet toegestaan op 
internet. Van de reclame wordt de inhoud gecontroleerd: boodschappen en beelden mogen enkel verwijzen naar de kwaliteiten 
van het product zoals het alcoholgehalte, de herkomst, de samenstelling, de productiewijze of de gebruikswijze. Aan elke 
reclame moet bovendien de gezondheidsboodschap toegevoegd worden: 'l'abus d'alcool est dangereux pour la santé'. 

.i 


Dossier Alcohol 


90 


7.5.2. Op weg naar een (globaal) alcoholbeleld 

"In zijn meest brede zin is de doelstelling van een alcoholbeleld het installeren van geschikte, 
realistische en structurele maatregelen die alcoholgerelateerde schade terugdringen en veilig 
drinkgedrag promoten" (Stimson et al., 2007; 73). Om alcoholgerelateerde problemen aan te 
pakken moet een beleid immers rekening houden met allerlei belangen en afwegingen. In haar 
'Framework for alcohol policy in the WHO European Region' (2006), erkent de 
Wereldgezondheidsorganisatie dat het symbolisme dat gelinkt is aan alcohol en drinken vaak in de 
weg staat van een rationeel beleid. De uitdaging van een beleid is daarom "het accepteren van 
zowel de gewoonte en de gepercipieerde positieve aspecten van alcoholconsumptie, en toch 
effectieve acties ondernemen om alcoholgerelateerde schade te verminderen" (WHO, 2006: 10). 

Elk land in de Europese Unie heeft een aantal wetten en reguleringen waarin alcohol als bijzonder 
product wordt onderscheiden van andere handelsproducten. De argumenten hiervoor zijn meestal 
gebaseerd op gezondheidsbelangen. Het startpunt voor een beleid is natuurlijk het regelen van de 
consumptie door controle uit te oefenen op de prijzen (accijnzen) en de toegang tot alcohol. 
Daarnaast hebben alle EU-landen een bepaalde vorm van beleid met betrekking tot alcohol en 
verkeer (Anderson & Baumberg, 2006). 

Het huidige beeld van alcoholbeleld in Europa verschilt erg van het beeld van 50 jaar geleden. De 
mate waarin alcohol gereguleerd is in de verschillende landen, ligt nu veel dichter bij elkaar. Dit 
komt door de toename van het aantal reguleringen in veel landen. Waar er wel nog relatief grote 
verschillen te vinden zijn, is in de striktheid van het beleid (Karlsson & Österberg, 2001; Anderson 
& Baumberg, 2006). 

Hieronder wordt een bondig overzicht gegeven van de belangrijkste evoluties en huidige stand van 
zaken met betrekking tot het alcoholbeleld, en dit binnen zowel een globale, Europese, Belgische 
als Vlaamse context. 


7. 5. 2.1. (Inter)nationale actieplannen 

Vanuit de 'World Health Assembly' van de Wereldgezondheidsorganisatie kwam in 2010 een 
globale strategie om alcoholproblemen het hoofd te bieden tot stand''®. Deze strategie is een 
consensus tussen alle 193 lidstaten (waaronder België). De strategie identificeert 10 
werkgebieden: leiderschap en bewustwording, gezondheidsdiensten, activiteiten op lokaal niveau, 
rijden onder invloed, aanbod van alcohol, marketing van alcohol, prijsbeleid, schadebeperking, 
beperking illegale alcohol en monitoring. Effectieve beleidsopties zijn onder andere: expertise 
onderbrengen in één centrum, verhogen van de preventie- en hulpverleningscapaciteit, screening 
en kortdurende interventies en versterken van lokaal beleid. 

Daarnaast heeft het Europees bureau van de WGO sinds 1992 een traditie om in eigen 
actieplannen de globale strategie verder uit te werken. Het regionaal comité stemde in september 
2011 resolutie EUR/RC61/R4. Hierdoor keurde men het actieplan waarop momenteel beleid geënt 
dient te worden goed voor de periode 2012-2020. Dit plan omvat dezelfde werkgebieden, maar 
biedt tevens een breed gamma aan relatief goedkoop te implementeren beleidsaanbevelingen aan 
die het schadelijk gebruik van alcohol kunnen terugdringen. 

Op Europees niveau liep tot 2012 de EU-alcoholstrategie. Deze had tot doel het beperken van 
alcoholgerelateerde schade en het aanzetten van de EU-landen tot ondernemen van actie op dit 
vlak. De alcoholstrategie van de EU moest nationale overheden en andere belanghebbenden helpen 
hun maatregelen tegen alcoholgerelateerde schade in de EU te coördineren. Het is van cruciaal 


f http://www.who.int/substa nee abuse/activities/asrhua/en/ 1 

http://www.euro.who.int/en/health-topics/disease-prevention/alcohol-use/publications/2012/european- 
action-pian-to-reduce-the-harmful-use-of-aicohol-20 122021 ') 


Dossier Alcohol 


91 


belang dat er een nieuwe EU-strategie komt. In 2011 verzocht Eurocare samen met 88 NGO's de 
Europese Commissie en de lidstaten om te werken aan een nieuwe strategie. In mei 2015 keurde 
het Europees parlement een Resolutie goed om een nieuwe alcoholstrategie te ontwikkelen. Ook 
een aantal EU-regeringsleiders dringen hierop aan. De Europese Commissie is tot op heden 
evenwel niet bereid om hierop in te gaan. 

Op nationaal niveau vormt de Federale Drugsnota van 2001 de basis van het beleid. Deze 
Drugnota werd in 2010 geactualiseerd in een gemeenschappelijke verklaring van 25 januari 2010 
van de Interministeriële Conferentie Drugs (B.S./M.B. 15.04.2010) en vormt nog steeds de basis 
van het huidige beleid. Deze beleidsnota's beogen een globaal en geïntegreerd drugbeleid in België. 
Alle beleidsniveaus (federale overheid en gemeenschappen en gewesten) en alle relevante 
departementen (gezondheid, veiligheid, justitie) werden betrokken. Gezondheid vormt evenwel het 
belangrijkste uitgangspunt van het beleid. De Federale Drugsnota is vooral gericht op illegale 
drugs, maar omvat in principe ook alcohol, tabak en psychoactieve medicatie. 

Na de oproep van de Wereldgezondheidsorganisatie om het schadelijke gebruik van alcohol te 
beperken, kreeg dit onderwerp aandacht in België. In 2008 werd een gemeenschappelijke 
verklaring van de ministers van Volksgezondheid goedgekeurd over het alcoholbeleid in België. 
Deze verklaring vormde de basis voor een Nationaal Alcohol Plan (NAP). Fliervan werd in 2013 een 
ontwerpversie uitgewerkt, die evenwel later werd verworpen. De maatregelen met betrekking tot 
preventie, behandeling en monitoring van het schadelijke gebruik van alcohol werden gesteund 
door alle belanghebbenden. Er was echter geen overeenstemming over een aantal voorstellen met 
betrekking tot de beschikbaarheid van alcohol (verbod op happy hours of tijdelijke prijsacties, 
verhogen van minimumleeftijd tot 18 jaar, verkoop in automaten). De wijzigingen verzwakten de 
inhoud van het NAP en het plan kon niet door de Interministeriële Conferentie Drugs worden 
goedgekeurd. 

Op Vlaams niveau keurde de Vlaamse Regering op 6 maart 2009 de gezondheidsdoelstelling 
tabak, alcohol en drugs officieel goed, samen met het Vlaams Actieplan tabak, alcohol en drugs 
2009 - 2015. 

De gezondheidsdoelstelling werd geformuleerd op basis van de gezondheidsconferentie van 23 en 
30 november 2006 en luidt als volgt: "Het realiseren van gezondheidswinst op bevolkingsniveau 
door tegen het jaar 2015 het gebruik van tabak, alcohol en illegale drugs terug te dringen". 
Specifiek voor alcohol: 

• Bij personen van 15 jaar en jonger is het percentage dat meer dan 1 keer per maand drinkt 
niet hoger dan 20% (in het schooljaar 2004 - 2005 was dat 26,6%). 

• Bij de 15- tot 25-jarigen ligt het percentage jongeren dat minstens 1 keer per week 6 
glazen op 1 dag drinkt niet hoger dan 13% (in 2004 was dat 17,3%). 

• Bij de mannen van 16 jaar en ouder is het percentage dat meer dan 21 eenheden per week 
drinkt niet hoger dan 10% (in 2004 was dat 13%). 

• Bij de vrouwen van 16 jaar en ouder is het percentage dat meer dan 14 eenheden per 
week drinkt niet hoger dan 4% (in 2004 was dat 5,5%). 

Het Vlaams actieplan tabak, alcohol en drugs (TAD)'^^ is opgemaakt om de 
gezondheidsdoelstelling te realiseren en de gezondheidsschade door tabak, alcohol en drugs te 
verminderen. Dat kan alleen door het gebruik van die middelen op bevolkingsniveau te doen dalen. 
Het actieplan groepeert de verschillende maatregelen en strategieën waarop het Vlaamse 
preventiebeleid rond TAD wordt uitgebouwd. 

Om te komen tot een daling van het aantal gebruikers en een vermindering van de schade als 
gevolg van middelengebruik kiest Vlaanderen voor een integrale aanpak: het gelijktijdig invoeren 
van een reeks elkaar ondersteunende maatregelen waarvan de effectiviteit bewezen is. Binnen dat 
beleid is er ruimte om te diversifiëren naar verschillende doelgroepen en sectoren en worden 
concrete oplossingen geboden voor zeer verscheiden noden en problemen. Om de vooropgestelde 


https://www.zora-en-aezondheid.be/Beleid/Gezondheidscloelstellinqen/Vlaams-actieplan-tabak.-alcohol-en- 

druqs-2009-2015/ 


Dossier Alcohol 


92 


gezondheidsdoelstelling te bereiken moet de integrale beleidsvisie in de praktijk gebracht worden 
binnen verschillende sectoren en bij de verschillende doelgroepen: 

• school 

• werkplek 

• vrije tijd 

• gevangenissen 

• lokale besturen 

• welzijns- en gezondheidswerkers 

• gezinnen 

• hulpverlening 

• voorzieningen voor jongeren met een hoogrisicoprofiel 

Momenteel is voorzien dat de gezondheidsdoelstelling en het Actieplan in 2016 worden geëvalueerd 
en de basis vormen voor een nieuwe gezondheidsconferentie. Deze moet resulteren in een nieuwe 
doelstelling en een geactualiseerd actieplan. 


Dossier Alcohol 


93 


Dossier Alcohol 


Referenties 


Aartsen, M., Comijs, H., & van Tilburg, T. (2010). Ouderen en verslaving. Een overzichtsstudie. 
Amsterdam: Vrije universiteit Amsterdam. 

Aartsen, M.J. (2012). Ouderen en het gebruik van genotsmiddelen: een onderschat 

probleem. Tijdschrift voor gerontologie en geriatrie, 43(3), 112-114. 

Abbey, A. (2011). AlcohoI's role in sexual violence perpetration: theoretical explanations, existing 
evidence and future directions. Drug and Alcohol Review, 30(5), 481-489. 

Abramsky, T., Watts, C.H., Garcia-Moreno, C., Devries, K., Kiss, L., Ellsberg, M., et al. (2011). What 
factors are associated with recent intimate partner violence? Findings from the WHO multi- 
country study on women's heaith and domestic violence. BMC public heaith, 11(1), 109. 

Agabio, R., Trincas, G., Floris, F., Mura, G., Sancassiani, F., & Angermeyer, M. C. (2015). A 
systematic review of school-based alcohol and other drug prevention programs. Clinical 
practice and epidemiology in mental heaith: CP & EMH, ll(Suppl 1 M6), 102. 

Ahlström, S. (2000). The young adult. In Cooper, D.B. (ed.). Alcohol Use (pp. 39-50), Abingdon: 
Radcliffe Medical Press. 

Ahmad Kiadaliri, A., Jarl, J., Gavriilidis, G., & Gerdtham, U. G. (2013). Alcohol drinking cessation 
and the risk of laryngeal and pharyngeal cancers: a systematic review and meta- 
analysis. PloS one, 8(3), 581-588. 

Alcohol Concern (2001). Dangerous cocktails, your mental heaith medication and alcohol: what are 
the facts. London: Alcohol Concern. 

Alcohol Concern (2015). Alcohol and diabetes factsheet. Geraadpleegd op 27 augustus 2015 via 
http://www.alcoholconcern.org.uk/wp- 

content/uploads/woocommerce_uploads/2015/06/Alcohol-Diabetes-Factsheet.pdf 

Alcohol Health Alliance UK (AHA UK) (2013). Alcohol and cancer. Geraadpleegd op 27 augustus 

2015 via http://www.m-c-a.org.uk/documents/2013cancer_alcohol_aha 

Allamani, A. (2008). Alcoholic beverages, gender and European cultures. Substance Use & Misuse, 
43, 1088-1097. 

Alles over dna (2015). Epigenetica. Geraadpleegd op 20 november 2015 via 
http://www.allesoverdna.nl/woordenboek/epiqenetica.html. 

American Association on Intellectual and Developmental Disabilities (AAIDD) (2013). Definition of 
Intellectual Disability. Washington: AIDD. Geraadpleegd op 14 oktober 2015 via 

http://aaidd.orq/intellectual-disabilitv/definition#.Vh4feXp4uM8 

American Psychiatrie Association (APA) (2014). Handboek voor de classificatie van psychische 
stoornissen DSM-5. Nederlandse vertaling van DIagnostic and Statistical Manual of Mental 
Disorders, Fifth edition. Amsterdam: Boom. 

Amrani, L., De Backer, L., & Dom, G. (2012). Adolescent binge drinking: neurocognitive 
consequences and gender differences. Tijdschrift voor psychiatrie, 55(9), 677-689. 

Anderson, P., & Baumberg, B. (2006). Alcohol in Europe. A report for the European Commission. 
Londen: Institute of Alcohol Studies. 

Anderson, P, & Scafato, E. (2010). Alcohol and older people: a public heaith perspective Vintage 
Project Report. Maastricht: Universiteit Maastricht; Rome: Istituto Superiore di Sanita. 

Anderson, P. (2012). Information and education. In P. Anderson, L., Moller, & G. Galea (pp. 35-39). 
Alcohol in the European Union. Consumption, harm and pollcy approaches. Copenhagen: 
WHO. 

Anderson, P., Chisholm, D., & Fuhr, D. C. (2009). Effectiveness and cost-effectiveness of policies 
and programmes to reduce the harm caused by alcohol. The Lancet, 373(9682), 2234-2246. 

Anderson, P., Gual, A., & Colom, J. (2005). Alcohol and Primary Health Care: Clinical Guidelines on 
Identification and Brief Interventions. Barcelona: Department of Health of the Goverment of 
Catalonia. 

Anderson, P, Moller, L., & Galea, G. (2012). Alcohol in the European Union. Consumption, harm 
and policy approaches. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe . 

Ansoms, S., Casselman, J., Matthys, F., & Verstuyf, G. (red.) (2004). Hulpverlening bij 
problematisch alcoholgebruik. Antwerpen/Apeldoorn: Garant. 


Dossier Alcohol 


95 


Anthony, J.C., & Echeagaray-Wagner, F. (2001). Epidemiologie analysis of alcohol and tobacco use. 
Patterns of co-occuring consumption and dependance in the United States. Alcohol Research 
& Health, 24(4), 201-208. 

Arranz, S., Chiva-Blanch, G., Valderas-Martmez, P., Medina-Remón, A., Lamuela-Raventós, R. M., & 
Estruch, R. (2012). Wine, beer, alcohol and polyphenols on cardiovascular disease and 
cancer. Nutrients, 4(7), 759-781. 

Arria, A.M., & Gossop, M. (1998). Health Issues and Drinking Patterns. In GRANT, M. & LITVAK, J. 
(eds.). Drinking Patterns and thelr Consequences (pp. 63-87), London: Tayior & Francis. 

Babor, T. (2010). Alcohol: no ordinary commodlty: research and public policy. Oxford University 
Press. 

Babor, T.F., Caetano, R., Casswell S., Edwards, G., Giesbrecht, N., Graham, K., et al. (2003). 
Alcohol: No Ordinary Commodlty. Research and Public Policy. Oxford: Oxford Medical 
Publication, Oxford University Press. 

Bagnardi, V., Rota, M., Botteri, E., Tramacere, I., Islami, F, Fedirko, V., et al. (2013). Light alcohol 
drinking and cancer: a meta-analysis. Annals of oncology, 24(2), 301-308. 

Bailey, B. A., & Sokol, R. J. (2011). Prenatal alcohol exposure and miscarriage, stillbirth, preterm 
delivery, and sudden infant death syndrome. Alcohol Research & Health, 34(1), 86-91. 

Bamberger, P.A., & Bacharach, S.B. (2014). Retirement and the hidden epidemie. The complex link 
between aging, work disengagement, and substance misuse-and what to do about It. New 
York: Oxord University Press. 

Barnes, M.J. (2014). Alcohol: impact on sports performance and recovery in male athietes. Sports 
Medicine, 44(7), 909-919. 

Beek, A., & Heinz, A. (2013). Alcohol-related aggression— social and neurobiological 

factors. Deutsches Arzteblatt International, 110(42), 711. 

Belgische Brouwers (2014). Blerbarometer 2014. Brussel: Belgische Brouwers. Geraadpleegd op 3 
december 2015 via http://www.belqianbrewers.be/nl/nieuws/berichten-van-de-federatie/ 

Belgische brouwers (2014). Jaarraport 2014. Geraadpleegd op 12 augustus 2015 via 
http://belgianbrewers.be/en/economy/article/employment-104 

Belgische Brouwers (2015). BOB. Brussel: Belgische Brouwers. Geraadpleegd op 9 december 2015 
via http://www.belqianbrewers.be/nl/verantwoordeliikheid/bob/ 

Belgische Brouwers (2015). BOB. Brussel: Belgische Brouwers. Geraadpleegd op 9 december 2015 
via http://www.belqianbrewers.be/nl/verantwoordeliikheid/bob/ 

Belliner, K. (ed.) (2000). Alcohollsm sourcebook. Detroit: Omnigraphics. 

Bendsen, N. T, Christensen, R., Bartels, E. M., Kok, F. J., Sierksma, A., Raben, A., & Astrup, A. 

(2013). Is beer consumption related to measures of abdominal and general obesity? A 

systematic review and meta-analysis. Nutritlon revlews, 71(2), 67-87. 

Berkey, C.S., Willett, W.C., Frazier, A.L., Rosner, B., Tamimi, R.M., Rockett, H.R., & Colditz, G.A. 
(2010). Prospective study of adolescent alcohol consumption and risk of benign breast 
disease in young women. Pedlatrics, 125(5), el081-el087. 

BIVV (2015). Lancering wInter-BOB-campagne: een beetje BOB bestaat niet. Persbericht 25 
november 2015. Brussel: BIVV. Geraadpleegd op 9 december 2015 via 

http://bivv.be/frontend/files/press releases/lancerinq-winter-bob-campaqne-een-beetie- 
bob-bestaat-niet..pdf 

BIVV (2015). Lancering wInter-BOB-campagne: een beetje BOB bestaat niet. Persbericht 25 
november 2015. Brussel: BIVV. Geraadpleegd op 9 december 2015 via 

http://bivv.be/frontend/files/press releases/lancerinq-winter-bob-campaqne-een-beetie- 
bob-bestaat-niet..pdf 

Bloomfield, K., Allamani, A., Beek, F., Bergmark, K. H., Csemy, L., Eisenbach-StangI, I., et al. 
(2005). Gender, culture and alcohol problems: A multl-natlonal study. Project FInal Report. 
Berlin: Institute for Medical Informaties, Biometrics & Epidemiology, Charité 

Universitatsmedizin Berlin. 

Boelema, S., Ter Bogt, T., Van Den Eijnden, R., & Vandurmen, J. (2009). Fysieke, functionele en 
gedragsmatige effecten van alcoholgebruik op de ontwikkeling van 16-18 Jarigen. Utrecht: 
Trimbos Instituut & Universiteit Utrecht. 

Bourdillon, F. (2009). Une loi sur la santé autorise la publicité pour l'alcool. Santé Publlque, 21(4), 
353-354. 

Bovens, R., & Weingart, S. (2011). Vroegsignalering alcohol bij senioren. Verslaving, 7(3), 57-64. 


Dossier Alcohol 


96 


Bovens, R.H.M.L, van Etten, D.M., & Weingart S.W.S.M. (2013). Ouderen en verslaving: 
adviesrapport in opdracht van stichting resultaten scoren. Stichting resultaten scoren: 
Amersfoort. 

Boyle, P., Boffetta, P., Lowenfels, A. B., Burns, H., Brawley, O., Zatonski, W., & Rehm, J. (Eds.). 
(2013). Alcohol: Science, Pollcy and Public Health. Oxford University Press. 

Brache, K., & Stockwell, T. (2011). Drinking patterns and risk behaviors associated with combined 
alcohol and energy drink consumption in college drinkers. Addictive behaviors, 36(12), 1133- 
1140. 

Brain, K., Parker, H., & Carnwath, T. (2000). Drinking with Design: young drinkers as psychoactive 
consumers. Drugs: educatlon, preventlon and pollcy, 7(1), 5-20. 

Brennan, P.L., & Soohoo, S. (2013). Pain and use of alcohol in later life: prospective evidence from 
the heaith and retirement study. Journal ofAgIng and Health, 25(4), 656-677. 

Brennan, P.L., Schutte, K.K., & Moos, R.H. (2010). Retired status and older adults' 10-year drinking 
trajectories. Journal of Studies on Alcohol and Drugs, 71(2), 165-168. 

Brisby, T., Baker, S., & Hedderwick, T. (1997). Under the Influence: coping with parents who drink 
too much. A report on the needs of chlldren of problem drinking parents. Londen: Alcohol 
concern. 

Brownlee, N. (2002). This Is alcohol. London: Sanctuary Publishing. 

Cameron, D. (2000). lts use in perspective. In Cooper, D.B. (ed.). Alcohol use (pp. 13-23), 
Abingdon: Radcliffe Medical Press. 

Campbell, C. A., Hahn, R. A., Elder, R., Brewer, R., Chattopadhyay, S., Fielding, J., et. al. (2009). 
The effectiveness of limiting alcohol outlet density as a means of reducing excessive alcohol 
consumption and alcohol-related harms. American Journal of preventive medicine, 37(6), 
556-569. 

Castaldelli-Maia, J.M., & Bhugra, D. (2014). Investigating the interlinkages of alcohol use and 
misuse, spirituality and culture-Insights from a systematic review. International review of 
psychlatry, 26(3), 352-367. 

Gastro, F. G., Barrera Jr, M., Mena, L. A., & Aguirre, K. M. (2014). Culture and alcohol use: 
Flistorical and sociocultural themes from 75 years of alcohol research. Journal of Studies on 
Alcohol and Drugs, Supplement, (sl7), 36-49. 

Cederbaum, A. I. (2012). Alcohol metabolism. Cllnics In llver disease, 16(4), 667-685. 

Center for Substance Abuse Treatment (2012). Substance Abuse Among Older Adults. Treatment 
Improvement Protocol (TIP) Series, No. 26. FIHS Publication No. (SMA) 12-3918. Rockville, 
MD: Substance Abuse and Mental Health Services Administration. 

Cercarelli, R., Allsop, S., Evans, M., & Velander, F. (2012). Reducing alcohol-related harm In the 
workplace (An evidence review: full report). Melbourne: Victorian Health Promotion 
Foundation. Geraadpleegd op 11 oktober 2015 via 

http://ndri.curtin.edu.au/local/docs/pdf/publications/T214.pdf 

Champion, K.E., Newton, N.C., Barrett, E.L., & Teesson, M. (2013). A systematic review of 
school-based alcohol and other drug preventlon programs facilitated by computers or the 
Internet. Drug and alcohol review, 32(2), 115-123. 

Chandola, T., Britton, A., Brunner, E., Hemingway, H., Malik, M., Kumari, M., Badrick, E., Kivimaki, 
M., & Marmot, M. (2008). Work stress and coronary heart disease: what are the 
mechanisms? European Heart Journal, 29, 640-648. 

Chapman, S.L.C., & Wu, L.T. (2012). Substance abuse among individuals with intellectual 
disabilities. Research In Developmental Disabllltles, 33(4), 1147-1156. 

Cherpitel, C. J. (2014). Focus on: the Burden of Alcohol use— trauma and Emergency 
outcomes. Alcohol research: current revlews, 35(2), 150. 

Cherpitel, C.J., Ye, Y., Bond, J., Room, R., & Borges, G. (2012). Attribution of alcohol to violence- 
related injury: self and other's drinking in the event. Journal of studies on alcohol and 
drugs, 73(2), 277. 

Chisholm, D., Doran, C., Shibuya, K. (2006). Comparative cost-effectiveness of pollcy Instruments 
for reducing the global burden of alcohol, tobacco and illicit drug use. Drug and Alcohol 
Review, 25(6), 553-565. 

Chopra, K., & Tiwari, V. (2012). Alcoholic neuropathy: possible mechanisms and future treatment 
possibilities. British Journal ofcllnical pharmacology ,73(3) , 348-362. 

I 


Dossier Alcohol 


97 


Clayton, R. (1986). Multiple drug use: Epidemiology, correlates and consequences. In M. 
GALANTER (Ed.), Recent developments in alcoholism. New York: Plenum. 

Colell Ortega, E., Sanchez-Niubó, A., Benavides, F.G., Delclos, G.L., & Domingo i Salvany, A. 
(2014). Work-related stress factors associated with problem drinking: A study of the Spanish 
working population. American Journai of Industriai Medicine, 57(7), 837-846. 

Connor, J., & Casswell, S. (2012). Alcohol-related harm to others in New Zealand: evidence of the 
burden and gaps in knowledge. The New Zeaiand Medicai Journai, 125(1360), 11-27. 

Conor, 0.0. (1993). Alcohol and sport. Impact of social drinking on recreational and competitive 
sports performance, Sports Medicine 15 (2), 1993, 11-11 . 

Gooien, C. et. al. (2002), Huipveriening aan kinderen van aicohoiisten. Gezinnen onder invioed - 
invioedrijke gezinnen, Brussel: VAD. 

Cooper, M.L., Peirce, R.S., & Huselid, R.F. (1994). Substance use and sexual risk taking among 
black adolescents and white adolescents. Heaith Psychoiogy , 13(3), 251-262. 

Cunningham, R M., Walton, M.A., Goldstein, A., Chermack, S.T., Shope, J.T., Raymond Bingham, C., 
et al. (2009). Three-month Follow-up of Brief Computerized and Therapist Interventions for 
Alcohol and Violence Among Teens. Academie emergency medicine, 16(11), 1193-1207. 

Dassanayake, T., Michie, P., Carter, G., & Jones, A. (2011). Effects of 

benzodiazepines,antidepressants and opioids on driving: a systematic review and meta- 
analysis of epidemiological and experimental evidence. Drug Safety, 54(2), 125-156. 

Dawson, D. A. (2011). Defining risk drinking. Aicohoi research and heaith, 54(2), 144. 

Dawson, D.A., Goldstein, R.B., Patricia Chou, S., June Ruan, W., & Grant, B.F. (2008). Age at first 
drink and the first incidence of adult-onset DSM-IV alcohol use disorders. Aicohoiism: Ciinicai 
and Experimentai Research, 52(12), 2149-2160. 

de Bruijn, A., Tanghe, J., Beccaria, F., Bujalski, M., Celata, C., Gosselt, J., Schreckenberg, D., & 
Slowdonik, L. (2012). Report on the impact of European aicohoi marketing exposure on 
youth aicohoi expectancies and youth drinking. Deliverable 2.3 and 3.7, Work Package 4 

de Bruijn, A., van den Wildenberg, E., & van den Broeck, A. (2012). Commerciai promotion of 
drinking in Europe. Key findings of independent monitoring of aicohoi marketing in five 
European countries. Utrecht: STAP. 

De Donder, E., & Lambrechts, M.C. (2002). Situering problematisch middelengebruik (pp. 13-40). 
In De Donder, E., De Maeseneire, I., Geirnaert, M., Lambrechts, M.C., Roose, N., Van 
Baelen, L.,& Verstuyf, G. Aicohoi- en druggebruik: gedifferentieerde aanpak van preventie 
tot huipveriening. Mechelen: Kluwer. 

De Donder, E. (2006). Aicohoi. Cijfers in perspectief (1994-2004), Antwerpen: Garant. 

De Donder, E. (2014). Aicohoimarketing en jongeren. [Intern document]. Brussel: VAD. 

De Donder, E. (2015). Factsheet aicohoi. Brussel: VAD. Geraadpleegd op 25 november 2015 via 
http://www.vad.be/materiaal/dossiers/factsheet-alcohol.aspx 

De Maeseneire, I. (2002). Over alcopops en andere trendy drankjes, Brussel: VAD. 

de Menezes, R. F, Bergmann, A., & Thuler, L. C. S. (2013). Alcohol Consumption and Risk of 
Cancer: a Systematic. Asian Pacific Journai of Cancer Prevention, 14(9), 4965-4972. 

De Paepe, N. (2014). Een aicohoi en drugbeieid in de gehandicaptensector. Brussel: VAD. 

De Paepe, N., Schrooten, J., & Van Flavere, T. (2012). Dossier veiiig feesten. Brussel: VAD. 

De Wilde, K., Petrovic, M., & Michielsen, W. (2007). Alcoholmisbruik bij de oudere. Tijdschrift voor 
Geneeskunde, 63(1), 25-29. 

Dekker, N., de Josselin de Jong, S., van der Wulp, N.Y., & van Bijsterveldt, M. (2013). Wat Je moet 
weten over aicohoi en roken vóór, tijdens en na de zwangerschap. Trimbos-Instituut: 
Utrecht. 

Dermody, S. S., & Donny, E. C. (2014). The Predicted Impact of Reducing the Nicotine Content in 
Cigarettes on Alcohol Use. Nicotine & Tobacco Research, 16(8), 1033-1044. 

Deutsche Flauptstelle Für Suchtfragen E.V. (DFIS) (2008). Binge Drinking and Europe. Flamm: DFIS. 

Devaux, M. (2015). Social disparities in alcohol drinking. In: F. Sassi, editor, Tackiing Harmfui 
Aicohoi Use. Economics And Pubiic Heaith Poiicy (pp. 61-80). Parijs: OECD. Geraadpleegd op 
10 augustus 2015 via http://www.keepeek.com/Diqital-Asset-ManaQement/oecd/social- 
issues-miqration-health/tacklinq-harmful-alcohol-use 9789264181069-en#paqel 

Devriendt, W. (2001). Aicohoi en drugs, maak er geen sport van. Brussel: VAD. 

Devries, K.M., Child, J.C., Bacchus, L.J., Mak, J., Falder, G., Graham, K., et al. (2014). Intimate 
partner violence victimization and alcohol consumption in women: a systematic review and 


Dossier Alcohol 


98 


meta-analysis. Addiction, 109{3), 379-391. 

Diehl, K., Thiel, A., Zipfel, S., Mayer, J., Litaker, D.G., & Schneider, S. (2012). How healthy is the 
behavior of young athietes? A systematic literature review and meta-analyses. Journal of 
Sport Science and Medicine, 11, 201-220. 

Dijkstra, M., & Bransen, E. (2010). Middelengebruik bij volwassenen met een lichte verstandelijke 
beperking. Een verkennend onderzoek. Utrecht: Trimbos-instituut. 

Dours, S., Evenepoel, T., Van den Broeck, S., & Van Troos, V. (2012). GE(S)LAAGD CONTACT. 
Problematisch middelengebruik en Intrafamiliaal geweld - Editie 2012. Verkennende 
literatuurstudie en registratie bij De DrugLijn. Brussel: VAD. 

Driessen, E., & te Rietstap, E. (2009). Alcohol en teamsport. Een onderzoek aan de hand van het 
Integrated I Change Model, naar determinanten van alcoholconsumptie bij teamsporten. 
Geraadpleegd op 6 oktober 2014 via www.transferpuntsport.nl/?file_id = 14 

Drinkaware (2013). Alcohol and illegal drugs. Geraadpleegd op 10 oktober 2015 via 
https://www.drinkaware.co.Uk/media/314294/alcohol%20and%20illeqal%20druqs%20pdf.p 
df 

Droste, N., Tonner, L., Zinkiewicz, L., Pennay, A., Lubman, D. I., & Miller, P. (2014). Combined 
alcohol and energy drink use: motivations as predictors of consumption patterns, risk of 
alcohol dependance, and experience of injury and aggression. Alcoholism: Clinical and 
Experimental Research, 38(7), 2087-2095. 

Duch, M., Calafat, A., & Juan, M. (2012). Set of standerds to improve the heaith and safety of 
recreational nightlife venues. Palma de Mallorca: IREFREA. 

Edwards, A. C., Aliev, F., Wolen, A. R., Salvatore, J. E., Gardner, C. O., McMahon, G., et al. (2015). 
Genomic influences on alcohol problems in a population-based sample of young 
adults. Addiction, 110(3), 461-470. 

Edwards, G. (2000). Alcohol: The Ambiguous Molecule. Flarmondsworth: Penguin Books. 

Edwards, G., Anderson, P., Babor, T.F., Casswell, S., Ferrence, R., Giesbrecht, N., et al. (1994). 
Alcohol policy and the public good. Oxford: Oxford University Press. 

Ellickson, P.L., Tucker, J.S., & Klein, D.J. (2003). Ten-Year Prospective Study of Public Fleaith 
Problems Associated With Early Drinking. Pediatrics, 110(5), 949-955. 

Elliott, J.C., Carey, K.B., & Bonafide, K.E. (2012). Does family history of alcohol problems influence 
college and university drinking or substance use? A meta-analytical 

review. Addiction, 107(10), 1774-1785. 

Elzerbi, C., Donoghue, K., & Drummond, C. (2015). A comparison of the efficacy of brief 
interventions to reduce hazardous and harmful alcohol consumption between European and 
non-European countries: a systematic review and meta-analysis of randomised controlled 
trials. Addiction. 

Epstein, E.E., Fischer-Elber, K., & Al-Otaiba, Z. (2007). Women, aging, and alcohol use disorders. 
Journal of Women and Aging. 19(1-2), 31-48. 

European Centre For Monitoring Alcohol Marketing (EUCAM) (2008). Women - The new market. 
Trends in alcohol marketing. Geraadpleegd op 3 november 2015 via 

http://www.eucam.info/content/bestanden/women the new market final.pdf 

Ewing, J. A. (1984). Detecting alcoholism: the GAGE questionnaire. Jama, 252(14), 1905-1907. 

Farré, M., De La Torre, R., Gonzalez, M.L., Teran, M.T., Roset, P.N., Menoyo, E., &Cami, J. (1997). 
Cocaine and Alcohol Interactions in Flumans : Neuroendocrine Effects and Cocaethiene 
Metabbolism. The Journal of Pharmacology and Experimental Therapeutics, 283, 164176. 

FAS stichting Nederland (2015). Alcohol en zwangerschap. Wat iedereen zou moeten weten. 
Uithuizen: FAS stichting Nederland. Geraadpleegd op 16 oktober 2015 via 

file:///C:/Users/Ededonder/Downloads/print Iedereen factsheet.pdf 

Fedirko, V, Tramacere, I., Bagnardi, V, Rota, M., Scotti, L., Islami, F, et al. (2011). Alcohol 
drinking and colorectal cancer risk: an overall and dose-response meta-analysis of published 
studies. Annals of Oncology, 22(9), 1958-1972. 

Fiellin, D. A., Reid, M. C., & 0'Connor, P. G. (2000). Screening for alcohol problems in primary care: 
a systematic review. Archives of interna! Medicine, 160(13), 1977-1989. 

Finoulst, M., Vankrunkelsven, P. & Geirnaert, M. (2015). De vervlogen voordelen van matige 
alcoholconsumptie. Tijdschrift voor Geneeskunde, 71(24). 

FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie (2015). Bevolking naar woonplaats, nationaliteit, 
burgerlijke staat, leeftijd en geslacht. Brussel: FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. 
Geraadpleegd op 27 augustus 15 via 

http://bestat.economie.fqov.be/BeStat/BeStatMultidimensionalAnalvsis7loadDefaultId =2903 

I 


Dossier Alcohol 


99 


Poster, J. H., & Ferguson, C. (2014). Alcohol 'pre-loading': a review of the literature. Alcohol and 
alcohollsm, 49(2), 213-226. 

Foxcroft, D. R., & Tsertsvadze, A. (2011a). Universal family-based prevention programs for alcohol 
misuse in young people. The Cochrane LIbrary. 

Foxcroft, D. R., & Tsertsvadze, A. (2011b). Universal multi-component prevention programs for 
alcohol misuse in young people. Cochrane database of systematic revlews, 9. 

Foxcroft, D. R., & Tsertsvadze, A. (2011c). Universal school-based prevention programs for alcohol 
misuse in young people. The Cochrane LIbrary. 

Foxcroft, D., Ireland, D., Lowe, G., & Breen, R. (2007). Primary prevention for alcohol misuse in 
young people. The Cochrane LIbrary. 

Frone, M.R., & Trinidad, J.R. (2012). Relation of supervisor social control to employee substance 
use: Considering the dimensionality of social control, temporal context of substance use, and 
substance legality. Journal of studies on alcohol and drugs, 73(2), 303. 

Fujimoto, K., Wang, P., & Valente, TW. (2013). The decomposed affiliation exposure model: a 
network approach to segregating peer influences from crowds and organized sports. NetWork 
Science, 1(2), 154-169. 

Fuller, M.G. (1995). Alcohol use and injury severity in trauma patients. Journal of Addictive 
DIseases, 14, 47-5. 

Galanter, M. (1986). "Multiple drug use: epidemiology, correlates and consequences". In: Galanter 
(ed.). Recent developments In alcohollsm vol. 4. Combined alcohol and other drug abuse, 
typologles of alcoholics, the withdrawal syndrome, renal and electrolyte consequences. New 
York: Plenum Press. 

Gambert, F.FI. (2004). "The Elderly". In: Lowison, J.FI., Ruiz, P., Millman, R.B., & Langrod, J.G. 
(eds.) (2004). Substance Abuse. A comprehensive textbook. Third editlon. (pp. 1038-1049), 
Baltimore: Williams & Wilkins. 

Gao, B., & Bataller, R. (2011). Alcoholic liver disease: pathogenesis and new therapeutic 
targets. Gastroenterology, 141(5), 1572-1585. 

Games, N. (2015). Alcohol Advertlsing and Sponsorship In Formula One: a Dangerous Cocktail. 
Brussel: Eurocare. 

Geeraerts, G. (2012). Als je ouder drinkt of drugs gebruikt... Welwijs. 23, 2, 26-29. 

Geil, L, Ally, A., Buykx, P., Meier, P., & Flope, A. (2015). AlcohoTs Harm to Others. London: lAS. 

Gezondheidsraad (2005). Risico's van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding. 
Publicatie nr. 2004/22. Den Flaag: Gezondheidsraad. 

Gmel, G., & Rehm, J. (2003). Flarmfull alcohol use. Alcohol research and heaith : the journal of 
natlonal Insitute on alcohol abuse and alcohollsm, 27(1), 52-62. 

Gmel, G., & Rehm, J. (2004). Measuring alcohol consumption. Contemp. Drug Probs., 31, 467. 

Go for zero (2015). Alcohol en drugs. Drinken en rijden: jaarlijks meer dan 200 doden! Brussel: 
BIVV. Geraadpleegd op 14 oktober 2015 via http://www.qoforzero.be/nl/veiliq- 
verkeer/alcohol-and-druqs . 

Gold, M.S. (1997). Cocaïne and crack: Cllnical aspects. Substance abuse: A comprehensive 
textbook 3rd editlon. Baltimore: Williams & Wilkins. 

Goos, C. (2004). Internationale Entwicklungen: Weltgesundheitsorganisation, Europaischer Alkohol 
Aktionsplan (EAAP). In: BMGF, NÖ JUGENDREFERAT, AKIS, API & LBISUCHT (eds.). 
Tagungsbericht AKIS-Tagung 'Jugend und Alkohol'. Wien: AKIS. 

Gordon, R., Fleim, D., & MacAskill, S. (2012). Rethinking drinking cultures: A review of drinking 
cultures and a reconstructed dimensional approach. Public heaith, 126(1), 3-11. 

Graham, K., Bernards, S., Wilsnack, S.C., & Gmel, G. (2011). Alcohol may not cause partner 
violence but it seems to make it worse: a cross national comparison of the relationship 
between alcohol and severity of partner violence. Journal of Interpersonal violence, 
26(8):1503-23. 

Grant, D.F., & Dawson, D.A. (1997). Age at onset of alcohol use and its association with DSM-IV 
alcohol abuse and dependance: results from the National Longitudinal Alcohol Epidemiologie 
Survey. Journal of Substance Abuse, 9, 103-110. 

Grant, M., & Litvak, J. (eds.) (1998). Drinking patterns & thelr consequences, Washington: Tayior 
and Francis. 

Grewal, P., & Viswanathen, V. A. (2012). Liver cancer and alcohol. Cllnics In llver disease, 16(4), 


Dossier Alcohol 


100 


839-850. 

Grittner, U., Kuntsche, S., Gmel, G., & Bloomfield, K. (2013). Alcohol consumption and social 
inequality at the individual and country levels-results from an international study. Europeen 
Journal of Public Health, 23(2), 332-339. 

Grittner, U., Kuntsche, S., Graham, K., & Bloomfield, K. (2012). Social inequalities and gender 
differences in the experience of alcohol-related problems. Alcohol ans Alcoholism, 47 (5), 
597-605. 

Guagliardo, V., Peretti-Watel, P., Verger, P, Pruvost, J., Guibbert, L., Mignon, P, & Obadia, Y. 
(2006). Pratique sportive intensive et usages de tabac, alcool et cannabis : une enquête en 
région PACA. Santé Publique, 18(3), 353-362. 

Guerrini, I., Quadri, G., & Thomson, A.D. (2014). Genetic and environmental interplay in risky 
drinking in adolescents: a literature review. Alcohol and alcoholism, 49(2), 138-142. 

Guerrini, I., Quadri, G., Thomson, A.D. (2014). Genetic and environmental interplay in risky 
drinking in adolescents: a literature review. Alcohol and alcoholism, 49(2), 138-142. 

Gutgesell, M., & Canterbury, R. (1999). Alcohol usage in sport and exercise. Addiction Biology, 4, 
373-383. 

Gutjahr, E., Gmel, G., & Rehm, J. (2001). Relation between average Alcohol Consumption and 
Disease: An OverView. Europeen Addiction Research, 1(7), 117-127. 

Hahn, R. A., Kuzara, J. L., Elder, R., Brewer, R., Chattopadhyay, S., Fielding, J., et al. (2010). 
Effectiveness of policies restricting hours of alcohol sales in preventing excessive alcohol 
consumption and related harms. American Journal of preventive medicine, 39(6), 590-604. 

Malford, K.W., Price, J., Kelly, A.B., Bouma, R., & Young, R.M. (2001). Helping the female partners 
of men abusing alcohol: a comparison of three treatments. Addiction, 96, 1497-1508. 

Harada, S., Agarwal, D. P, Goedde, H. W., & Ishikawa, B. (1983). Aldehyde dehydrogenase 
isozyme variation and alcoholism in Japan. Pharmacology Biochemistry and Behavior, 18, 
151-153. 

Marris, E.C., & Barraclough, B. (1997). Suïcide as an outcome for mental disorders. A meta- 
analysis. British Journal of Psychiatry, 170, 205-228. 

Mastings, G. (2014). Online advertisement - how it works. [PowerPoint presentatie]. Via: 
http://www.eurocare.org/hastinqs 6eapc (oktober 2015). 

Meath, D.B. (1998). Cultural Variations among Drinking Patterns. In Grant, M., & Litvak, J. (eds.). 
Drinking Patterns and their Consequences (pp. 103-125), London: Tayior & Francis. 

Menchoz, Y., Dupuis, M., Deline, S., Studer, J., Baggio, S., N'Goran, A.A., Daeppen, J.B., & Gmel, G. 
(2014). Associations of physical activity and exercise with at-risk substance use in young 
men: a longitudinal study. Preventive Medicine, 64(1), 27-31. 

Menkei, D. (2011). Unemployment and substance use: a review of the literature (1990- 
2010). Current drug abuse reviews, 4(1), 4-27. 

Merreros-Villanueva, M., Mijona, E., Banales, J. M., Cosme, A., & Bujanda, L. (2013). Alcohol 
consumption on pancreatic diseases. World Journal of gastroenterology: WJG, 19(5), 638. 

Merring, R., Berridge, V., &Thom, B. (2008). Binge drinking today: Learning lessons from the past. 
Drugs: education, prevention and policy, 15(5), 475-486. 

Modgson, R., Alwyn, T, John, B., Thom, B., & Smith, A. (2002). The fast alcohol screening 
test. Alcohol and alcoholism, 37(1), 61-66. 

Moeck, S., & Van Mal, G. (2013). Unhealthy drinking in the Belgian elderly population: prevalence 
and associated characteristics. Europeen Journal of Public Health, 23(6), 1069-1075. 

Moge Gezondheidsraad (2009). Energiedranken. Geraadpleegd op 2 december 2009 via 
https://portal.health.fqov.be/pls/portal/docs/PAGE/INTERNET PG/MOMEPAGE MENU/ABOUT 
USl MENU/INSTITUTIONSAPPARENTEESl MENU/MOGEGEZONDMEIDSRAADl MENU/ADVIE 
ZENENAANBEVELINGENl MENU/ADVIEZENENAANBEVELINGENl DOCS/MGR 8622 NL.PDF 

Moge Gezondheidsraad (2009). Risico's van alcoholgebruik voor en tijdens de zwangerschap en 
gedurende de borstvoedingsperlode', publicatie 8462, Brussel: Moge Gezondheidsraad. 
Geraadpleegd op 2 december 2009 via 

https://portal.health.fqov.be/pls/portal/docs/PAGE/INTERNET PG/MOMEPAGE MENU/ABOUT 
USl MENU/INSTITUTIONSAPPARENTEESl MENU/MOGEGEZONDMEIDSRAADl MENU/ADVIE 
ZENENAANBEVELINGENl MENU/ADVIEZENENAANBEVELINGENl DOCS/MGR 8462 NL.PDF 

Molmila, M., & Raitasalo, K. (2005). Gender differences in drinking: why do they still exist? 
Addiction, 100, 1763-1769. 

Moppenbrouwers, K., Guérin, C., Roelants, M., Van Leeuwen, K., & Desoete, A. (2011). 
Alcoholgebruik voor en tijdens de zwangerschap en in de periode van borstvoeding. Leuven: 


Dossier Alcohol 


101 


steunpunt welzijn, volksgezondheid en gezin. 

Huckle, T, You, R.Q., & Casswell, S. (2010). Socio-economic status predicts drinking patterns but 
not alcohol-related consequences independently. Addiction, 105{7), 1192-1202. 

Hughes, K., Quigg, Z., Calafat, A., van Hasselt, N. , Kosir, M. , Voorham, L. , Juan, M., Duch, M., & 
Bellis, M.A. (2013). Developing Safer Drinking Environments in Europe Key findings from the 
Amphora drinking environments study Project Deiiverabie D3.5. Liverpool: John Moores 
university. Geraadpleegd op 13 oktober 2015 via 

http://amphoraproiect.net/w2box/data/Deliverables/AMPHORA WP7 D3. 5.pdf 

Hughes, K., Quigg, Z., Eckley, L., Bellis, M., Jones, L., Calafat, A., et al. (2011). Environmental 
factors in drinking venues and alcohol-related harm: the evidence base for European 
intervention. Addiction, 106{sl), 37-46. 

Humensky, J.L. (2010). Are adolescents with high socioeconomic status more likely to engage in 
alcohol and illicit drug use in early adulthood? Substance Abuse Treatment, Prevention and 
Poiicy, 5:19. dol: 10.1186/1747-597X-5-19. 

Hunt, G., & Barker, J. (2001). Socio-cultural Anthropology and Alcohol and Drug Research: 
Towards a Unified Theory. Sociai Science and Medicine, 53, 165-188. 

Hurcombe, R., Bayiey, M., & Goodman, A. (2010). Ethnicity and aicohoi. A review of the UK 
iiterature. York: Joseph Rowntree Foundation. Geraadpleegd op 10 augustus 2015 via 
http://www.irf.orq.uk/sites/files/irf/ethnicitv-alcohol-literature-review-full O.pdf 

Hurley, L. L., Tayior, R. E., &Tizabi, Y. (2012). Positive and negative effects of alcohol and nicotine 
and their interactions: a mechanistic review. Neurotoxicity research, 21(1), 57-69. 

Hutchinson, D., Mattick, R., Braunstein, D., Maloney, E., & Wilson, J. (2014). The impact of aicohoi 
use disorders on famiiy iife: a review of the empiricai iiterature. NDARC Technicai Report No. 
325. Sidney: National Drug And Alcohol Research Centre. 

Institute Of Alcohol Studies (lAS) (2005). Women and Aicohoi. lAS Fact Sheet. Londen: lAS 

Institute Of Alcohol Studies (lAS) (2007a). Aicohoi & the eideriy. lAS Fact sheet. St Ives: lAS. 

Institute Of Alcohol Studies (lAS) (2007b). Binge Drinking - Nature, prevaience and causes. St 
Ives: lAS. 

International Center For Alcohol Policies (ICAP) (2004). Drinking patterns: from theory to practice. 
Geraadpleegd op 2 oktober 2009 via 

http://www.icap. orq/portals/O/download/all pdfs/ICAP Reports Enqlish/reportl5.pdf 

International Center For Alcohol Policies (ICAP) (2005). An integrative approach to aicohoi poiicies. 
Geraadpleegd op 2 december 2009 via 

http://www.icap. orq/portals/O/download/all pdfs/blue book/Intro Inteqrative Approach.pdf 
(26 april 2007) 

International center for alcohol policies (ICAP) (2005). An integrative approach to alcohol policies. 
Geraadpleegd op 10 oktober 2015 via 

http://icap.orq/LinkClick.aspx?fileticket=na%2fTBTDwi4k%3d&tabid = 187 

International center for alcohol policies (ICAP) (2007). Standard drinks. Geraadpleegd op 12 
augustus 2015 via 

http://www.icap.orq/PolicvIssues/DrinkinqGuidelines/StandardDrinks/tabid/126/Default.aspx 

International Center For Alcohol Policies (ICAP) (2007). Standard aicohoi units. 
http://www.icap.orq/PolicvIssues/DrinkinqGuidelines/StandardUnitsTable/tabid/253/default.a 
spx 

Jones, H. (2015). Fiscai Poiicies in the EU - what's happening in aicohoi taxation? [PowerPoint 
presentatie]. Via: www.eurocare.orq/heather iones 6eapc (11 oktober 2015). 

Jones, L. A. (2011). Systematic review of alcohol screening tools for use in the emergency 
department. Emergency Medicine Journai, 28(3), 182-191. 

Jones, L., Bates, G., McCoy, E., & Bellis, M.A. (2015). Relationship between alcohol-attributable 
disease and socioeconomic status, and the role of alcohol consumption in this relationship: a 
systematic review and meta-analysis. BMC Pubiic Heaith, 15:400. 

Jongbloet, J. (2015). MEP: Minimum Eenheid Prijs voor aicohoi. Effectiviteit, neveneffecten, kader, 
draagviak en wetteiijkheid. [Onuitgegeven intern document]. Brussel: VAD. 

Kalat, J.W. (1992). Bioiogicai psychoiogy. Brooks/Cole: Pacific Grove. 

Kaner, E.F., Dickinson, H.O., Beyer, F., Pienaar, E., Schlesinger, C., Campbell, F, et al. (2009). The 
effectiveness of brief alcohol interventions in primary care settings: a systematic 
review. Drug and aicohoi review, 28(3), 301-323. 

Karlsson, T., & Österberg, E. (2001). A scale of formal alcohol control policy in 15 European 
countries. Nordic studies on aicohoi and drugs, 18 (English Supplement), 117-129. 


Dossier Alcohol 


102 


Karlsson, T., & Simpura, J. (2001). Changes in living conditions and their links to alcohol 
consumption and drinking patterns in 16 European countries, 1950 to 2000. Nordic studies 
on alcohol and drugs, 18 (English Supplement), 82-98. 

Katikireddi, S.V., & McLean, J.A. (2012). Introducing a minimum unit price for alcohol in Scotland: 
considerations under European Law and the implications for European public heaith, 
European Journal of Public Health, 22 (4), 457-458. 

Kaynak, Ö., Winters, K.C., Cacciola, J., Kirby, K.C., & Arria, A.M. (2014). Providing alcohol for 
underage youth: what messages should we be sending parents? Journal of studies on alcohol 
and drugs, 75(4), 590-605. 

Kendler, K. S., Gardner, C., & Dick, D. M. (2011). Predicting alcohol consumption in adolescence 
from alcohol-specific and general externalizing genetic risk factors, key environmental 
exposures and their interactiën. Psychological medicine, 41(07), 1507-1516. 

Kendler, K. S., Schmitt, E., Aggen, S. H., & Prescott, C. A. (2008). Genetic and environmental 
influences on alcohol, caffeine, cannabis, and nicotine use from early adolescence to middle 
adulthood. Archives of general psychiatry ,65{6) , 674-682. 

Kerr, W. C., & Stockwell, T. (2012). Understanding Standard drinks and drinking guidelines. Drug 
and alcohol review, 51(2), 200-205. 

Kesmodel, U., Wisborg, K., Olsen, S.F., Brink Hendriksen, T., & Secher, N.J. (2002). Moderate 
alcohol intake during pregnancy and the risk of stillbirth and death in the first year of life. 
American Journal of Epidemiology, 155(4), 305-312. 

Keyes, K. M., Li, G., & Hasin, D. S. (2011). Birth cohort effects and gender differences in alcohol 
epidemiology: a review and synthesis. Alcoholism: Clinical and Experimental 

Research, 55(12), 2101-2112. 

Khan, N., Afaq, F., & Mukhtar, Fl. (2010). Lifestyle as risk factor for cancer: Evidence from human 
studies. Cancer letters, 295(2), 133-143. 

Kirby, J.B. (2006). From single-parent families to stepfamilies - is the transition associated with 
adolescent alcohol initiation? Journal of Family Issues, 27, 685-711. 

Klingemann, H. (2001). Alcohol and lts soda! consequences - the forgotten dimension. 
Geraadpleegd op 2 april 2009 via http://www.euro.who.int/document/e76235.pdf 

Korf, D.J., Nabben, T., Leendert, F., & Benschop, A. (2002). GHB: Tussen extase en narcose. 
Amsterdam: Rozenberg. 

Kraanen, F.L., & Emmelkamp, PM. (2011). Substance misuse and substance use disorders in sex 
offenders: A review. Clinical psychology review, 51(3), 478-489. 

Kuerbis, A., & Sacco, P. (2012). The impact of retirement on the drinking patterns of older adults: a 
review. Addictive Behaviors, 37(5), 587-595. 

Kulesza, M., Grossbard, J.R., Kilmer, J., Copeland, A.L., Larimer, M.E.(2014). Take One for the 
Team? Influence of Team and Individual Sport Participation on High School Athiete 
Substance Use Patterns. Journal of Child and Adolescence Substance Abuse, 25(4), 217-223. 

Kwan, M., Bobko, S., Faulkner, G., Donnelly, P, & Cairney, J. (2014). Sport participation and alcohol 
and illicit drug use in adolescent and young adults: a systematic review of longitudinal 
studies. Addictive Behaviors, 59(3), 497-506. 

Labhart, F., Wells, S., Graham, K., & Kuntsche, E. (2014). Do individual and situational factors 
explain the link between predrinking and heavier alcohol consumption? An event-level study 
of types of beverage consumed and social context. Alcohol and Alcoholism, 49(3), 327-335. 

Lammers, S.M., Soe-Agnie, S.E., de Haan, H.A., Bakkum, G.A., Pomp, E.R., & Nijman, H.J. (2013). 
Middelengebruik en criminaliteit: een overzicht. T//dsc/7r//t voor psychiatrie, 56(1), 32-39. 

Laramée, P, Kusel, J., Leonard, S., Aubin, H.J., Frangois, C., & Daeppen, J.B. (2013). The economie 
burden of alcohol dependance in Europe. Alcohol and Alcoholism, 48(3), 259-269. 

Laslett, A.M., Room, R., Ferris, J., Wilkinson, C., Livingston, M., & Mugavin, J. (2011). Surveying 
the range and magnitude of alcohol's harm to others in Australia. Addiction, 106{9), 1603- 
1611. 

Laudens, F. (2004). Dossier combigebrulk. Brussel: VAD. 

Lecesse, A.P. et. al. (2002). Combined use of alcohol and other psychotropic drugs: A review of the 
literature. s'Gravenhage: Pasmans offset drukkerij. 

Lecoultre, V., & Schutz, Y. (2009). Matabolic effects. Effect of a small dose of alcohol on the 
endurance performance of trained cyclists. Alcohol & Alcoholism, 44(3), 278-283. 

Leifman, H. (2001). Homogenisation in alcohol consumption in the European Union. Nordic studies 
on alcohol and drugs, 18 (English Supplement), 15-30. 


Dossier Alcohol 


103 


Lemmens, P. (2001). Relationship of Alcohol Consumption and Alcohol Problems at the Population 
Level. In Heather, N., Peters, T.J., & Stockwell, T. (eds.). International Handbook of Alcohol 
Dependance and Problems (pp. 395-411), Chichester: John Wiley & Sons. 

Lemmers, L., & van Hasselt, N. (2014). Alcohol en uitgaansgeweld. De stand van zaken. Utrecht: 
Trimbos-instituut. Geraadpleegd op 13 oktober 2015 via http://www.nuchter- 
verstand.nl/wp-content/uploads/factsheet-alcohol-en-uitqaansqeweld.pdf 

Lemmers, L., Kramer, J., Conijn, B., Riper, H., & Van Ernst, E. (2006). Minder drinken. 
Amsterdam: Boom. 

Lemstra, M., Bennett, N.R., Neudorf, C., Kunst, A., Nannapaneni, U., Warren, L.M., Kershaw, T., 
Scott, C.R. (2008). A meta-analysis of marijuana and alcohol use by socio-economic status 
in adolescents aged 10-15 years. Revue Canadienne de Santé Publique, 99(3), 172-177. 

Lesch, O.M., Walter, H., Wetschka, C., Hesselbrock, M., Hesselbrock, V. (2011). Alcohol and 
tobacco: medical and sociological aspects of use, abuse and addiction. 

SpringerWienNewyYork. 

Levine, H.G. (1978). The Discovery of Addiction. Changing Conceptions of Habitual Drunkenness in 
America. Journal of Studies on Alcohol, 39(1), 143-174. 

Lisha, N.E., & Sussman, S. (2010). Relationship of high school and college sports participation with 
alcohol, tobacco, and illicit drug use: a review. Addictive Behaviours, 35(5), 399-407. 

Liskow, B. I., Powell, B. J., Penick, E. C., Nickel, E. J., Wallace, D., Landon, J. F., et al. (2000). 
Mortality in male alcoholics after ten to fourteen years. Journal of studies on alcohol, 61(6), 
853-861. 

Lonsdale, A. J., Hardcastle, S. J., & Hagger, M. S. (2012). A minimum price per unit of alcohol: A 
focus group study to investigate public opinion concerning UK government proposals to 
introducé new price Controls to curb alcohol consumption. BMC public heaith, 12(1), 1023. 

Loring, B. (2014). Alcohol and inequities. Guidance for addressing inequities in alcohol-related 
harm.H/HO Europe. 

Mainline (2009). Hoezo geen methadon?' Advies en aanbevelingen voor de ontwikkeling van een 
richtlijn alcohol methadon. Geraadpleegd op 3 november 2015 via 

http://mainline.bloqbird.nl/uploads/mainline/Rapport hoezo qeen methadonl.pdf 

Makala, P., Gmel, G., Grittner, U., Kuendig, H., Kuntsche, S., Bloomfield, K., & Room, R. (2006). 
Drinking patterns and their gender differences in Europe. Alcohol & Alcoholism, 41 
(Supplement 1), 18-118. 

Malinauskas, B.M., Aeby, V.G., Overton, R.F,, Carpenter-Aeby, T., Barber-Heidal, K. (2007). A 
survey of energy drink consumption patterns among college students. Nutr J, 6, 35. 

Marron, M., Boffetta, P, Mpller, H., Ahrens, W., Pohiabein, H., Benhamou, S., et al. (2012). Risk of 
upper aerodigestive tract cancer and type of alcoholic beverage: a European multicenter 
case-control study. European Journal of epidemiology, 27(7), 499-517. 

Marshall, E.J. (2014). Adolescent alcohol use: risks and consequences. Alcohol and 

alcoholism, 49(2), 160-164. 

Martha, C., Grélot, L., & Peretti-Wadel, P. (2009). Participants' sports characteristics related to 
heavy episodic drinking among French students. International Journal of Drug Policy, 20(2), 
152-160. 

Martin, S.E. (2001). The Links Between Alcohol, Crime and the Criminal Justice System: 
Explanations, Evidence and Interventions. The American Journal on Addictions, 10, 136-158. 

Massarrat, S., & Stolte, M. (2014). Development of gastric cancer and lts prevention. Archives of 
Iranian medicine, 17(7), 514. 

Mathijssen, M.P.M. & Twisk, D.A.M. (2001). Opname en afbraak van alcohol in het menselijk 
lichaam. Leidschendam: SWOV. 

Matthys, F. (2000). Leven met een verslaafde. Leuven: Garant. 

Maxwell, J. C. (2003). The response to club drug use. Current Opinion in Psychiatry, 16(3), 279- 
289. 

Mays, D., Depadilla, L., Thompson, N.J., Kushner, H.I., & Windle, M. (2010). Sports participation 
and problem alcohol use: a multi-wave national sample of adolescents. American Journal of 
Preventive Medicine, 38(5), 491-498. 

McCambridge, J., McAlaney, J., & Rowe, R. (2011). Adult consequences of late adolescent alcohol 
consumption: a systematic review of cohort studies. PLoS Med, 8(2), el000413. 

Mccane-Katz, E., Kosten, T.R., & Jatlow, P. (1998). Concurrent Use of Cocaïne and Alcohol Is More 
Potent and Potentially More Toxic than Use of Either Alone - A multiple-Dose Study. 
Biological Psychiatry, 44, 250-259. 

McQueen, J., Howe, T. E., Allan, L., Mains, D., & Hardy, V. (2011). Brief interventions for heavy 


Dossier Alcohol 


104 


alcohol users admitted to general hospital wards. Cochrane Database Syst Rev, 8. 

Meesmann, U., & Boets, S. (2014) Rijden onder invloed van alcohol en drugs. Resultaten van de 
driejaarlijkse attitudemeting over verkeersveiligheid van het BIVV. Brussel, België: Belgisch 
Instituut voor de Verkeersveiligheid - Kenniscentrum Verkeersveiligheid. 

Melis, S. (2015). VAD-Leerlingenbevraging in het kader van een drugbeleid op school. 
Syntheserapport schooljaar 2013-2014. Brussel: VAD. 

Meyers, J.L., & Dick, D.M. (2010). Genetic and environmental risk factors for adolescent-onset 
substance use disorders. Child and adolescent psychiatrie clinics of North America, 19(3), 
465-477. 

Michels, J., Hoeck, S., Dom, G., Goossens, M., Van Hal, G., & Van Royen, P (2011). Problematisch 
alcoholgebruik: aanpak door de huisarts. Huisarts Nu, 40:5137-5160. 

Middleton, J.C., Hahn, R.A., Kuzara, J.L., Elder, R., Brewer, R., Chattopadhyay, S., et al. (2010). 
Effectiveness of policies maintaining or restricting days of alcohol sales on excessive alcohol 
consumption and related harms. American journal of preventive medicine, 39(6), 575-589. 

Mitchell, A. J., Bird, V., Rizzo, M., Hussain, S., & Meader, N. (2014). Accuracy of one or two simple 
questions to identify alcohol-use disorder in primary care: a meta-analysis. British Journal of 
General Practice, 64(624), e408-e418. 

Mizoi, Y., Adachi, J., Fukunaga, T., Kogame, M., Ueno, Y., & Nojo, Y. (1987). Individual and ethnic 
differences in ethanol elimination. Alcohol Alcohol{sl), 389-394. 

Modell, J. G., & Mountz, J. M. (1990). Drinking and flying— the problem of alcohol use by 
pilots. New England journal of medicine, 323{7), 455-461. 

Mohamed, W. M., Hamida, S. B., Cassel, J. C., de Vasconcelos, A. P., & Jones, B. C. (2011). 
MDMA: interactions with other psychoactive drugs. Pharmacology Biochemistry and 

Behavior, 99(4), 759-774. 

Mohapatra, S., Patra, J., Popova, S., Duhig, A., & Rehm, J. (2010). Social cost of heavy drinking 
and alcohol dependance in high-income countries. International Journal of Public Health, 
55(3), 149-157. 

Moore, R.S., Ames, G.M., Duke, M.R., & Cunradi, C.B. (2012). Food service employee alcohol use, 
hangovers and norms during and after work hours. Journa/ of substance use, 17(3), 269- 
276. 

Moos, R.H., Schutte, K.K., Brennan, P.L., & Moos, B.S. (2010). Late-life and life history predictors of 
older adults' high-risk alcohol consumption and drinking problems. Drug and Alcohol 
Dependance, 108(1-2), 13-20. 

Moyer, A., & Finney, J. W. (2004). Brief interventions for alcohol problems: Factors that facilitate 
implementation. Alcohol Research and Health, 28(1), 44. 

Moyer, A., Finney, J. W., Swearingen, C. E., & Vergun, P. (2002). Brief interventions for alcohol 
problems: a meta-analytic review of controlled investigations in treatment-seeking and 
non-treatment-seeking populations. Addiction, 97(3), 279-292. 

Mulvihill, C., Tayior, L., Waller, S., Naidoo, B., & Thom, B. (2005). Prevention and reduction of 
alcohol misuse. Evidence briefing 2nd edition. London: NHS. 

Nabben, T., & Korf, D.J. (2000). De combl-roes. Gecombineerd gebruik van alcohol met cannabis, 
cocaïne, XTC en amfetamine, Amsterdam: Thela thesis. 

Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) (2000). Nieuwe 
gegevens over gecombineerd gebruik van alcohol en drugs: lessen voor de voorlichter en de 
hulpverlener. In: Verslag studienamiddag 14 september. Woerden: NIGZ. 

Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) (2005). Factsheet 
alcohol en ouderen. Woerden: NIGZ. 

Nationaal Kompas Volksgezondheid (2015). Wat is soclaaleconomische status? Bilthoven: RIVM. 
Geraadpleegd op 12 augustus 2015 via http://www.nationaalkompas.nl/bevolkinq/seqv/wat- 
is-sociaaleconomische-status/ 

National Health And Medical Research Council (2007). Australlan alcohol guidelines for low-risk 
drinking. Draft for public consultation. Australia: Australian government. 

National Institute On Drug Abuse (1999). Research Report 5eries: Cocaïne Abuse and Addiction. 
Gedownload op 24 juni 2004, via 

http://www.druqabuse.qov/ResearchReports/Cocaine/Cocaine.html 

National Organization On FAS (NOFAS) (n.d.). Geraadpleegd op 2 december 2008 via 
Http://www.nofas.orq/familv/ 

Navarro, H.J., Doran, C.M., & Shakeshaft, A.P. (2011). Measuring costs of alcohol harm to others: 
A review of the literature. Drug and alcohol dependance, 114(2), 87-99. 

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (2003). Verslaving als medisch psychiatrische ziekte. 

w 


Dossier Alcohol 


105 


standpunt. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. 

Nederlandse Vereniging Voor Psychiatrie (2008). Multidisciplinaire richtlijn Stoornissen in het 
gebruik van Alcohol. Utrecht: NVvP. 

NIS en FPB (2001). Bevoikingsvooruitzichten 2000-2050. Brussel: Nationaal Instituut voor de 
Statistiek. Geraadpleegd op 27 augustus 15 via 

http://www4.vlaanderen.be/sites/svr/Ciifers/Paqes/Excel.aspx 

Noël, X. (2014). Why adolescents are at risk of misusing alcohol and gambling. Alcohol and 
alcoholism, 49(2), 165-172. 

Norman, S.B., Wilkins, K.C., Baeressen, K., Thorp, S.R., Huelsenbeck, R., Grimes, E., Rodgers, C., & 
Allard, C. (2010). Drinking among femaie victims of intimate partner violence: mechanisms 
and intervention. New York: Nova Science Pubilshers. 

Norström, T., & Ramstedt, M. (2005). Mortality and population drinking: a review of the literature. 
Drug and Alcohol Review, 24, 537-547. 

Norström, T., Hemström, Ö., Ramstedt, M., Rossow, I., & Skog, O.-J. (2002). Mortality and 
population drinking. In NORSTRÖM, T. (ed.). Alcohol in Postwar Europe: Consumption, 
drinking patterns, consequences and policy responses in 15 European countries (pp. 157- 
175), Stockholm: Almqvist and Wiksell International. 

Noteborn, W., Sanderson, R., Zwanikken, H., Deckers, K., & van Alphen, B. (2013). 
Alcoholproblematiek bij ouderen. Huisarts & wetenschap, 56(5), 214-218. 

Nunez, S.C., Roussotte, F., & Sowell, E.R. (2011). Focus on: structural and functional brain 
abnormalities in fetal alcohol spectrum disorders. Alcohol Research & Health, 34(1), 121- 
131. 

0'Brien, K.S., Kolt, G.S., Martens, M.P., Ruffman, T., Miller, P.G., & Lynott, D. (2012). Alcohol- 
related aggression and antisocial behaviour in sportspeople/athietes. Journal of Science and 
Medicine in Sport, 15(4), 292-297. 

0'Brien, K.S., Miller, P.G., Kolt, G.S., Martens, M.P., & Webber, A. (2011). Alcohol Industry and Non- 
Alcohol Industry Sponsorship of Sportspeople and Drinking. Alcohol and Alcoholism, 46(2), 
210-213. 

0'Keefe, J. Fl., Bhatti, S. K., Bajwa, A., DiNicolantonio, J. J., & Lavie, C. J. (2014). Alcohol and 
cardiovascular heaith: the dose makes the poison... or the remedy. In Mayo Clinic 
Proceedings (Vol. 89, No. 3, pp. 382-393). Elsevier. 

0'Malley, P, & Valverde, M. (2004). Pleasure, Freedom and Drugs The Uses of 'Pleasure' in Liberal 
Governance of Drug and Alcohol Consumption. Sociology, 38(1), 25-42. 

0'Brien, K.S., & Kypri, K. (2008). Alcohol industry sponsorship and hazardous drinking among 
sportspeople. Addiction, 103(12), 1961-1966. 

0'Brien, K.S., Ferris, J., Greenlees, I., Jowett, S., Rhind, D., Cook, P.A., Kypri, K. (2014). Alcohol 
industry sponsorship and hazardous drinking in UK university students who play sport. 
Addiction, 109(10), 1647 -1654. 

0'Brien, M.C., Mccoy, T.P., Rhodes, S.D., Wagoner, A., & Wolfson, M. (2008). Caffeinated 
cocktails: energy drink consumption, high-risk drinking, and alcohol-related consequences 
among college students. Acad Emerg Med, 15(5), 453-460. 

0'Connell, H., Chin, A.V., Hamilton, F, Cunningham, C., Walsh, J.B., Coakley, D., & Lawlor, B. A. 
(2004). A systematic review of the utility of self-report alcohol screening Instruments in the 
elderly. International Journal of geriatrie psychiatry, 19(11), 1074-1086. 

0'Donnell, A., Anderson, P., Newbury-Birch, D., Schulte, B., Schmidt, C., Reimer, J., & Kaner, E. 
(2014). The impact of brief alcohol interventions in primary healthcare: a systematic review 
of reviews. Alcohol and alcoholism, 49(1), 66-78. 

Olesen, J., Gustavsson, A., Svensson, M., Wittehen, H.U., & Jönsson, B. [CDBE2010 study group; 
European Brain Council.] (2012). The economie cost of brain disorders in Europe. European 
Journal of Neurology, 19(1), 155-162. 

Oteri, A., Salvo, F., Caputi, A.P., & Calapai, G. (2007). Intake of energy drinks in association with 
alcoholic beverages in a cohort of students of the School of Medicine of the University of 
Messina. Alcohol Clin Exp Res, 31(10), 1677-80. 

Pacolet, J. Degreef T., & Bouten, R. (2003). Sociale kosten-baten analyse van alcoholgebruik en - 
misbruik in België. Synthese. Leuven: Hiva-KU Leuven. 

Pacolet, J., Degreef, T., & Bouten, R. (2003). Sociale kosten-batenanalyse van alcoholgebruik en - 
misbruik in België. Leuven: Katholieke universiteit Leuven, Hoger instituut voor de arbeid. 

Parry, C. D., Patra, J., & Rehm, J. (2011). Alcohol consumption and non-communicable diseases: 


Dossier Alcohol 


106 


epidemiology and policy implications. Addiction, 106(10), 1718-1724. 

Pateria, P., de Boer, B., & MacQuillan, G. (2013). Liver abnormalities in drug and substance 
abusers. Best Practice & Research Clinical Gastroenterology, 27(4), 577-596. 

Paton, A. (2000). The body and its health. In COOPER, D.B. (ed.). Alcohol Use (pp. 25-38), 
Abingdon: Radcliffe Medical Press. 

Paton, A., (ed.) (1997). ABC of alcohol, Third editlon. Cambridge: BJM publishing Group. 

Patra, J., Tayior, B., Irving, H., Roerecke, M., Baliunas, D., Mohapatra, S., & Rehm, J. (2010). 
Alcohol consumption and the risk of morbidity and mortality for different stroke types-a 
systematic review and meta-analysis. BMC Public Health, 10(1), 258. 

Patrick, C.H. (1952). Alcohol, culture and society. Durham: Duke University Press. 

Patrick, M.E., Schulenberg, J.E. (2013). Prevalence and predictors of adolescent alcohol use and 
binge drinking in the United States. Alcohol research, 35(2), 193-200. 

Peleg-Oren, N., Saint-Jean, G., Cardenas, G.A., Tammara, H., & Pierre, C. (2009). Drinking alcohol 
before age 13 and negative outcomes in late adolescence. Alcohollsm: Clinical and 
Experimental Research, 33(11), 1966-1972. 

Pelucchi, C., Tramacere, I., Boffetta, P, Negri, E., &Vecchia, C. L. (2011). Alcohol consumption and 
cancer risk. Nutritlon and cancer, 63(7), 983-990. 

Pennay, A., Lubman, D. I., & Miller, P. (2011). Combining Energy Drinks and Alcohol: A Recipe for 
Trouble? Australlan famlly physiclan, 40(3), 104. 

Perkins, K.A. (1997). Combined effects of nicotine and alcohol on subjective behavioral and 
physiological responses in humans. Addiction Biology 2, 255-267. 

Pesta, D.H., Angadi, S.S., Burtscher, M., & Roberts, C.K. (2013). The effects of caffeine, nicotine, 
ethanol, and tetrahydrocannabinol on exercise performance. Nutritlon & MetaboUsm, 10 (1), 
71. 

Petit, G., Maurage, P., Kornreich, C., Verbanck, P., & Campanella, S. (2014). Binge drinking in 
adolescents: A review of neurophysiological and neuroimaging research. Alcohol and 
alcohollsm, 49(2), 198-206. 

Plant, M., & Cameron, D., (eds.) (2000). The alcohol report. London: Free association books. 

Plant, M.L. (2008). The role of alcohol in women's lives: a review of issues and responses. Journal 
of Substance Use, 13(3), 155-191. 

Poelen, E.A., Derks, E.M., Engels, R.C., Van Leeuwe, J.F., Scholte, R.FI., Willemsen, G., & Boomsma, 
D.I. (2008). The relative contribution of genes and environment to alcohol use in early 
adolescents: are similar factors related to initiation of alcohol use and frequency of 
drinking? Alcohollsm: Clinical and Experimental Research, 32(6), 975-982. 

Poikolainen, K., Paljarvi, T., & Makela, P. (2007). Alcohol and the preventive paradox: serious 
harms and drinking patterns. Addiction, 102(4), 571-578. 

Poppelier, A., Wiel, A., & Mheen, Fl. (2002). Overdaad schaadt. Een Inventarisatie van de 
lichamelijke gevolgen van sociaal geaccepteerd alcoholgebruik en bingedrinken. Rotterdam: 
Cachet. 

Posma, R., & Koeten, F. (1998), Feiten over alcohol. Woerden: NIGZ. 

Preuss, U.W., Watzke, S., Wurst, F.M. (2014). Dimensionality and stages of severity of DSM-5 
criteria in an international sample of alcohol-consuming individuals. Psychological medicine, 
44, 3303-3314. 

Probst, C., Roerecke, M., Behrendt, S., & Rehm, J. (2015). Gender differences in socioeconomic 
inequality of alcohol-attributable mortality: A systematic review and meta-analysis. Drug and 
alcohol review, 34(3), 267-277. 

Rasch, V. (2003). Cigarette, alcohol, and caffeine consumption: risk factors for spontaneous 
abortion. Acta Obstet Gynecol Scand, 82(2), 182-188. 

Rehm, J. (2011). The risks associated with alcohol use and alcohollsm. Alcohol research & health: 
the Journal of the National Institute on Alcohol Abuse and Alcohollsm, 34(2), 135. 

Rehm, J., & Patra, J. (2012). Different guidelines for different countries? On the scientific basis of 
low-risk drinking guidelines and their implications. Drug and alcohol review, 31(2), 156-161. 

Rehm, J., & Shield, K. D. (2014). Alcohol and Mortality: Global Alcohol-Attributable Deaths from 
Cancer, Liver Cirrhosis, and Injury in 2010. Alcohol research: current revlews, 35(2), 174. 

Rehm, J., Ashley, M.J., Room, R., Single, E., Bondy, S., Ferrence, R., & Giesbrecht, N. (1996). On 
the emerging paradigm of drinking patterns and their social and health 
consequences. Addiction, 91(11), 1615-1621. 

Rehm, J., Baliunas, D., Borges, G. L., Graham, K., Irving, H., Kehoe, T, et al. (2010). The relation 
between different dimensions of alcohol consumption and burden of disease: an 

OverView. Addiction, 105(5), 817-843. 

Rehm, J., Gutjahr, E., & Gmel, G. (2001). Alcohol and all-cause mortality: a pooled analysis. 
Contemporary Drug Problems, 28, 337-353. 


Dossier Alcohol 


107 


Rehm, J., Room, R., Graham, K., Monteiro, M., Gmel, G., Sempos, C.T. (2003). The relationship of 
average volume of alcohol consumption and patterns of drinking to burden of disease: an 
OverView, Addiction, 98(9), 1209-1228. 

Rehm, J., Shield, K.D., Rehm, M.X., Gmel, G., & Frick, U. (2012). Alcohol consumption, alcohol 
dependance and attributable burden of disease in Europe. Potential gains from effective 
interventions for alcohol dependence. Toronto: Centre for Addiction and Mental Health. 

Rehm, J., Tayior, B., Mohapatra, S., Irving, H., Baliunas, D., Patra, J., & Roerecke, M. (2010). 
Alcohol as a risk factor for liver cirrhosis: A systematic review and meta-analysis. Drug and 
alcohol review, 29(4), 437-445. 

Reijneveld, S.A., van Nieuwenhuijzen, M., Velderman, M.K., Paulussen, T.W., & Junger, M. (2012). 
Clustering of heaith and risk behaviour in immigrant and indigenous Dutch residents aged 
19-40 years. International Journal of public heaith, 57(2), 351-361. 

Riley, E.P., Infante, M.A., & Warren, K.R. (2011). Fetal alcohol spectrum disorders: an 
OverView. Neuropsychology review, 21(2), 73-80. 

Risselada, A., Kleinjan, M., & van de Mheen, D. (2010). Veilig drinken op leeftijd. Verslaving, 6(2), 
15-31. 

Roerecke, M., & Rehm, J. (2013). Alcohol use disorders and mortality: a systematic review and 
meta-analysis. Addiction, 108[9), 1562-1578. 

Roerecke, M., & Rehm, J. (2014). Cause-specific mortality risk in alcohol use disorder treatment 
patients: a systematic review and meta-analysis. International Journal of epidemlology, 
dyu018. Geraadpleegd op 27 augustus 2015 via 

http://iie.oxfordiournals.orq/content/earlv/2014/02/10/iie.dvu018.full.pdf-Fhtml 

Rolfe, A., Dalton, S., Krishnan, M., Orford, J., Mehdikhani, M., Cawley, J., & Ferrins-Brown, M. 
(2006). Alcohol, gender, aggression and violence: findings from the Birmingham Untreated 
Fleavy Drinkers Project. Journal of Substance Use, 11(5), 343-358. 

Room, R., & Makela, K. (2000). Typologies of the Cultural Position of Drinking. Journal of Studies 
on Alcohol, 61, 475-483. 

Room, R. (2005). Multicultural contexts and alcohol and drug use as symbolic behaviour. Addiction 
Research and Theory, 13(4), 321-331. 

Rosiers, J. (2007). Dossier middelengebruik en suïcide. Brussels: VAD. 

Rosiers, J. (2013). VAD-ultgaansonderzoek 2012. Brussel: VAD. 

Rossow, I., & Flauge, R. (2004). Who pays for the drinking? Characteristics of the extent and 
distribution of social harms from others' drinking. Addiction, 99, ,1094-1102. 

Rossow, I., & Romelsjö, A. (2006). The extent of the 'prevention paradox' in alcohol problems as a 
function of population drinking patterns. Addiction, 101, 84-90. 

Rossow, I., Romelsjo, A., & Leifman, Fl. (1999). Alcohol abuse and suicidal behaviour in young and 
middle aged men: differentiating between attempted and completed suicide. Addiction, 94 
(8), 1199-1207. 

Rothman, E.F., Reyes, L.M., Johnson, R.M., & LaValley, M. (2011). Does the alcohol make them do 
it? Dating violence perpetration and drinking among youth. Epidemiologie revlews, mxr027. 

Royal College Of Physicians (1995). Alcohol and the heart In perspective. Sensible llmits reaffirmed. 
London: Royal College Of Physicians. 

Royal College of Psychiatrists (2011). Our Invisible addicts First Report of the Older Persons' 
Substance MIsuse Werking Group of the Royal College of Psychiatrists. Londen: Royal College 
of Psychiatrists 

Saitz, R., Cheng, D. M., Allensworth-Davies, D., Winter, M. R., & Smith, P. C. (2014). The ability of 
single screening questions for unhealthy alcohol and other drug use to identify substance 
dependence in primary care. Journal of studies on alcohol and drugs, 75(1), 153. 

San José, B. (2000). Alcohol consumption and heaith, contributlons to the explanatlon of the u- 
shaped curve. Rotterdam: Cachet (IVO). 

Sassi, F. (ed.) (2015), Tackllng Harmful Alcohol Use: Economics and Public Health Pollcy, Paris: 
OECD Publishing. 

Saunders, J.B., Aasland, O.G., Babor, T.F., De la Fuente, J.R., & Grant, M. (1993). Development of 
the alcohol use disorders identification test (AUDIT). WHO collaborative project on early 
detection of persons with harmful alcohol consumption-II. ADDICTION-ABINGDON-, 88, 791- 
791. 

Sawyer, A.L., Wolfenden, L., Kennedy, V.J., Kingsland, M., Young, K.G., Tindall, J., Rowland, B.C., 
Colbran, R.W., & Wiggers, J.H. (2012). Alcohol sponsorship of community football clubs: the 
current situation. Health Promotion Journal of Australla, 23(1), 70-72. 

Sayon-Orea, C., Martinez-Gonzalez, M.A., & Bes-Rastrollo, M. (2011). Alcohol consumption and 


Dossier Alcohol 


108 


body weight: a systematic review. Nutrition reviews, 69(8), 419-431. 

Schifano, F. Di Furia, L., Forza, G., Minicuci, N., & Bricaldo, R. (1998). MDMA consumption in the 
context of polydrug abuse: a report on 150 patients. Drug and Alcohol Dependence, 52, 85- 
90. 

Schmid, H., & Nic Gabhainn, S. (2004). "Alcohol Use". In: C., CURRIE, C., ROBERTS, A., Morgan, 
R., Smith, W., Settertobulte, O., Samdal & V., Barnekow Rasmussen (eds.). Young People's 
Health In Context. Health Behavlour In School-aged Chlldren (HBSC) Study: International 
Report from the 2001/2002 survey (pp. 73-83). Copenhagen: WFIO. 

Schmidt, L.A., Makela, P., Rehm, J., & Room, R. (2010). Alcohol: equity and social determinants. 
In: E. Blass E., & A.S. Kurup, editors, Equity, social determinants and public heaith 
programmes (pp. 11-29). Geneva: World Fleaith Organization. Geraadpleegd op 10 augustus 
2015 via http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/44289/l/9789241563970 enq.pdf 

Schrooten, J. (2013). Factsheet voor preventiewerkers & professionelen In het uitgaanscircuit. 
Brussel: VAD. 

Schuckit, M. A. (1992). Reaction to alcohol as a predictor of alcoholism. A/corto/ and alcohollsm 
(Oxford, Oxfordshire). Supplement, 2, 91-94. 

Schuckit, M.A., Smith, T.L., Danko, G.P., Trim, R., Bucholz, K.K., Edenberg, FI.J., ... & Dick, D.M. 
(2009). An evaluation of the full level of response to alcohol model of heavy drinking and 
problems in COGA offspring. Journal of studies on alcohol and drugs, 70(3), 436-455. 

Schulte, M.T., Ramo, D., & Brown, S.A. (2009). Gender differences in factors influencing alcohol use 
and drinking progression among adolescents. Cllnical psychology review, 29(6), 535-547. 

Schwartz, J. M., & Reinus, J. F. (2012). Prevalence and natural history of alcoholic liver 
disease. Cllnics In llver disease, 16(4), 659-666. 

Scoccianti, C., Lauby-Secretan, B., Bello, P. Y., Chajes, V., & Romieu, I. (2014). Female breast 
cancer and alcohol consumption: a review of the literature. American Journal of preventive 
medicine, 46(3), 16-25. 

Scott-Sheldon, L. ., Carey, K. ., Elliott, J. ., Garey, L., & Carey, M. . (2014). Efficacy of alcohol 
interventions for first-year college students: A meta-analytic review of randomized controlled 
trials. Journal of Consulting and cllnical psychology, 82(2), 177-188. 

Segura, L., &Anderson, P. (2009). Alcohol: Health Care Advice. Factsheet 2009. DFIS: Flamm. 

Seitz, Fl. K., Pelucchi, C., Bagnardi, V., & La Vecchia, C. (2012). Epidemiology and pathophysiology 
of alcohol and breast cancer: Update 2012. Alcohol and alcohollsm, 47(3), 204-212. 

SFIAAP (2014). Alcohol and the Developing Adolescent Brain: Evidence Review. Edinburgh: SFIAAP. 

Sher, K.J. (1991). Chlldren of alcoholics: A critical appralsal of theory and research. Chicago: 
University of Chicago Press. 

Shield, K. D., Parry, C., & Rehm, J. (2014). Chronic diseases and conditions related to alcohol 
use. Alcohol research: current reviews, 35(2), 155. 

Siciliano, V., Mezzasalma, L., Lorenzoni, V., Pieroni, S., & Molinaro, S. (2013). Evaluation of drinking 
patterns and their impact on alcohol-related aggression: a national survey of adolescent 
behaviours. BMC Public Health, 13: 975. 

Simpura, J., & Karlsson, T. (2001). Trends in drinking patterns among adult population in 15 
European countries, 1950 to 2000: a review. Nordlc studies on alcohol and drugs, 18 
(English Supplement), 31-52. 

Single, E., & Leino, V.E. (1998). The Levels, Patterns, And Consequences Of Drinking. In Grant, M., 
& Litvak, J. (eds.). Drinking Patterns and thelr Consequences (pp. 7-24), London: Tayior & 
Francis. 

Skagerstróm, J., Chang, G., & Nilsen, P. (2011). Predictors of drinking during pregnancy: a 
systematic review. Journal of women's heaith, 20(6), 901-913. 

Skog, O.J. (2006). Alcohol and the so-called prevention paradox: how does it look today? 
Addictlon, 101, 155-158. 

Snel, J. (2002)., Alcohol, nuchter bekeken. Positieve effecten van matig gebruik. Assen: Van 
Gorcum. 

Snow, P. (2001). Alcohol In sport - a culture. Geraadpleegd op 8 juni 2009 via 
Flttp://www. adf.orq.au/cvds/papers/sport.htm 

Snyder, D., Sullivan, N., Reston, J., Treadwell, J., & Schoolles, K. M. (2010). Alcohol consumption 
and cancer risk: understanding possible causal mechanisms for breast and colorectal 
cancers. Agency for Flealthcare Research and Quality. 

Sonderlund, A.L., 0'Brien, K., Kremer, P, Rowland, B., De Groot, F, Staiger, P., Zinkiewicz, L., Miller, 
P.G. (2014). The association between sports participation, alcohol use and aggression and 


Dossier Alcohol 


109 


violence: a systematic review. Journal of Science and Medicine in Sport, 17{1), 1-1 . 

Stahl, S.T., & Schuiz, R. (2014). Changes in routine heaith behaviors following late-life 
bereavement: a systematic review. Journal of Behavloral Medicine, 37(4), 736-755. 

STAP (2003). Alcohol: gezondheidsrisico's voor kinderen. Utrecht: STAP. 

STAP (2011). Alcohol: Gezondheidsrisico's voor kinderen en adolescenten. Utrecht: STAP. 

STAP (2012). Alcohol en het puberbrein. Een gevaarlijke cocktail. Utrecht: STAP. 

STAP (2015a). Alcohol en Kanker: Metabolisme. Geraadpleegd op 12 augustus 2015 via 
http://www.stap.nl/nl/publicaties/factsheets.html/3522/4138/factsheet-alcohol- 
metabolisme-en-kanker#p3522 

STAP (2015b). Effecten van alcoholgebruik op jongeren. Utrecht: STAP. Geraadpleegd op 23 
oktober 2015 van http://www.stap.nI/nl/home/alcohol-ionqeren.html#Effecten 

STAP (2015c). Alcohol en Kanker. Geraadpleegd op 12 augustus 2015 via 

http://www.stap.nl/nl/publicaties/factsheets.html/3522/4141/factsheet-alcohol-en- 
kanker#p3522 

STAP (2015d). Hoe beïnvloedt alcohol de zwangerschap? Utrecht: STAP. Geraadpleegd op 22 
oktober 2015 via http://www.alcoholenzwanqerschap.nl/nl/ik ben zwanqer/hoe-beinvloedt- 
alcohol-de-zwanqerschap.html 

STAP (2015e). Alcohol en borstkanker. Geraadpleegd op 12 augustus 2015 via 

http://www.stap.nl/nl/publicaties/factsheets.html/3522/4141/factsheet-alcohol-en- 
kanker#p3522 

STAP (2015f). Alcohol, overgewicht en kanker. Geraadpleegd op 12 augustus 2015 via 
http://www.stap.nl/nl/publicaties/factsheets.html/3522/4141/factsheet-alcohol-en- 
kanker#p3522 

Stimson, G., Grant, M., Choquet, M., & Garrison, P. (2007). Drinking In Context: Patterns, 
Interventlons, and Partnerships. New York: Routledge. 

Stockwell, T., Hawks, D., Lang, E., & Rydon, P. (1996). Unravelling the preventive paradox for 
acute alcohol problems. Drug and Alcohol Review, 15, 7-15. 

Stockwell, T., Toumbourou, J,W., Letcher, P., Smart, D., Sanson, A., & Bond, L. (2004). Risk and 
protection factors for different intensities of adolescent substance use: when does the 
Prevention Paradox apply? Drug and Alcohol Review, 23, 67-77. 

Suzanne, M., & Kril, J. J. (2014). Human alcohol-related neuropathology. Acta 

neuropathologica, 127(1), 71-90. 

SWOV (2011). SWOV-Factsheet Rijden onder invloed van alcohol. Leidschendam: SWOV. 

Tamminen, K.A., Holt, N.L., & Crocker, P.R. (2012). Adolescent athietes: psychosocial challenges 
and clinical concerns. Current Opinlon in Psychiatry, 25(4), 293-300. 

Tayior, B., Irving, H. M., Kanteres, F., Room, R., Borges, G., Cherpitel, C., et al. (2010). The more 
you drink, the harder you fall: a systematic review and meta-analysis of how acute alcohol 
consumption and injury or collision risk increase together. Drug and alcohol 
dependance, 110(1), 108-116. 

Terry-McElrath, Y.M., & 0'Malley, P.M. (2011). Substance use and exercise participation among 
young adults: parallel trajectories in a national cohort-sequential study. Addiction, 106(10), 
1855-1867. 

Terry-McElrath, Y.M., 0'Malley, P.M., & Johnston, L.D. (2011). Exercise and substance use among 
American youth, 1991-2009. American Journal of Preventive Medicine, 40(5), 530-540. 

Thavorncharoensap, M., Teerawattananon, Y., Yothasamut, J., Lertpitakpong, C., & Chaikledkaew, 
U. (2009). The economie impact of alcohol Consumption: a systematic review. Substance 
Abuse Treatment, Prevention and Policy,4:20. doi: 10.1186/1747-597X-4-20. 

Theobald, H., Johansson, S.-E., Bygren, L.-O., & Engfeldt, P. (2001). The Effects of Alcohol 
Consumption on Mortality and Morbidity: A 26-Year Follow-Up Study. Journal of Studies on 
Alcohol, 62, 783-789. 

Thom, B. (2001). A Social and Political History of Alcohol. In Heather, N., Peters, T.J., & Stockwell, 
T. (eds.). International Handbook of Alcohol Dependance and Problems (pp. 15-31), 
Chichester: John Wiley & Sons. 

To, W.T., Neirynck, S., Vanderplasschen, W., Vanheule, S., & Vandevelde, S. (2014). Substance use 
and misuse in persons with intellectual disabilities (ID): Results of a survey in ID and 
addiction services in Flanders. Research in developmental disabilities, 35(1), 1-9. 

Todorow, M., Moore, T. E., & Koren, G. (2009). Investigating the effects of low to moderate levels of 
prenatal alcohol exposure on child behaviour: a critical review. Journal of population 


Dossier Alcohol 


110 


therapeutics and clinical pharmacology= Journal de la therapeutique des populatlons et de la 
pharamcologle cllnique, 17{2), e323-30. 

Tomcikova, Z., Geckova, A.M., Orosova, O., Van Dijk, J.P., & Reijneveld, S.A. (2009). Parental 
divorce and adolescent drunkenness: role of socioeconomic position, phychological well-being 
and social support. European Journal of Addictlon, 15, 202-208. 

Tuifhof, M., ten Have, M., van den Brink, W., Vollebergh & W., de Graaf, R. (2014). The relationship 
between excessive alcohol consumption and alcohol use disorders according to DSM-IV and 
DSM-5. Alcohollsm: clinical and experlmental research, 38(1), 249-256. 

Valverde, M. (1998). DIseases of the wlll: alcohol and the dllemmas of freedom. New York: 
Cambridge University Press. 

Van De Wiel, A (red.) (1993). Alcohol en ziekte. Utrecht: Bunge. 

Van den Berg, M., & Schoemaker, C.G. (red.) (2010). Effecten van preventie. Deelrapport van de 
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 Van gezond naar beter. Bilthoven: RIVM. 

Van Den Brandt, P.A. (2001). "De relatie tussen alcoholconsumptie en het risico op kanker, met 
name borstkanker". In: De geest uit de fles... nationaal congres over een ontluikend 
alcoholmatigingsbeleld, Woerden: NIGZ. 

Van den Brink, W. (2014). Verslavingsgedrag van DSM-IV naar DSM-5. Tijdschrift voor psychiatrie, 
56, 206-210. 

Van Der Stel, J., & Van Der Keuken, J. (1992). Kinderen gezin en alcohol. Preventie en 
hulpverlening , Assen: Dekker en Van De Veght. 

Van Epen, J.H. (2002). Drugsverslaving en alcoholisme, kennis en achtergronden voor 
hulpverleners. Houtem/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum. 

van Faasen, E., & Niemela, O. (2011). Blochemistry of Prenatal Alcohol Exposure. New York: Nova 
Biomedical Books. 

Van Nieuwkerk, C.M.J. (1996). "Alcohol en de lever", In: Hoes, M.J.A.J.M En Geerlings, P.J. (ed.). 
Informatorlum alcoholisme. Leusden: NZP Medical Publishing, 

Van Schoonenberghe, E. (2012). Alcohol tijdens de negentiende eeuw: biotechnologie In volle 
evolutie. Uitgeverij Snoeck. 

Van Thienen (2013). Verkeer op punt: alcoholprocedure. Kortrijk-Heule: UGA. 

Vander Laenen, F., De Ruyver, B., Christiaens, J., & Lievens, D., (2011) . Drugs in cijfers III. 
Onderzoek naar de overheidsuitgaven voor het drugsbeleid in België. Gent: Academia Press. 

Veerman, S. R. T., Dijkstra, H. N., & Liefting-Kluft, I. (2010). Levensbedreigende 

onthoudingsverschijnselen door gammahydroxyboterzuur. Tijdschrift voor Psychiatrie, 52(6). 

Verdurmen, J., Abraham, M., Planije, M., Monshouwer, K., Van Dorsselaer, S., Schuiten, I., Bevers, 
J., & Vollebergh, W. (2006). Alcoholgebruik en jongeren onder de 16 jaar. Schadelijke 
effecten en effectiviteit van alcohollnterventles. Utrecht: Trimbos Instituut. 

Vereniging Voor Alcohol- en Andere Drugproblemen (VAD) (2009a). Krachtlijnen voor preventie en 
behandeling. Brussel: VAD. Geraadpleegd op 22 oktober 2015 via 

http://www.vad.be/media/1558014/krachtliinen%20voor%20preventie%20en%20behandeli 
nq.pdf 

Vereniging Voor Alcohol- en Andere Drugproblemen (VAD) (2009b). Richtlijnen voor aanvaardbaar 
alcoholgebruik. Brussel: VAD. 

Vereniging Voor Alcohol- en Andere Drugproblemen (VAD) (2013). Alcohol en jongeren. Brussel: 
VAD. Geraadpleegd op 11 december 2015 via 

http://www.vad.be/media/1556900/alcohol%20en%20ionqeren.pdf 

Vereniging Voor Alcohol- en Andere Drugproblemen (VAD) (2015a). Een geïntegreerde aanpak voor 
veranderingsresistente probleemdrinkers: Verkennend literatuur- en kwalitatief onderzoek 
ter voorbereiding van een Innoverend VAD-project. Brussel: VAD. 

Vereniging Voor Alcohol- en Andere Drugproblemen (VAD) (2015b). Wegwijs in de 
drughulpverlening. Geraadpleegd op 12 oktober 2015 via 

http://www.vad.be/media/26028/weqwiis%20in%20de%20druqhulpverleninq.pdf 

Verschuren, P.M. (ed.) (1993). Health Issues related to alcohol consumption, Washington: Ilsi 
Press. 

Verstuyf, G. (2004). Overzicht van het hulpverleningsaanbod in Vlaanderen. In Ansoms, A., 
Casselman, J., Matthys, F., & Verstuyf, G. (red.). Hulpverlening bij problematisch 
alcoholgebruik, (pp. 291-294). Antwerpen/ Apeldoorn: Garant. 

Vest, A.E., & Simpkins, S.D. (2013). When is sport participation risky or protective for alcohol use? 
The role of teammates, friendships, and popularity. New DIrectlons for Chlld and Adolescent 
Development, 140, 37-55. 

Vijayakumar, L., Kumar, M.S., & Vijayakumar, V. (2011). Substance use and suicide. Current 
opinlon In psychlatry, 24(3), 197-202. 

I 


Dossier Alcohol 


111 


Virkkunen, M., & Linnoila, M. (1993). Brain serotonin, type II alcoholism, and impulsive violence. 
Journal of Studies on Alcohol, 54 (Supplement 11), 163-169. 

Wadd, S., Randall, J., Thake, A., Edwards, K., Galvani, S., McCabe, L., & Coleman, A. (2013). 
Alcohol Misuse and Cognitive Impairment in Older People. London: Alcohol Research UK. 

Wagenaar, A. C., Murray, D. M., & Toomey, T. L. (2000). Communities Mobilizing for Change on 
Alcohol (CMCA): Effects of a randomized trial on arrests and traffic crashes. Addiction, 95(2), 
209-217. 

Wagenaar, A. C., Toomey, T. L., & Erickson, D. J. (2005). Preventing youth access to alcohol: 
outcomes from a multi-community time-series trial. Addiction, 100(3), 335-345. 

Wagenaar, Alexander C., Matthew J. Salois, and Kelli A. Komro. "Effects of beverage alcohol price 
and tax levels on drinking: a meta-analysis of 1003 estimates from 112 

studies." Add/cf/on 104.2 (2009): 179-190. 

Warren, K.R., & Murrray, M.M. (2013). Alcohol and pregnancy: fetal alcohol spectrum disorders and 
the fetal alcohol syndrome. In P. Boyle, P. Boffetta, A.B., Lowenfels, H., Burns, O., Brawley, 
W., Zatonski, J., & Rehm, (Eds.). Alcohol: Science, Policy and Public Health (pp. 307-314). 
Oxford: Oxford University Press. 

Webb, G., Shakeshaft, A., Sanson-Fisher, R., & Havard, A. (2009). A systematic review of 
work-place interventions for alcohol-related problems. Addiction, 104(3), 365-377. 

Wechsier, H., Lee, J.E., Kuo, M., & Lee, H. (2000). College Binge Drinking in the 1990s: A 
Continuing Problem Results of the Harvard School of Public Health 1999 College Alcohol 
Study, Journal of American College Health, 48, 199-210. Geraadpleegd op 2 december 2009 
via http://www.hsph.harvard.edu/cas/Documents/cont problem/rpt2000.pdf 

Wegcode (2015a). Wijziging wegverkeerswet: lagere alcohollimiet voor professionele bestuurders 
en zwaardere bestraffing voor recidivisten. Geraadpleegd op 14 oktober 2015 via 
http://www.weqcode.be/actueel/2094-wiiziqinq-weqverkeerswet-laqere-alcohollimiet-voor- 
professionele-bestuurders-en-zwaardere-bestraffinq-voor-recidivisten 

Wegcode (2015b). Alcoholslot: omkaderingsprogramma en technische voorschriften. Geraadpleegd 
op 14 oktober 2015 via http://www.weqcode.be/actueel/1673-alcoholslot 

Wells, S., Graham, K., Speechley, M., & Koval, J.J. (2005). Drinking patterns, drinking contexts 
and alcohol-related aggression among late adolescent and young adult drinkers. Addiction, 
100, 933-944. 

Wichström, T, & Wichström, L. (2009). Does sports participation during adolescence prevent later 
alcohol, tobacco and cannabis use? Addiction, 104(1), 138-149. 

Wilcox, H.C., Conner, K.R., & Caine, E.D. (2004). Association of alcohol and drug use disorders and 
completed suïcide: an empirical overview of cohort studies. Drug and Alcohol Dependance, 
76S, S11-S19. 

Wiles, N.J., Lingford-Hughes, A., Daniël, J., Hickman, M., Farrell, M., Macleod, J., Haynes, J.C., 
Skapinakis, P., Araya, R., Lewis, G. (2007). Socio-economic status in childhood and later 
alcohol use: a systematic review. Addiction, 102(10), 1546-1563. 

Wilsnack, S.C., Wilsnack, R.W., & Kantor, L.W. (2014). Focus on: women and the costs of alcohol 
use. Alcohol research: current reviews, 35(2), 219. 

Wilson, I.M., Graham, K., & Taft, A. (2014). Alcohol interventions, alcohol policy and intimate 
partner violence: a systematic review. BMC public health,14(l), 881. 

Witteman, J. (2014). De invloed van binge drinken op de hersenen van jongeren Een 
literatuuroverzicht van humaan onderzoek. Utrecht: STAP. 

Witteman, J. (2014). De Invloed van binge drinken op de hersenen van jongeren: Een 
literatuuroverzicht van humaan onderzoek. Utrecht: STAP. 

World Health Organization (WHO) (2012). Alcohol in the European Union, consumption, harm and 
policy approaches. Kopenhagen: WHO Regional office for Europe. 

World Health Organization (WHO) (2014). Global status report on alcohol and heaith 2014. 
Luxemburg: WHO. 

World Health Organization (WHO) (2014). Violence against women. Intimate partner and sexual 
violence against women. Fact sheet N°239. Geneva: WHO. Geraadpleegd op 10 oktober 
2015 via http://www.who.int/mediacentre/factsheets/fs239/en/ 

World Health Organization & Hengeveld, M. W. (1994). De ICD-10 classificatie van psychische 
stoornissen en gedragsstoornissen. Kopenhagen: WHO Regional Office for Europe. 


Dossier Alcohol 


112 


World Health Organization (2006). Framework for alcohol pollcy In the WHO European Reglon. 
Kopenhagen: WHO Regional Office for Europe. 

World Health Organization (2014). Global status report on alcohol and health-2014. World Health 
Organization. 

World Health Organization (WHO) (2000). International Gulde for Monitoring Alcohol Consumptlon 
and Related Harm. S.I.: WHO. 

World Health Organization (WHO) (2004). Global Status Report on Alcohol 2004. Genève: WHO. 

World Health Organization (WHO) (2013). Status report on alcohol and heaith In 35 European 
Countries 2013. Copenhagen: WHO. 

Wright S., & Klee, H. (2001). Violent Crime, Agression and Amphetamines : what are the 
implications for drug treatment services? Drugs: educatlon, preventlon and pollcy, 8, 73-90. 

Yadav, D., & Lowenfels, A. B. (2013). The epidemiology of pancreatitis and pancreatic 
cancer. Gastroenterology, 144(6), 1252-1261. 

Yamashita, I., Ohmori, T, Koyama, T., Mori, H., Boyadjive, S., Kielholz, P., et al. (1990). Biological 
study of alcohol dependance syndrome with reference to ethnic difference: report of a WHO 
collaborative study. Psychlatry and Cllnical Neurosclences, 44(1), 79-84. 

Zakhari, S. (2013). Alcohol metabolism and epigenetics changes. Alcohol research: current 
revlews, 35(1), 6. 

Zhu, J. Z., Wang, Y. M., Zhou, Q. Y., Zhu, K. F., Yu, C. H., & Li, Y. M. (2014). Systematic review with 
meta-analysis: alcohol consumption and the risk of colorectal adenoma. Allmentary 
pharmacology & therapeutics, 40(4), 325-337. 

Zinberg, N.E. (1984). Drug, Set, and Setting. The Basis for Controlled Intoxicant Use. New Haven: 
Yale University. 


Dossier Alcohol 


113 


Dossier Alcohol 


- BIJLAGEN - 


Dossier Alcohol 


115 


Dossier Alcohol 


Bijlage 1: Formule voor het berekenen van de hoeveelheid alcohol 


Om de hoeveelheid alcohol per gedronken eenheid te berekenen, wordt de volgende formule 
gebruikt: 


Volume in ml x % alcoholvolume x 0,789"*® 


100 


= x-gram pure alcohol 


Zo bevat een glas pilsbier van 250 ml 9,863 g pure alcohol: 

250 ml X 5% X 0,789 

= 9,863 g pure alcohol 

100 

Of: in België staat een glas pilsbier van 250 ml met een alcoholvolume van 5% voor ± 1 
standaardglas. 

Een fles wijn in België bevat 73,969 g pure alcohol per fles: 

750 ml X 12,5% x 0,789 

= 73,969 g pure alcohol 

100 

Of: in België staat een fles wijn van 750 ml met een alcoholvolume van 12,5% voor ± 7,5 
standaardglazen. 


1 ml alcohol bevat 0,789 g alcohol. 


Dossier Alcohol 


117 


Bijlage 2: Overzicht maatregelen Belgische verkeerswetgeving 

(http://ikbob.be/files/nl_tabel_boetes_2014.pdf) 



Onmiddellijke 

inning^° 

Tijdelijk 

rijverbod 

Onmiddellijke 
intrekking 
rijbewijs 
(15 dagen tot 
6,5 maand) 

Verval van het 
recht tot sturen 
(uitgesproken 
door 

politierechter)^^ 

Boetes 

(uitgesproken 

door 

rechter)^s 

alcoholslot 

> 0,5 en < 
0,8°/oo 

€ 170 

Min 3 uur 

Neen 

Mogelijk^"* 

Van € 170 tot € 
3000 

neen 

> 0,S%o 

Van €400-€550 

Min 6 uur 

Mogelijk 

Mogelijk” 

Van € 1200 tot 
€ 11000 

Mogelijk 

Staat van 
dronkenschap 
of soortgelijke 
toestand door 
gebruik van 
drugs of 
geneesmiddelen 

Neen 

Min 12 uur 

Ja 

1 maand tot 5 
jaar / definitiefs^ 

Van € 1200 tot 
€ 12000 

Mogelijk 

Recidive voor 
alcoholopname 
> 0,8%o of 
dronkenschap 
en soortgelijke 
toestand door 
gebruik van 
drugs of 
geneesmiddelen 

Neen 

min 6 uur 
indien 
recidive > 
0,8 %o; min 
12 uur indien 
recidive voor 
dronkenschap 

Ja 

15 dagen 

3 maanden tot 5 
jaar / definitief 

Van € 2400 tot 
€ 30000 

Mogelijk 

Weigering 
ademtest of 
ademanalyse, 
of zonder 
geldige reden, 
de bloedproef 

Neen 

Min 6 uur 

mogelijk 

Mogelijkss ^4 

Van € 1200 tot 
€ 12000 

Mogelijk 


™ Minimum 3 maanden indien veroordeeid voor dodelijk ongeval. 

Het herstel in het recht tot sturen kan afhankelijk gemaakt worden van het slagen voor theoretische, 
praktische, medische en psychologische proeven. 

Voor overtredingen met lichamelijke letsels of voor zware recidive kan de rechter ook een gevangenisstraf 
uitspreken. 

Minimum 3 maanden indien veroordeeld voor dodelijk ongeval. 

Indien de overtreder sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B: verplicht verval van 8 dagen 
tot 5 jaar en verplicht theoretisch of praktisch examen tot herstel in het recht tot sturen. 


Dossier Alcohol 


118 


Bijlage 3: Wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid 


10 DECEMBER 2009 

Wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid 

Publicatie : 2009-12-31 

Afdeling 6. - Wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de 
gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, van de 
wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterkedranken en 
van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap. 

Art. 14. Artikel 6 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid 
van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten, gewijzigd bij de 
wetten van 22 maart 1989, 19 juli 2004, 27 december 2004 en 1 maart 2007, wordt aangevuld 
met een paragraaf 6, luidende : 

« § 6. Het is verboden om elke drank of product waarvan het effectief alcoholvolumegehalte hoger 
is dan 0,5% vol, te verkopen, te schenken of aan te bieden aan min-zestienjarigen. Van elke 
persoon, die dranken of andere producten op basis van alcohol wil kopen, mag worden gevraagd 
aan te tonen dat hij of zij ouder is dan zestien. 
Het is verboden om sterkedrank, zoals bepaald in artikel 16 van de wet van 7 januari 1998 
betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, te 
verkopen, te schenken of aan te bieden aan min-achttienjarigen. 
Van elke persoon, die sterkedrank wil kopen, mag worden gevraagd aan te tonen dat hij of zij 
ouder is dan achttien. » 

Art. 15. § 1. In artikel 13 van de wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het 
verstrekken van sterkedrank worden lid 1 en lid 2 opgeheven. 

§ 2. Artikel 5 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de 
dronkenschap wordt opgeheven. 

In artikel 7 van dezelfde besluitwet, worden de woorden « , 5 » opgeheven. 


Dossier Alcohol 


119 


Bijlage 4: Leeftijdsgrenzen voor de verkoop van alcohol in 28 Europese 
landen 



Land 

Winkelverkoop 

zwak- 

alcoholhoudend 

Winkelverkoop 
sterke drank 

Horecaverkoop 

zwak- 

alcoholhoudend 

Horecaverkoop 
sterke drank 

1 

België 

16 

18 

16 

18 

2 

Bulgarije 

18 

18 

18 

18 

3 

Cyprus 

17 

17 

17 

17 

4 

Denemarken 

16 

18 

18 

18 

5 

Duitsland 

16 

18 

16 

18 

6 

Estland 

18 

18 

18 

18 

7 

Finland 

18 

20 

18 

18 

8 

Frankrijk 

18 

18 

18 

18 

9 

Griekenland 

18 

18 

18 

18 

10 

Hongarije 

18 

18 

18 

18 

11 

Ierland 

18 

18 

18 

18 

12 

Italië 

18 

18 

18 

18 

13 

Kroatië 

18 

18 

18 

18 

14 

Letland 

18 

18 

18 

18 

15 

Litouwen 

18 

18 

18 

18 

16 

Luxemburg 

16 

16 

16 

16 

17 

Malta 

17 

17 

17 

17 

18 

Nederland 

18 

18 

18 

18 

19 

Oostenrijk 

16 

16* 

16 

16» 

20 

Polen 

18 

18 

18 

18 

21 

Portugal 

18 

18 

18 

18 

22 

Roemenië 

18 

18 

18 

18 

23 

Slovenië 

18 

18 

18 

18 

24 

Slowakije 

18 

18 

18 

18 

25 

Spanje 

18 

18 

18 

18 

26 

Tsjechië 

18 

18 

18 

18 

27 

Verenigd 

Koninkrijk 

18 

18 

16 

18 

28 

Zweden 

18 

20 

18 

18 

Aantal EU-landen 

21 

24 

21 

24 


met 18 jaars-grens 
of hoger 
Bronnen: 

Status Report Alcohol and Health in 35 European Countries 2013. Copenhagen, WHO Europe, 2013. 
Eyes on Ages. Luxemburg, European Commission, 2013. 
www.bag.admin.ch (Alcohol Policy Regulation in Europe). 

•in sommige delen van het land 18 jaar 


Dossier Alcohol 


120 


Bijlage 5: Nationale maximum BAC niveaus (g/liter) in het verkeer 


Land 

Algemene bevolking 

Jonge/beginnende 

bestuurders 

Professionele 

bestuurders 

Oostenrijk 

0.5 

0.1 

0.1 

België 

0.5 

0.5 

0.5* 

Bulgarije 

0.5 

0.5 

0.5 

Kroatië 

0.5 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Cyprus 

0.5 

0.5 

0.5 

Republiek Tjechië 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Denemarken 

0.5 

0.5 

0.5 

Estland 

0.2 

0.2 

0.2 

Finland 

0.5 

0.5 

0.5 

Frankrijk 

0.5 

0.5 

0.5 (0.2 voor 
bestuurders openbaar 
vervoer) 

Duitsland 

0.5 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Griekenland 

0.5 

0.2 

0.2 

Flongarije 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Ierland 

0.5 

0.2 

0.2 

Italië 

0.5 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Letland 

0.5 

0.2 

0.5 

Litouwen 

0.4 

0.2 

0.2 

Luxemburg 

0.5 

0.2 

0.2 

Malta 

0.8 

0.8 

0.8 

Nederland 

0.5 

0.2 

0.5 

Noorwegen 

0.2 

0.2 

0.2 

Polen 

0.2 

0.2 

0.2 

Portugal 

0.5 

0.5 

0.5 

Roemenië 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Slovakije 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Slovenië 

0.5 

zerotolerantie 

zerotolerantie 

Spanje 

0.5 

0.3 

0.3 

Zweden 

0.2 

0.2 

0.2 

Zwitserland 

0.5 

0.5 

0.5 

Verenigd Koninkrijk 

0.8 

0.8 

0.8 


Bron: WHO, 2013 


*Sinds 1 januari 2015 is de maximaal toegelaten alcoholconcentratie voor vrachtwagenbestuurders, bus- en 
taxichauffeurs en andere professionele bestuurders verlaagd naar 0,2 promille. 


Dossier Alcohol 


121